HET ZIEKENHUIS: DE LAATSTE ETAPPE – Dialoog met het Lijf.

Ik probeer deze dagen de dialoog aan te gaan met mijn lijf. Niet gemakkelijk, dat taaltje dat ze daar spreken.

En, onder ons gezegd en ondanks dat ik altijd maar hoor zeggen dat ge uw lijf graag moet zien, weet ik niet of ik mijn lijf nu zo ’n sympathiek personage vind.

Ik zal u eens zeggen wat ik ervan denk. Ik vind het een eigenwijs en koppig persoontje, waarmee ge geen compromissen kunt sluiten, die ook niet duidelijk is in wat het wil, maar er wel in slaagt om u achteraf vierkant uit te lachen als het u begint te pesten. Smerig sujet.

Ik heb dus een nieuwe strategie bedacht.

Waar het gaat om de beperkingen die het lijf me oplegt is het vrij duidelijk. Dat is niet zo moeilijk. Het lijf zegt ‘Neen’ als het niet wil. Ik voel me niet geroepen om een sprongetje te maken, want het is evident dat mijn lijf dat niet wil.

Bij de onduidelijke dingen is het een kwestie van uit te proberen en af te wachten wat dat eigenzinnige lijf ervan denkt. Ik hoor het dan wel of het OK was of niet. Net een rotverwend joch waar je voortdurend de goestingskes moet van invullen.

Sinds gisteren ben ik begonnen met het experiment: ‘stop de pijnstillers’.

Echt jong, ze komen mijn oren uit. En op den duur vult dat slikken een mens zijn bestaan en zit ge daar op gefocust.

Ik kan het u wel vertellen: mijn lijf lijkt het redelijk OK te vinden. We beginnen zo stilaan een beetje vriendjes te worden.

Bovendien lukt het ook stilaan om weer wat piano te spelen en ik ga me deze namiddag als troostprijs eens aan het schilderen wagen.

Jawel, ge leest het goed, troostprijs.

Herman had sinds een eeuwigheid kaarten gekocht voor de opera in Antwerpen. Maar ge ziet van hier dat ik zo’n lange rit zou kunnen overleven, en laat staan dat mijn darmen daar midden in die voorstelling beginnen op te spelen. Ik zou het niet willen gedroomd hebben.

Ge hoort mij niet klagen. Het gaat hier alle dagen beter, en ik weet dat ik over afzienbare tijd mijn spieren weer mag gaan terughalen van waar ze nu naartoe zijn verdwenen. Dat wordt nog een hele opgave, maar ik zie het wel zitten.

Ik denk aan mijn lieve vriend die me enkele dagen terug liet weten dat hij de diagnose Parkinson heeft gekregen, en ik wou dat ik een toverstaf had om het ongedaan te maken. Want van alle mensen is hij degene die dit niet verdient. Ik zend hem pure golfjes positieve gedachten in de overtuiging dat het hem kan helpen.

Los van de kommer en kwel des levens zijn er ook mooie dingen. Zoals de fijne bezoekjes die ik mag krijgen van zoveel lieve mensen. Momenten om bij te babbelen, om herinneringen op te halen, om plannen te maken. En dan krijg ik taartjes en bloemekes. Mijn dochter maakte een heerlijke ovenschotel klaar, en ik heb een lieve vriendin die me een hele verhuis aan super lekker eten heeft gebracht. Man wat een verwennerij! Het is telkens een klein bommetje energie. Schoon.

Maar ’t schoonste is wel het bezoek van mijn kleinkinderen. Uitzonderlijk had ik ze nu eens alle drie tegelijk op bezoek. Feest!!!

Niks zo schoon als de ongekunstelde liefde van zo’n hummel. En ze doen het elk op hun heel bijzondere en persoonlijke manier. De kleine Roxan moet altijd eerst op temperatuur komen, maar leeft binnen de kortste keren op en voelt zich als een visje in het water bij oma. En dan gaat ze haar weggetje. Net haar moeder toen ze klein was.

De kleine Stef houdt zijn wildebras-zijn een beetje in, want zijn mama heeft verteld dat oma een beetje van de stevigheid kwijt is geraakt.

En Len, de oudste, die is geboren om de wereld te verbeteren en overal behulpzaam te zijn. Blijkbaar kon mama hem niet langer thuis houden want hij moest per se oma gaan ‘verzorgen’.

Hij komt naast me zitten en zegt heel bezorgd:

‘Oma, ik moet jou altijd zo missen’….

Slik.

‘Ik ook, manneke. Ik ook.’

Een mens kan zijn hart breken aan schone dingen. Ge moet daarmee opletten.

 

Fijne zondag allemaal!

 

 

HET ZIEKENHUIS : DE LAATSTE ETAPPE – Dolce Far Niente

Zo stilaan begin ik te leren vakantie houden zonder vakantie. Gewoon in mijn eigen huis genieten van de ledigheid van het bestaan. Ik wist niet dat ik het in me had, maar een mens is nooit te oud om te leren.

In mijn jonge jaren was een strenge opvoeding niet raar, maar zelfs mijn vriendinnen vonden dat het er bij ons thuis bijna tiraniek aan toe ging. Het zal u dus niet verbazen dat mijn programmering tot op oudere leeftijd voorschrijft dat ik overdag geen TV mag kijken, dat ik niet in de zetel mag hangen voordat de zon is ondergegaan en dat ik me moet nuttig maken.

Ik voel me nu precies een rebelse puber die een dikke vinger maakt naar alles wat ze indertijd in mijn systeem hebben geramd. Man, dat voelt nog eens niet zo slecht.

Anderzijds zijn er nog mijn genen die ook het een en het ander in de pap te brokken hebben, en die vinden het blijkbaar wel belangrijk dat ik iets beteken voor anderen, dat er creativiteit uit mijn systeem moet rollen, en dat ‘graag zien’ de motor is van mijn bestaan.

Anderen zijn belangrijk. Let wel, ik hou ervan om met mezelf alleen te zijn, maar ik moet wel weten dat er altijd die mensen zijn waarmee ik me verbonden voel. Dat voelt zo heerlijk warm vanbinnen.

En denk nu maar niet dat het daarmee allemaal manengeur en rozenschijn is (of was het andersom?) , want ik loop soms ook met mijn smoel tegen de muur als het om mensen gaat. Dan laat ik me meeslepen en zie ik pas nadien in wat voor een manipulatief spelletje ik ben getuimeld. En dat is iets dat een mens vooral ziet als ge zo eens in de shit of in het ziekenhuis bent beland. Gelukkig ben ik niet meer dat jong grut van vroeger die dan loopt te piekeren. Ik neem nu de vrijheid om af te sluiten en mijn weg verder te zetten zonder omkijken. Niks aan de hand.

Maar het is gelukkig uitzondering.

Ik heb het voorrecht om zoveel lieve mensen om me heen te hebben. En hebt gij dat ook dat ge uw vrienden in categorieën kunt delen?

Ik heb drie echelons.

De eerste categorie, dat is het hoogste echelon, en daar is het compleet volzet met mijn twee vriendinnen, die elk een heel andere maar toch een bijzondere plaats in mijn hart hebben. Het is onmogelijk om daar nog iemand bij te zetten, want die zijn gewoon een stuk van mijn leven en dat is niet meer in te halen.

De tweede categorie zijn die mensen waarmee ik die warme verbindingsdraad heb die van hart tot hart gaat. Dat zijn de ‘open boek’ mensen waarbij ik evenveel open boek kan en mag zijn.

En de derde categorie zijn gewoon de mensen die ik graag heb, en die rondcirkelen in mijn leven zonder voortdurend aanwezig te zijn, maar die toch ook wel een belangrijke rol spelen en die mij op een of andere manier beroeren. Maar voorwaarde is altijd de puurheid.

Ik heb nu tijd zat om stil te staan bij al die dingen, en ik ben plots ongehoord nieuwsgierig hoe andere mensen omgaan met hun vrienden en hoe dat voelt. Als ge u geroepen voelt om daar iets over te vertellen, laat het me dan weten.

Allez zeg, nu zit ik hier weer te zondigen tegen mijn blog-voornemens. Het moet luchtig blijven, Annie. Dit is geen filosofische blog. Doe dat op een ander.

Dus….

Vooraleer mijn valies en ik naar het ziekenhuis zijn vertrokken, had ik bonen gezaaid. En die moesten op een gegeven moment uitgepland worden.

Ik zei het al dat Herman zich intussen stilaan begint te ontpoppen tot een echte landbouwer, en hij heeft die bonen dus netjes in de tuin gepland, mét stokjes waartegen ze zouden kunnen opgroeien.

Maar hierboven – ik snap nog altijd niet goed wat die hun politiek is – vonden ze het weer plezant om ons een beetje te pesten, en ze hebben het die nacht eens goed laten vriezen zodat die bonenplantjes er de volgende ochtend allemaal grillig dood uitzagen.

‘Da’s niks, lieveke, ik zal er wel nieuwe zaaien.’

Zo gezegd, zo gedaan. Tegen dat ik uit het ziekenhuis kwam konden die nieuwe plantjes alweer in de tuin gezet worden.

En ja hoor. Deze nacht heeft het weeral eens gevroren en staan die sukkels weer zo dood als een pier nutteloos te wezen in onzen hof.

Het schijnt dat ge niet moogt vloeken tegen de ijsheiligen. Dat hebben wij wel gedaan, en dat zullen we geweten hebben.

Als mijn buik het toelaat zal ik er nog eens voor de derde keer zaaien.

Want die buik, dat is de spelbreker.

Ge hebt er geen gedacht van hoeveel ge uw buikspieren gebruikt voor dingen die helemaal niks met uw buik te maken hebben.

Piano spelen bijvoorbeeld. Of schilderen. Of een bord nemen uit de kast. Of uw kousen aantrekken. Of zelfs gewoon babbelen. Ge kunt het zo zot niet bedenken of die zitten er voor iets tussen.

Maar ’t begint te beteren. Ik kan al veel beter lachen, hoesten en niezen zonder dat mijn fantasie dan rare beelden ziet over de binnenkant van mijn bestaan.

Ik loop al bijna helemaal rechtop en heel soms kan ik lopen zonder mijn buik vast te houden. ’t Is waar jong, ik heb het gevoel dat de boel er gaat uitvallen als ik het daar niet vast houd.

Ge moet anderzijds niet denken dat het hier allemaal kommer en kwel is. Ik vind het zo immens plezant dat mijn bezoekers hier zo vanzelfsprekend aan zelfbediening doen. Mijn kasten en mijn spullen zijn plots gemeengoed geworden, en ’t is zot, maar ik vind dat nog leuk ook. Ik geloof dat ik in mijn volgend leven best wel zou kunnen gedijen in een commune. Hoewel… bij nader inzien misschien toch niet helemaal mijn ding. Ik weet niet hoever ze daar gaan met het delen van zichzelf.

De zon schijnt, lieve vrienden, dus ik hoop dat jullie er met z’n allen kunnen van genieten. In ons Belgenlandje is het de kunst om bij schoon weer al uw plannen in de vuilbak te gooien en te genieten van de zon als ze er is. En dat is precies wat ik ga doen. Al moet ik eerlijk toegeven dat er hier niet echt veel plannen zijn voor de komende dagen. Haha. Des te beter. Ik mag het nemen zoals het komt. Wat een luxe!

Een fijne dag aan allen!

 

 

HET ZIEKENHUIS: DE LAATSTE ETAPPE – het strafbankje.

De eerste dag alleen thuis. Dat moet lukken, en als zeker als ik merk dat Herman de vaatwas al heeft leeggemaakt voordat hij naar het werk vertrok. Maar wat een schat is dat toch!

Mijn ochtend begint met koffie en de ochtendkrant, en een ongewenste niesbui.

Niezen. Ge wilt het niet geweten hebben als uw darmen met nietjes aan mekaar hangen en uw spieren zijn doorgesneden. Ik heb op dat moment mijn fantasie niet in het gareel. Dan zie ik daar vanbinnen dingen open spetteren dat het niet schoon is.

Ik ben content dat ik alleen thuis ben, want Herman zou dat heel grappig vinden wanneer ik van die rare nies-geluiden maak die helemaal niet gelijken op nies-geluiden.

En weet ge waarom hij dat grappig zou vinden? Loontje komt om zijn boontje.

Hij was bij het skiën gevallen en had zijn ribben gekneusd. En op de koop toe kwam hij thuis met een verkoudheid. En elke keer dat hij moest niezen maakt hij zo’n geluid als ‘Aaahwoehheeee’. Ik kreeg daar de slappe lach van.

Het leven is hard en ge krijgt altijd lik op stuk voor al uw daden.

Verder gaat het voorspoedig. Dat wil zeggen dat ik me niet geroepen voel om stil te zitten.

Nog eens naar boven tsjokken, wassen, aankleden, bed maken. Vervolgens naar bijna dagelijkse gewoonte een uur met mijn dochter aan de telefoon hangen, het eten klaar leggen dat ik tegen vanavond wil klaar maken. En jawel, intussen hebben de kinderen geantwoord en kan ik ons weekendje boeken. Dat gaat heerlijk vlot.

En dan….

is het uit. Afgelopen. Pijn.

Gatver, gatver…

Neerliggen, Annie. Luisteren naar uw lijf. Ik vind mijn lijf veeleisend. Ik hou niet van veeleisendheid. Ik vind dat mijn lichaam zou moeten leren luisteren naar mij, maar zo werkt het blijkbaar niet. Alweer een leerpunt. Ik zal nooit oud genoeg worden om nog alles te leren waar ik niet goed in ben. Dus ik kom zeker nog eens terug. Noem het een herkansing, een bisnummer.

Misschien word ik in een volgend leven de zoveelste president van Frankrijk, of van Amerika. Of misschien word ik een hond met vlooien. Ik heb er geen idee van of ge hierboven een vinger in de pap hebt alvorens ze u terug sturen.

Het zou wel tof zijn mocht ik hier dan een paar bekenden tegen komen. Dat wil zeggen dat ik hoop dat jullie ook nog het een en het ander te leren hebben en dat jullie ook een bisnummer krijgen.

Enfin, voorlopig zullen we eerst afmaken wat er nu op ons bord ligt. En nog wat pillen slikken in afwachting dat mijn commandant-lichaam beslist dat ik nu braaf genoeg ben.

Geduld. Zucht.

Geniet van jullie mobiliteit. Een mens beseft het te weinig wanneer het goed gaat, maar ’t is een voorrecht. Pak het vast!

HET ZIEKENHUIS : DE LAATSTE ETAPPE – Alweer een kilometer…

Ik had me nog net op de valreep voor mijn operatie een flodderbroek gekocht, en die komt nu perfect van pas om ‘aangekleed’ rond te lopen. Moreel gezien maakt dat een heel verschil met een pyjama van ’s morgens tot ’s avonds.

Ons Annie zit hier dus fris gedoucht te blinken in de flodderbroek. Met een aperitief binnen handbereik. En zeggen dat mijn ex vroeger zei dat ik niet in staat was om te genieten van het leven. Ba neen, niet zolang hij geen poot uitstak natuurlijk. Haha. Mijn vrijheid begint waar de jouwe eindigt, hé. Kwestie van een gezond evenwicht te houden.

Ik heb een heerlijke nachtrust gehad en voel me vandaag al weer vijf centimeter kwieker dan gisteren. Als het aan dat tempo voort gaat, dan loop ik volgende maand de marathon.

Hier staat ‘De zevende dag’ op. Leuk om al die politiekers te horen discussiëren over non-issues. Hoog tijd dat ze een examen inlassen vooraleer mensen zich kandidaat mogen stellen als ze in de politiek willen gaan. Een minimum aan gezond redeneringsvermogen is toch een must, vind ik. Helaas.

Nu zitten ze met cijfertjes te gooien en te toveren rond pensioenen. Er is ongelijkheid tussen mensen die gewerkt hebben en werklozen.

Is dat nu zo moeilijk? Geef toch gewoon iedereen hetzelfde pensioen. En dan wel eentje dat toereikend is om ook desgevallend een home te betalen. Ambtenaren moeten niet meer krijgen dan iemand die werkte, en een werkloze moet niet minder krijgen. Oud zijn is voor iedereen hetzelfde.

Ik kan er hier nog een heel bos over opzetten, maar dat ga ik niet doen. Want ik vind zelfs dat we het voorbeeld zouden moeten volgen van sommige andere landen waar iedereen hetzelfde minimum inkomen krijgt en waar men dus kan kiezen om daarnaast al dan niet te werken. En dergelijke polemiek zou ons tot ver kunnen leiden.

Maar – ik heb het al eerder gezegd en ik heb al eerder gezondigd – deze blog is er niet om de ernst der mensheid te onderstrepen. Wel integendeel: het gaat om de luchtigheid van het bestaan. Laat ons dat zo houden.

Ik heb mijn lieve Herman net instructies gegeven hoe hij de sla moet uitplanten. Want hij is vol goede wil, en gelukkig ook leergierig. Hij weet alles over zwaartekracht en ingenieurs-dinges, maar een simpele sla in de grond poten behoorde tot hiertoe niet tot zijn repertoire. Hoe plezant is da.

En ik had al aangekondigd dat ik grootse plannen ging maken voor de nabije toekomst, en daar heb ik me dan ook heel consequent aangezet. De reisplannen met Herman, die lopen als een trein, dat is geen probleem. Maar nu wil ik ook een weekend organiseren met mijn kinderen en mijn kleinkinderen, maar dat is een ander paar mouwen. Naar het schijnt zit dat jong geweld voortdurend op hun GSM en op sociale media, maar als ge een antwoord op uw mail wilt, dan moet ge wel wat geduld hebben.

….

Die puntjes, dat wil zeggen dat ik een pauze heb ingelast. Zoals het een oude-van-dagen betaamt heb ik mijn middagdutje gedaan en me onledig gehouden met het lezen van nog maar eens een thriller. Vergis u niet. Ik lees tussendoor ook nog eens iets anders. De gazet bijvoorbeeld. Of nu ook de Feeling en de Flair die ik in het ziekenhuis heb gekocht maar nog niet had opengeslagen. En – opgelet – tussendoor ook de Nag Hammadi Geschriften. Dat zijn die oude schrijfsels die ze teruggevonden hebben en die de Bijbel en andere gelijkaardige heilige dingen voorafgaan. Heel interessant om te ontdekken wat voor een troep ze er in het Vaticaan van gemaakt hebben.

Herman is naar de Brico. En ik stikjaloers. Het komt tegenwoordig bij mij over als een exotische trip als ge naar de Brico kunt. Ik kan mijn kot niet uit. Gekluisterd en geketend. De komende weken zal ik veilig thuis vertoeven, met de pot binnen handbereik, want die machienerie van mij is nog altijd op tilt geslagen. Ik zou daar heel grappige dingen kunnen over schrijven, maar die bewaar ik voor Herman. We lachen hier wat af. En het plezante is dat het elke dag minder pijn doet als ik lach.

Ik heb ook tegen Herman gezegd dat ik plannen heb om me eens toe te leggen op het online shoppen. Hij bekeek me alsof ik een buitenaards wezen was en vroeg of ik eerst ging plaats maken in mijn kleerkast.

Ah neen, dat kan ik nu niet. Dat is te zwaar werk momenteel.

En nog iets: ik ben er helemaal uit geraakt. Ik ga een elektrische fiets kopen. Deze keer een blik alsof ik pas uit de psychiatrie ben ontslagen. (Lieveke, het was wel mijn buik, hé, niet mijn koppeke).  Ja jong, met dat nieuwe mobiliteitsplan in Gent zie ik het niet zitten om daar met de auto naartoe te gaan, en met het openbaar vervoer doe je er veel te lang over. En ’t is beter voor het milieu en al zeker voor mijn conditie.

Case gesloten. Annie heeft het pleit gewonnen. Herman gaat daar eens werk van maken om het juiste model te bepalen. ’t Is ne schat, maar ge moet weten hoe ge hem aanpakt.

Elke vrouw die dit leest zal beamen dat ze wel weet hoe ze haar eigen man aan haar gelijk moet krijgen. En ik ben ervaringsdeskundige.

Seffens zet ik mij achter het kookfornuis. Mét stoel en mét assistentie van Herman. Potten uit de kast halen lukt nog niet. Iets op een hoog schap nemen lukt ook niet. Maar een kieken kruiden en op een knopke drukken om het vuur aan te zetten, dat ligt al in mijn mogelijkheden. Vervolgens krijg ik forfait voor het afruimen, en dat vind ik een ware luxe. Gewoon van tafel naar de luie zetel.

Ge ziet, we hebben ons evenwicht hier al behoorlijk gevonden. Ik steek de was in, en Herman haalt hem uit. Ik plooi. De strijk, die zal hier nog een paar weekskes blijven liggen, maar Herman heeft een stapel hemden in de kast liggen waar ge tot aan volgende winter mee toekomt. Wat zit die eigenlijk te zagen over mijn kleerkast?

Och, overeenkomen is niet moeilijk als ge mekaar maar het licht in de ogen gunt, en daar mag ik hier niet van klagen.

Tot blogs.

 

 

HET ZIEKENHUIS: DE LAATSTE ETAPPE – thuis komen.

– Moeke, zoudt ge geen ziekenhuisbed in uwe living zetten?

– Mams, ge zoudt beter een rollator gaan halen bij de ziekenkas.

– Mamsie, gaat ge ’t ons echt zeggen als we kunnen helpen?

Ik ben vereerd dat ik zo op handen wordt gedragen door mijn kinderen. Maar neen, geen rollator, en al zeker geen ziekenhuisbed. Ik wil me niet zieker voelen dan ik ben.

Ik heb het ziekenhuis de rug gekeerd. Behalve nog een controle aan het einde van de maand, heb ik me voorgenomen om daar niet zo gauw meer over de vloer te komen. Het was een avontuur, en het was er goed vertoeven, maar nu ben ik het wel beu.

Maar vergeten doet een mens zoiets niet, en ik zou het niet fair vinden mocht dat in één richting gebeuren. Ik heb er dus voor gezorgd dat ze het zullen geweten hebben dat daar ooit een zekere bloggende Annie voor een tijdje haar tweede residentie heeft gehad.

Hoe doet ge dat? Ge geeft de mensen een schilderij, en dan durven ze niets anders dan die op te hangen. Mocht één van jullie ooit eens zijn darmen in de knoop hebben, dan kunt ge daar waarschijnlijk een stuk geschiedenis zien hangen.

Het had schoon geweest had ik iets met darmen geschilderd, maar dat gaat allemaal zo rap niet, en het is – bij nader inzien – toch ook niet zo apetijtelijk, dus zijn het de handen geworden.

Want zeg nu zelf, om zo een huzarenstukje uit te halen van een mens letterlijk binnenste buiten te keren, daar moet ge wel speciale handen voor hebben.

En daarmee heb ik thuis weer plek om iets anders te hangen. Het is wel een probleem als ge schildert, want waar moet ge er overal mee blijven, hé.

Enfin, ik ben dus thuis geraakt. Inderdaad: slef-slef.

Hebt ge dat al eens voor gehad dat ge thuis komt en dat ge u direct op een stoel ploft? Ik niet. Best een zotte ervaring. Maar lang heeft dat zitten niet geduurd. Ik kon het niet laten om toch maar sla beginnen te kuisen (ja zeg, ik had honger en Herman had gezegd dat we biefstuk-friet zouden eten).

Maar langer dan drie minuten kan ik niet blijven recht staan, dus dan maar een stoel bij geschoven. Ge moet dat eens proberen, sla kuisen terwijl ge op een stoel zit.

En dan te zwijgen over de commentaren van mijn levensgezel. Die had er zich op ingesteld dat hij het roer hier zou overnemen, maar dat was buiten de waard gerekend. Ik heb het allemaal schoon in de war gestuurd.

– ‘Ja maar, gaat gij nu eten maken of doe ik het?’

Kijk, iedereen die Herman kent weet dat het onmogelijk is om hem kwaad te krijgen. Maar als hij dàt zegt, dan moogt g’er zeker van zijn dat hij het op zijn hespen heeft.

Och, we hebben er zelfs niet moeten over discussiëren. Mijn lieke was rap uitgezongen na die sla.

En tot mijn grote vreugde ben ik s’ avonds zelfs de trap opgeraakt, op verticale wijze, en niet schuivend op mijn billen zoals ik me had voorgesteld.

Het leven kan schoon zijn.

Herman is gisteren nog een paar kilo pijnstillers gaan halen bij de apotheker. Kwestie van mijn maag naar de botten te helpen. Want waar ga ik anders nadien over klagen als mijn darmen weer in orde zijn?

Voor de rest doe ik – zoals gezegd – mijn best met nutteloos te wezen. Het is niet gemakkelijk, maar het zal wel wennen. Ik maak grootse vakantieplannen, en organiseer alvast weekendjes en uitstapjes op langere termijn. Dat moet lukken.

Herman heeft vanmiddag een spiegelei voor me gebakken. Luxe. En ’t was nog lekker, ook. Eieren krijgt ge niet in het ziekenhuis. Of toch wel. Ik hoorde iemand vertellen dat ge wel een vacuüm verpakt hard gekookt ei kan krijgen, maar ge moet opletten dat ge het niet laat vallen, want dan blijft het botsen. Liever niet, dus.

Als ge er tegen kunt dat ik in kamerjas rondwaar, dan is bezoek heel welkom. Ik heb het excuus dat ik niets rond mijn schijnbaar zwangere buik kan verdragen om me niet te moeten aankleden. Weeral luxe.

De koffie moet ge zelf zetten en de koekskes moet ge zelf uit de kast halen. Maar er is voorraad genoeg.

Tenzij ik ze zelf allemaal opeet natuurlijk, want ik veeg mijn voeten aan de kilo’s die erbij komen. Na drie dagen zonder eten of drinken is de teller weer gezakt.

Hoewel….

Ik moest daar op die balans gaan staan en weet ge welk cijfer er toen verscheen? 137!!! Jawel, ge leest het goed. En bij de tweede poging bleef dat nog altijd hetzelfde. De verpleegster zag ook wel dat er iets niet klopte. En ja, dat ding stond op Lbs (de ponden dus).

En nog iets dat geslonken is. Ons Tineke had het al eens uitgeroepen:

– Ma, gij zijt percies gekrompen.

En bij het pre-operatieve onderzoek, waarbij ze ook willen weten hoe groot ge zijt, bleek inderdaad dat ze gelijk had. Ik ben verdorie vijf centimeter kleiner geworden. Potdekke jong, seffens moet ik nog op een ladderke staan om mezelf in de ogen te kijken in de spiegel.

Enfin, zolang mijn hersens nog niet te veel krimpen vind ik het niet erg.

Ik ga me in de zon placeren. En ik hoop dat jullie hetzelfde doen vandaag.

Tot blogs.

HET ZIEKENHUIS: DE LAATSTE ETAPPE – De eerste dag van de rest van mijn leven.

Bedankt, mijn lieve vrienden, voor alle goede raad. De kogel is door de kerk. Mijne knop is omgedraaid en morgenavond gaan mijn valies en ik weer naar huis.

Home sweet home.

Ik probeer dus te aanvaarden dat ik niet zal kunnen doen wat ik zou willen doen, ik zal er mij bij neerleggen dat ik voor een tijdje de calimero in mezelf moet laten spreken, en ik zal mijn best doen om mijn dagen zo nutteloos mogelijk door te brengen. Met een beetje goede wil moet dat wel lukken.

En niets houdt me tegen om grootse plannen te maken tegen de tijd dat ik me weer Hercules voel.

Want dàt is wat ik wel zeker weet: ik hoef vanaf hier geen ziekenhuizen meer. Ik heb het gehad. Mijn abonnement is op. Ge moogt mijn volle bonuskaart hebben voor wie geïnteresseerd is.

Het stoute stukske Annie (wat niet hetzelfde is als het stukske stoute Annie, hé Johan) is eruit. Dat kan me dus niet langer de duvel aan doen. En voor de rest voldoet mijn lijf meer dan wat gemiddeld mag verwacht worden met dat cijfer op de teller. Mijn kar zal nog wel efkes blijven rijden. Daar gaan we van uit.

En dan ga ik eindelijk eens écht met pensioen, en niet zoiets halfslachtigs zoals het tot hiertoe is geweest.

Hoewel – voor wie het niet wist – ik elke dag toch nog wel een paar uurtjes aan de mail zit met gewezen patiënten. Ik heb er zelf deugd aan om toch nog een beetje te kunnen helpen. Het verbaast me nog altijd dat er zoveel psychologen zijn die denken dat ze de psychiater moeten uithangen die enkel maar vragen stelt en luistert. Mensen zitten daar doorgaans niet op te wachten. Mensen van deze tijd willen vooruit, ze willen tips en eye-openers om door hun blinde vlek heen te boren. Ze willen daadkracht en energie. En gelijk hebben ze.

En ik geloof dat ze het er hierboven om doen: ze sturen altijd mensen op mijn pad die naar me toe worden gezogen als een magneet. Hier was een jong dametje op de gang hiernaast die een eerder zeldzame compulsieve stoornis vertoont. Ze roept namelijk te pas en te onpas een ongecontroleerde kreet. En neen, het is geen Tourette voor wie dat mocht opwerpen. Ik kon het kind er op die korte tijd niet van af helpen, maar ik weet zeker dat ze nu hoop in haar sjacoche heeft.

Maar deze blog heeft niet de bedoeling om dit soort van ernstige praat de wereld in te sturen, dus laat ik dan maar de koers wijzigen.

Ik heb hier weer heel wat mogen leren. In de apenkooi hadden ze het over de ziekenhuizen in de omgeving, en ik wil u deze wetenschap niet onthouden, al sta ik niet garant voor de echtheid ervan. Maar het zijn wel allemaal doorleefde verhalen.

Blijkbaar moet ge in Maria Middelares zijn voor de beste oncoloog, maar ge moet er wel bijnemen dat het een hark is als het om emotionele intelligentie en om communicatie gaat. Hij blijkt bot, geeft geen informatie en is onvriendelijk, maar hij kent zijn vak als de beste van kilometers in het rond.

En in het UZ Gent kunt ge maar beter niet zijn. Dat blijkt een fabriek te zijn waar het allemaal moet vooruit gaan en waar ze er niet erg mee inzitten om u als object te bejegenen. Een mevrouw had daarover ook een anekdote. Die moest voor haar operatie een infuus krijgen, en dat lukte van geen kanten. Ze zat helemaal doorprikt en ze was het zat om telkens al haar aders te laten springen, terwijl ze daar tijd stonden te verliezen want ze moest onder het mes. Op een bepaald moment zei ze:

– ‘Kom, geeft hier, die naald, da’k het zelf doen’. Ze heeft de boel er gewoon zelf in geploft.

Tja, ge neemt het maar voor wat het waard is. Ik was er niet bij.

Als afsluiter nog maar eens een woord van lof aan mijn gelegenheidsbeenhouwer. Hij heeft me wel mishandeld, maar ik ben hem eeuwig dankbaar voor het snijwerk dat hij heeft verricht. En een merci aan de verpleging, al moet ik eerlijkheidshalve erbij zeggen dat er hier en daar toch wel eentje tussen zat die ik soms in mijn fantasie achter het behang heb geplakt.

Niet te vergeten: ook een dikke merci aan ons Belgenland met het fantastische stelsel van sociale zekerheid. Ik voel me gekoesterd in een dergelijke maatschappij. Ze mogen ervan zeggen wat ze willen.

En als ik hier het verhaal hoor van een man die hier elke zes weken een drietal dagen moet komen doorbrengen om een aantal fleskes door zijn aders te laten stuwen die 150 Euro het stuk kosten…. en hij vertelde er dan bij dat hij aan het begin van zijn ziekte gedurende 10 dagen 35 van die flesjes per dag moest doorspoelen, dan is de rekening rap gemaakt. Niemand kan dat betalen als we niet solidair zijn met elkaar. En het kan ons allemaal overkomen. Laat ons maar blij zijn in ons apenland.

En last but not least mijn genegen en welgemeende dank aan al mijn lieve vrienden van dichtbij en van veraf. Ik voel bij elk van jullie een warm draadje dat onze harten verbindt. Echt waar.

Die verbondenheid is de motor van mijn bestaan, de mazout van mijne moteur, de plomb van mijn energie en de Roundup tegen het onkruid van het pessimisme.

En…..

Ik ga mijnen Herman verstikken onder mijn liefkozingen, ik ga mijn kinderen zo hard knuffelen dat ze hun ribben breken en ik ga mijn kleinkinderen verwennen dat het de rotste stinkerkes in de wijde omgeving worden. (maar nee gij!)

En ik hoop dat gij en ik, lieve lezer, het warme draadje nooit van ze leven doorknippen.

Mogelijk zal ik in mijn komende lege dagen nog wel wat bloggen. We zien wel. Maar dat is geen voorwaarde om mekaar te horen of te zien, dat weten jullie wel.

Morgenavond heb ik iets te vieren. Juist: de eerste dag van de rest van mijn leven.

Lectori Salutem.

 

HET ZIEKENHUIS : DE LAATSTE ETAPPE – Oplevering der werken.

Dat krijgt ge dan als ge u opstelt als een zelfstandig denkend wezen: dat ze u ook behandelen als een zelfstandig denkend wezen! En in een ziekenhuis komt dat heel onverwacht en onwaarschijnlijk over.

Ik heb hier al lovend en eerbaar gesproken over de jonge chirurg die me al deze miserie heeft aangedaan, en ik ben hem er heel dankbaar voor. Hij heeft mij ook altijd als ‘vol’ aanschouwd en bejegend. En toch vond ik het bijna schokkend dat hij mij gisterenavond vroeg wanneer ik van plan was om naar huis te gaan.

Comment? Zegt dat nog eens?

– ‘Hewel ja, ik laat het aan u over om te bepalen wanneer ge naar huis wilt.’

– ‘….meent ge dat nu?’

– ‘Ge evolueert beter dan de gemiddelde patiënt, en ik zeg niet dat ge hier direct naar huis moet, maar moest ge mij morgen zeggen dat ge overmorgen naar huis wilt, dan krijgt ge mijn zegen. Ge moet het maar zelf een beetje aanvoelen. Ge zult in elk geval thuis lekkerder eten hebben dan hier, en meer op uw gemak zijn.’

Amai mijne frak. Krijgt dat op uw dak.

En ik die dacht dat ik hier nog minstens een week de gehandicapte kon uithangen. Vergeet het.

Mijn grijze massa heeft de verbazing snel weggewerkt en is mee gestapt in de wereld van volwassen overleg.

– ‘Awel meneer doktoor, als de door u aangepakte nieuwe riolering weer in werking is gesteld gelijk het zou moeten, en als die verdomde pijn een beetje wil temperen, dan wil ik daar gerust nog eens over discussiëren.’

– ‘Als dat voor u de twee criteria zijn, dan hebben we een deal.’ zegt hij.

Blijkbaar moet ik me die pijn niet aantrekken (ge moet mij eens uitleggen hoe ge dat doet: pijn niet aantrekken), gewoon pijnstillers nemen. En het kalmaan doen. Goed luisteren naar uw lijf om te zien wat het aankan. Die pijn dat is omdat we die spieren helemaal hebben opzij moeten trekken om die darm eruit te halen, en we hebben er ook een deel van doorgesneden. Aye!

Denk….denk….denk…. ’t Is lastig wanneer ze zo een denkzaadje in uw hersens planten. Dat begint daar te groeien en te groeien tot het een hele boom is en dan is er geen plaats meer om aan iets anders te denken.

En het is alsof de duivel ermee speelt, maar van de slag begonnen die riolen daar ineens te rommelen en in gang te schieten.

Het doet me denken aan ‘den bouw’. Als de datum van oplevering nadert, dan blijkt ineens ook alles mogelijk en gaat alles ineens razendsnel vooruit. Kwestie dat ze de factuur kunnen maken.

Mijne cent is gevallen. Ik snap nu wat ze bedoelden dat ik één tot drie maanden thuis zou moeten revalideren. Ik had daar zo een vaag idee over in de zin van: ik zal wel mijn huishouden doen en tussendoor een beetje uitrusten. Maar dat is dus ijdele hoop. Ik ga de volgende weken (of maanden? Lieve God, neen hé) sloffend door het leven mogen gaan.

Lekkerder eten? Ik geloof niet dat ik in staat ben om in een pot te staan roeren.

…… zonet kwam de assistente van de chirurg hier binnen. Ik legde haar mijn hersenspinsels uit en ja hoor, ze beaamt ten volle dat ik mijn knopke verkeerd had afgesteld. Vergeet voorlopig elke actie die verder gaat dan slef-slef.

Het heeft dus geen zin dat ik hier blijf wonen tot Sint-Jutemis. Beterschap is een lange termijn woord.

Cursuske ‘geduld’ nodig Annie?

Ik zal in de loop van de dag nog wel eens bloggen, mannen, maar nu moet ik eerst een sigaret hebben. Het kan me niet schelen dat ze niet zal smaken.

En ik moet de ontregelde knop eens doornemen met mijnen Herman.

En ik ben heel benieuwd hoe jullie dit zouden aanpakken moesten jullie in mijn plaats zijn. Laat eens horen.

HET ZIEKENHUIS : DE LAATSTE ETAPPE – Mobiliteitsplan

Ik zal er niet over uitweiden, maar ’t was weer een luizige nacht met pijn en zweten. Uiteindelijk hebben ze me dan maar van die pillen gegeven in de vorm van een zware voorhamer waarmee ze op je kop kloppen en waarvan je de rest van de tijd buiten westen zijt.

Vanmorgen zijn ze nog maar eens bloed komen trekken. Ongelooflijk hoeveel dat ziekenhuis hier al van mij zomaar heeft weggenomen. En die vinden dat normaal  zulle, die generen zich daar niet voor. Die vragen zelfs niet of ik het goed vind. Ze pakken wat ze nodig hebben. Ze hebben nu al een stuk van mijn darm en liters bloed. Jaren terug hebben ze al eens een eierstok weggenomen. Niet dat het toen nodig was bleek achteraf, maar ze hebben het toch maar gedaan voor de zekerheid.  Wat hebben ze nog nodig in hun verzameling dat ik zou kunnen bieden?

Het voordeel van draad- en buisjesloos te zijn is dat ge dan kunt douchen. Zaligheid. En het was nodig, want gisteren was ik in staking gegaan. Ze hadden me beloofd dat die driedelige draad uit mijn hals mocht na het ontwaken, maar toen kwamen ze ineens op hun beslissing terug en moest ik wachten tot de dokter nog eens langs kwam. Poeh.

– ‘Kunt gij u zelf wassen mevrouw?’

– ‘Neen, ik was mij niet zolang die draad nog in mijn nek steekt. Ik ga in staking.’

Die verpleegsters vonden dat blijkbaar plezant. Ik geloof dat ze niet veel van dit soort koppige patiënten in huis krijgen.

En toen ze dan uiteindelijk die rotzooi er toch uit hadden gehaald, toen had ik geen goesting meer om me nog te wassen. Het was dus hoogdringend dat ik vandaag eens een dubbele portie douche nam.

Ik voel het ook een beetje als sociale verplichting, want sinds vanmorgen heb ik er een nieuwe buurvrouw bij gekregen. Een lieve oudere dame wiens schildklier er moet uitgehaald worden. Zo meteen komen ze haar halen en dan zal ze waarschijnlijk vervolgens ook een nachtje op intensieve moeten doorbrengen.

Sinds gisteren laat ik hier regelmatig mijn billen zien aan iedereen die erom vraagt. Ze hebben er weeral moeite mee om te geloven dat die Clexane (de rotzooi die ze inspuiten omdat je geen phlebitis zou krijgen) bij mij ongevraagde bijwerkingen geeft. Een paar dagen na de inspuiting komt er plots een rode vlek tevoorschijn, en daarop komt dan één of meerdere blazen die jeuken als de pest.

Mijn ziel, geest en lijf zijn samen een hecht team. Die vinden alle drie dat we geen chemische troep moeten hebben en dan vormen ze een serieus front tegen alles en iedereen die daar anders over denkt. Mijn ziel zorgt ervoor dat mijn moraal goed genoeg is om zelf die genezing in te zetten, mijn geest ontpopt zich tot een niet geziene assertieve aanvaller die ge allicht niet vergeet, en mijn lijf toont zijn grote gelijk door bubbels, vlekken, zwellingen, en andere fraaie verschijnsels te toveren voor wie overtredingen begaat.

En hoe duidelijk ik het voor mezelf altijd wel weet, toch trap ik meer dan me lief is in de val van mensen die het allemaal beter menen te weten.

Toen ik gisteren met mijn rolwagen op mijn trage tempo mijn kamer inreed, stond daar een dame die me een volle minuut stond aan te gapen. Ze blijkt de kinesiste te zijn.

– ‘Bent u rolstoelpatiënte, mevrouw?’

– ‘Heu, neen zeker? Of wel? Het ligt eraan wat ge daarmee bedoelt.’

– ‘Voordat u naar het ziekenhuis kwam, zat u dan ook al in een rolstoel?’

– ‘Ba neen, ik heb dat hier voor het eerst ontdekt en het is een gemak voor de lange afstanden.’

– ‘Maar mevrouw, het is de bedoeling dat u bewéégt, hé!’

– ‘Ja maar, ik bewéég wel hoor. Ik doe niets anders dan op en neer wandelen, ik was mezelf, ik behelp mezelf met alles, ge moet niet denken dat ik mijn dagen doorbreng in die rolstoel.’

Maar of ik dat nu tegen de muur zei of tegen die madam, dat bleef helemaal gelijk.

– ‘Kom, ik ga met u de gang eens op en af lopen.’

– ‘Als ge dat graag doet, dan wil ik dat gerust doen voor u. Ik heb hier alle tijd van de wereld. En gij ook precies.’

Ze hangt mijn drie zakken vloeistof aan eens staander en dan biedt ze me haar arm aan.

– ‘Neen, dank u, ik hoef uw arm niet. Ik sta stevig op mijn benen. En ik kan die staaf ook zelf wel voort duwen hoor.’

Maar dat liet ze me niet toe. Waarschijnlijk zou ze dan helemaal het gevoel gehad hebben dat ze zinloos bezig was.

Wanneer we na die op-en-af terug op de kamer komen zegt ze betuttelend:

– ‘ziet ge wel, dat ging goed he. Ge moet dat alle dagen doen hé mevrouw.’

– ‘Maar ik doé dat alle dagen.’

Neen, dat heeft ze weer niet gehoord.

Ik hou van mensen, maar dit is het soort waar ik toch echt moeite moet voor doen. Dat geef ik eerlijk toe. Dergelijk gedrag getuigt van zoveel zelfingenomenheid en eigen waarheden dat ik telkens het gevoel heb tegen een lege en dichtgeplakte kartonnen doos te praten.

Bent u rolstoelpatiënte? Allez zeg, ge moet mij eens vertellen wat de definitie is van een rolstoelpatiënte. Is dat iemand die altijd in zo’n stoel met wielen zit? Of zijt ge het ook als ge 1 dag in zo’n ding zit?

Schaf dergelijke woorden toch af, mensen.

In elk geval heb ik me toch maar weer laten doen en ben ik de rolstoel netjes gaan parkeren bij de anderen. Ik ben vervolgens zonder enige ondersteuning naar beneden gegaan, en toen ik terugkeerde meende ik dat ze me met een vuilblik en stoffer van de grond zouden mogen schrapen. En pij-ij-ij-ijn!

En dan zegt de hoofdverpleegster:

– ‘Maar mevrouw, ge moet wel meer rusten hé. Ge zijt echt wel een beetje te actief bezig.’

Gisterenavond heb ik dan een rollator gekregen. ’t Is toch plezant zulle, om al die dingen nu al eens uit te proberen. Dan weet ik tenminste al hoe die dingen werken tegen dat mijn lijf het helemaal laat afweten.

Maar, ’t wilt weer lukken, met die rollator was er wat mis. De verpleegster excuseerde zich ervoor. De rem stroefde een beetje zodat die een voortdurend brommend geluid maakt. Ik vind het niet erg. Integendeel, dan moet ik niet claxoneren als ik de mensen voorbij raas. (haha).

De mensen kijken wel allemaal om als ze me horen afkomen. Zo ook dat verpleegstertje hier op de gang. Ze bleef staan kijken en vroeg zich af wat er schortte.

– ‘Blijft hij haperen?’ vroeg ze.

– ‘Neeneen, het is een elektrische. Die maken zo’n geluid.’ zeg ik.

– ‘Ooooh, maken ze die nu ook al elektrisch? Dat wist ik niet. Het is de eerste keer dat ik dat zie.’

– ‘Ja ’t zal wel. Maar neen, kinneke toch, hij maakt gewoon lawaai. Dat is helemaal geen elektrische!’

– ‘Och god, wat ben ik toch naïef!’ beklaagt ze zichzelf.

Maar ik vind het schoon als mensen naïef zijn. Dat is pure onschuld.

 

Tot de volgende!

HET ZIEKENHUIS: DE LAATSTE ETAPPE – Draden ontkoppelen.

Ik had me nochtans gezworen het roken op te geven, want al mijn pogingen ten spijt blijven sigaretten een smerige bedoening. Ik snap niet hoe dat komt.

Waarom ik dan toch weer besloten heb om nog een keer de sprong te wagen? Och, ik heb weer eens zo’n chagrijnige nacht achter de rug. Kotsmisselijk en deze keer met koorts erbovenop.

Allez…koorts….?

Kijk, als ons Tineke dit leest, dan geeft ze me zeker en vast voor 100% gelijk.

En ik zal u er direct bij vertellen waarom: die haar lijf is precies een cloon van het mijne, dus dat is altijd handig als er iets aan scheelt, want dan moet ge enkel maar eens gaan kijken bij de replica en ge zijt al voor de helft geholpen.

Ons Tineke die heeft ook vissenbloed, net zoals ik. Waarmee ik wil zeggen dat wij een normale lichaamstemperatuur hebben van 35,5° (ja, ik weet het, dat is nog altijd meer dan de vissen, maar ge moet een beetje goede wil tonen en uw fantasie gebruiken, hé).

In de winter is het plezant om dan een partner te hebben die zijn kachel een paar graden hoger heeft staan. Maar in de zomer dan moet ik soms beleefd vragen aan Herman of hij alstublieft zijn liefkozingen wil staken want dan heb ik het gevoel dat zijn handen warme strijkijzers zijn die mijn plooien proberen glad te strijken.

Die hele uitleg dus om u te vertellen dat ik deze nacht 37,3° had en dat ik me dus stik-beroerd voelde. En ze mogen mij honderd keer zeggen dat het geen koorts is, en het maakt me niet uit welke theorieën ze uit hun kast toveren om dat allemaal te staven, voor mij voelt het niet lekker. Punt.

Dus…

daarom besloot ik toch nog maar eens mijn heil te gaan zoeken in een sigaret. Neen, ik ben niet in staat om tot beneden te stappen. Mijn buik lijkt wel een luchtballon. Als ge daar een prik in geeft, dan ploft die. Ofwel ga ik in cirkeltjes de lucht in zoals de beweging van een ballon als ge die laat afgaan. En ik zou er dezelfde geluidjes bij maken ook.

Maar ik ben sinds gisteren geslaagd in de bekwaamheidsproef rolstoel rijden. Het is bovendien een goede oefening voor mijn armspieren die er tegenwoordig ook maar belabberd bij hangen. Al moet ik zeggen dat mijn tempo nog lager ligt is dan een slakkengangetje.

Ik dus slof-slof naar beneden (of rol-rol, als je wil). En eerlijkheidshalve moet ik vermelden dat de gazet-verpleegster zo vriendelijk was om me een eindje mee te nemen door de gang tot aan de kamer waar ze een klus te klaren had. Mensen zijn nooit helemaal slecht, dat heb ik altijd gezegd. En iedereen heeft het recht om er een hoek af te hebben.

Beneden gekomen schrijd ik voort in mijn limousine en ik kom voorbij de ruimte van de inschrijvingen waar mensen moeten wachten tot hun nummertje wordt afgeroepen. Amai, wat was me dat een overrompeling. Zo vol heb ik het daar nog nooit gezien. Er stonden overal mensen recht omdat de zitplaatsen allemaal benomen waren. Ik kreeg het gevoel dat het daar niet om inschrijvingen ging, maar dat ze daar gewoon een gratis tombola hadden georganiseerd. Het maakte het voor mij extra plezant om daar op mijn dooie gemak langs te sloffen en in de mensen hun weg te lopen.

Uiteindelijk slaag ik erin om me door die draaideur te loodsen. Dat is echt geen sinecure, zulle. Vooral omdat ik gemerkt heb dat aan de andere kant van de draaideur de plaveisels een beetje bergaf gaan. Als ge niet uit uw doppen kijkt dan vlamt ge met uwen hele conservenwinkel onder een taxi.

Ik voel me al zo mottig als een voordeur voordat ik nog maar een vinger heb uitgestoken naar die sigaret. Laat ons dan nog niet spreken over het effect van de echte stuff.

Eerst en vooral: slecht, maar slécht! En vervolgens begint mijn hoofd te tollen alsof ik een doorgewinterde junkie op oorlogspad ben. Ik zag enkele mensen naar mij kijken. Het moet aan mij te zien geweest zijn dat ik ze daar niet allemaal op een rij had.

Ik dacht: Annie meiske, hoe gaat gij hier met uwe mobiel terug door die draaideur geraken hé?

Ik weet niet of er daar camera’s hangen, maar mijn gedacht zouden ze die gerust kunnen gebruiken voor educatieve doeleinden. Enfin, om te tonen hoe het niet moet.

Voor alle veiligheid ben ik efkes blijven staan, of beter: zitten, vooraleer ik voorbij de gratis tombola kwam. Een mens moet weten wanneer hij op zijn effen moet komen. En toen mijn blik weer een beetje minder op oneindig begon te staan, dan viel mijn oog weer op een ander interessant gegeven.

Komt daar een jonge moeder voorbij die haar zoontje voortduwt in een buggy. Ik schatte het manneke een maand of 10. Zegt dat moederke:

– “Lowietje, gaat ge buiten uw mutske aan doen of niet?”

Maar ge meent dat nu toch niet? Of ligt het aan mij? Stelt u voor dat Lowieke ineens antwoordt:

– “Och ma, ik zal wel zien hoe koud dat het is als ik buiten ben. Ge moet daar zo niet mee bezig zijn.”

Ik kan me niet voorstellen dat ik vroeger ook zo’n stomme vragen aan mijn kinderen heb gesteld toen ze nog zo klein waren. Ik geloof dat ik gewoon die muts nam en ze op hun hoofd plofte als ik vond dat het te koud was. Maar ik durf er mijn hand niet meer voor in het vuur steken. De ouderdom maakt de dingen wat waziger, en vooral narcoses zijn nefast.  Vanaf hier sta ik dus niet meer garant voor mijn herinneringen. Dat is op zich ook wel plezant, want dan kan ik er allerlei onwaarheden aan vast breien en mijn groot gelijk blijven uitbazuinen.

Een uur geleden is hier een delegatie van drie verpleegsters gepasseerd om mijn driedelige catheder uit mijn hals te halen. Ge weet wel, die dat ze met dat steekske hadden vastgezet.

Brrr. Vieze bedoening. Ik moest plat op bed gaan liggen en dan zetten ze dat bed helemaal schuin zodat mijn hoofd naar beneden hing. Ze zegden dat zoiets moest omdat er in die ader geen lucht mag komen die dan naar de longen zou gaan.

Dan eerst die hele plakboel lostrekken, vervolgens de draadjes doorknippen en dan de voorzichtige verwijdering der vreemde voorwerpen uit mijn geliefd lijf. En vooral lang blijven duwen zodat de boel daar niet ontaardt in een rode fontein.

‘Singing ya ya youpi youpi yeah!’ Ik heb dus geen enkele – ge leest het goed – GEEN ENKELE buis meer in mijn lijf steken. We gaan elke dag een stukske vooruit. Al mocht het wat mij betreft wel een beetje meer opschieten.  Vooral de heraanleg van die riolering heeft toch nog niet veel bewezen, want er is langs daar nog niks gepasseerd. De loodgieters zijn niet meer wat ze geweest zijn, hé. Ze hebben me intussen weer een ander soort ‘spul’ doen drinken. Godsammejee, wat hebben ze hier toch al allemaal in mijn vege botten gegoten!

Ze steken wat uit met een mens.

Het doet me eraan denken dat ik nog moet vertellen over mijn spierpijn en vooral over de oorzaak ervan.

Toen ik van recovery naar intensieve ging was ik niet in staat om een millimeter van mijn lijf te bewegen. Ik schreef het al dat ik zelfs mijn hoofd niet kon draaien, zelfs geen knikje geven.

Pas een dag later is daar heel voorzichtig wat uiterst pijnlijke beweging in gekomen. Ik kan geen lichaamsdeel noemen waar ik geen spierpijn had. Het leek wel of er een of andere drietonner over mijn gestel was gereden.

Dus vroeg ik aan de assistent chirurg wat ze feitelijk uitgespookt hadden terwijl ik daar in coma lag, want ik had toch zo’n klein beetje twijfels. Ah ja, ze pompen u in slaap om uwen buik open te rijten, en ge wordt wakker met spierpijn van aan uw kruin tot aan uwen dikken teen.

– ‘Ik heb het gevoel dat jullie in die OK me met twee hebben vastgenomen, de een aan mijn hoofd en de ander aan mijn voeten, en dat jullie dan elk naar een andere kant eens goed gewrongen hebben zoals ik mijn dweil uitwring als ik de vloer aan ’t kuisen ben.’

Neen, dat was blijkbaar niet de goede uitleg. Ik zag het aan haar gezicht. Maar ze veegde die onzin toch ook niet helemaal van tafel, zulle. Weet ge wat ze zei?

– ‘Van zodra dat ge op die smalle operatietafel ligt en onder narcose gaat, dan draaien wij die tafel. Daarom dat we u eerst goed moeten vastmaken. We brengen het voeteneind helemaal omhoog, en uw hoofd hangt dan naar beneden. En vervolgens gaan we u in die houding dan nog eens schuin zetten zodat de zwaartekracht ervoor zorgt dat uw ingewanden naar één kant schuiven. En dan kunnen wij daar bovenaan gemakkelijk starten met ons werk en zo schuiven we systematisch op.’

Mijn verbeelding zal niet meer zijn wat ze geweest is, maar ik zie daar dan het beeld van die geslachte varkens die met hun kop naar beneden hangen en hun buik opengesneden zodat ge de pensen kunt zien hangen.

Ik hoop dat ze bij mij een labeltje aan gehangen hebben: ‘Niet voor consumptie’.

 

En tot slot ga ik nu eens een gunst vragen aan mijn lezers. Ge weet dat ik de vorige keren al verteld heb over de vele onbekende lezers, en dat het er elke dag zo’n 80-tal waren. Die boost is nu terug. Maar het wordt een beetje saai, hé.

Kunnen jullie er mee voor zorgen dat er nog meer trouwe lezers aangesproken worden? Bijvoorbeeld door te delen op Facebook, of op Twitter of op LinkedIn?

Voel je niet verplicht, maar weet dat ik het wel plezant zou vinden om dat cijferke te zien stijgen.

Alvast een dikke merci.

HET ZIEKENHUIS: DE LAATSTE ETAPPE – Rioleringswerken

 

Neen, lieve lezer, ik zit nog niet aan mijn 75% mens,  maar ik kan even goed proberen mijn gedachten op mijn PC te concentreren dan op dat rioleringsnet bij mij vanbinnen. Het zit hier te nijpen en te trekken en te duwen alsof ze daar in die donkere gevesten zelf niet goed weten welke kant ze op willen.

En niet weten wat ze willen, dat is hier in het ziekenhuis ook een beetje van toepassing. Ik kreeg op voorhand de goede raad om te bewegen van zodra het maar mogelijk is. Ons Annie is altijd gemotiveerd om advies op te volgen (als het ergens op slaat), maar nu zeggen ze ineens dat ik het misschien toch een beetje te bont maak en dat ik het rustiger moet aanpakken. Ja zég.

Maar voordat iedereen massaal ‘Ooh’ en ‘Aaah’ begint te roepen:  het kan ook zijn dat mijn buik het plezant vindt om met toeters en bellen aan te kondigen dat de laatste geplogenheden der rioleringswerken eraan zitten te komen. De nabije toekomst zal het uitwijzen, en ik ga bij deze in geen enkel geval beloven dat ik jullie op de hoogte zal houden. We moeten het hier toch nog een klein beetje proper houden, hé.

Laat ik eens proberen te vertellen over de dingen die ik nog weet voor zover een mens dat soort dingen nog weet (zeg, Annie, ik weet niet zulle, maar als ge dat soort zinnen blijft schrijven dan gaan de mensen binnenkort beginnen te twijfelen aan de gevolgen van uw narcose).

In beknopte versie komt het erop neer dat ik vorige donderdag in de voormiddag het wondermiddel gedronken heb, netjes zoals afgesproken. Vervolgens zit ik met dichtgeknepen billen naast  Herman in de auto, aan wiens gezicht ik zie dat hij zich schuldig voelt omdat we een paar kleinere files moeten trotseren. Den duts.

Bij de inschrijvingen moet hij het even van mij overnemen, want ik moet in alle spoed naar de dichtst bijzijnde sanitaire voorzieningen. Allez, denk ik bij m’n eigen, de estafette is begonnen.

Ik krijg weer een nette kamer met groen en rustig uitzicht, bed aan de vensterkant. Ik maak kennis met een jong meisje die een ontstoken cyste heeft in haar hals. Braaf kind, maar een moeder die zo dom is als het achterwerk van een koe aangezien ze daar een hele namiddag van 14 u tot 20u komt zitten hoesten en proesten en snotteren zodat de hele kamer vol microben hangt. Moest ik niet een beetje opletten met de ziektekiemen, meneer doktoor? En kan het dan zomaar dat jullie de teugels hier zomaar laten vieren in dat hospitaal?

En dan nog iets, meneer doktoor. Hoe zit dat met mijn dossier? Hoe zegt ge? Gewoon efkes verloren gegaan? Allez zeg? Gewoon ergens gelegd waar het niet zou moeten liggen? Welwel.

Uiteindelijk blijkt het de schuld van de verpleging van de vorige keer die mijn dossier gewoonweg op hun verdiep hebben laten liggen in plaats van het retour te zetten naar de dienst opname. Soit. Eind goed, al goed. Ik mag nu op mijn twee oren slapen dat ze mijn stuk darm eruit zullen pleuren en niet een stuk van mijn dikke teen afzetten.

Donderdagavond sluiten we af met een absolute topper: de astronautenvoeding bestaat ook in aardbeiensmaak!  En ik weet niet of ze daar ook stiekem een slaapmiddel in gedaan hebben, maar ik heb in elk geval geslapen als een roos.

Zelfs in die mate dat het allemaal een beetje snel moest gaan die vrijdagochtend. En ik beken: daar heb ik dan wel efkes de track gekregen. Maar uiteindelijk werd ik al snel geanimeerd door de chirurg en zijn team. Lag ik daar onder die twee grote lampen en vonden ze niet beter dan daar een soort van theekransje houden rond die plank waarop ze me aan het vastbinden waren. Het had bijna iets gezelligs.

Ik mag hier geen oordelen vellen. Of toch? Ja natuurlijk mag ik dat. Ik weet alleen niet of het een juist oordeel is en of het terecht is. In elk geval heb ik wel even mijn wenkbrauwen omhoog getrokken van op mijn surfplank onder de spotlights toen de anesthesist me zei dat ik me even naar voor moest buigen omdat hij me een spuit in mijn ruggenwervel zou geven. Meteen daarop corrigeert de assisterende chirurge hem, zeggende dat dit niet klopte. Ahum???

Vervolgens prikt hij in mijn hand, maar ….poef… ader gesprongen. Ik heb het verder niet meer in het oog gehouden waar ze overal buizen en catheders hebben gestoken. Bij het ontwaken hebben we er een achttal geteld. We kunnen er dus van uitgaan dat het ergens toch moet gelukt zijn om dat vermetel vergif in mijn lijf te krijgen zodat ze hun ding konden doen.

Het mottige is dat ze zo’n drie-armig monster in mijn hals hebben geplugd. Knal. Gewoon direct in die fameuze ader waar ge de mensen kunt dood steken. Ze spelen hier graag vieze spelletjes. En weet ge wat nog veel viezer is? Ze hebben die driebuizige vriend gewoon vastgenaaid in mijn hals. De vuilaards! Ba ja, gewoon vastgezet met een steeksken of twee zodat het niet los komt.

Ons moeder deed dat ook wanneer iets niet mocht los komen toen ik kind was. Dan zei ze: kom, ik zal het vast maken met een steekske. Ik zou die mannen hun moeder graag eens tegen komen. Volgens mij hebben die dat beroep gewoon gekozen omdat hun moeder zo goed kon naaien. Volgens mij zitten mijn darmen nu vast met de kruiskessteek en is er misschien zelfs een bloemeke op geborduurd. Of de initialen van de chirurg. Kwestie van zijn marketing te onderhouden.

Ik moet hier straks nog iets vertellen over dat naaien. Eerst mijn ‘draad’ vasthouden.

 

Ik ben er zeker van dat Maddy, de verpleegster van de recovery, mij nadien liefdevol heeft opgevangen, net zoals ze ervoor had gedaan, maar eerlijk, het is allemaal een beetje in een roes aan mij voorbij gegaan. Ik weet alleen dat de chirurg me is komen vertellen dat ik eerst naar intensieve zou gebracht worden en dat ik waarschijnlijk de volgende dag (zaterdag dus) tegen de middag naar de kamer zou gebracht worden. En, zegt hij terloops langs zijn neus weg, het is lang weekend, dus ik kom pas dinsdag terug. Niet aantrekken. Mijn assistente is er, en bovendien was het een prima operatie zonder complicaties. In 2,5 uren zat het er al op. En ’t moet gezegd, ge had uw anatomie mee, hé.

Kijk, ik mag nog half in coma liggen, maar als ze zoiets zeggen, dan hoor ik dat wel en wat nog sterker is: ik onthoud het zelfs.

Senne, de verpleger op intensieve, heeft zorgvuldig over me gewaakt die nacht. En ik kan het weten want vlak voor mij hing de klok en ik werd een ganse nacht lang elke 5 minuten wakker nadat ik voor mijn gevoel een eeuwigheid in diepe slaap had gelegen. En wel dertig keer kwam Senne in en uit lopen om allerlei parameters te checken en om fuel bij te gieten waar het nodig was.

Over de invloed van die verdoving moet ik toch nog één en ander gaan opzoeken, want ik heb zo het lichtblauwe vermoeden dat er in dat spul meer spul zit dan je zou verwachten. Zo heb ik gemerkt dat ik niet alleen (blijkbaar gelukkig tijdelijk) mijn geheugen kwijt was, maar dat ik ook op een behoorlijk rare manier uit de hoek ben gekomen.

Niet dat ik mijn hand omdraai om raar uit de hoek te komen in normale omstandigheden, en daar dan op de koop toe ook nog eens mijn broek aan te vegen, maar deze keer vond ik het zelf gênant, en dat wil dan toch al iets zeggen.

Op intensieve zie ik plots vanuit het halfduister een verpleegster op me afduiken, die – alsof ze verschrikkelijke haast heeft – een plakker op mijn arm wil plakken. Ik moet dus op dat moment toch genoeg bij zinnen zijn geweest, want ik vroeg haar:

– ‘Wat is dat?’

– ‘Een nicotinepleister.’

Frustratie. Ik was niet in staat om mijn lijf te bewegen, zelfs niet om mijn hoofd te draaien, dus laat staan dat ik me kon wegtrekken. Dus heb ik maar meteen mijn ander wapen getrokken en gezegd:

– ‘Neen, ik wil dat niet. Ik hoef geen nicotine, en al zeker geen pleister. Ik heb daar niet om gevraagd en ik snap niet dat jullie me dat ongevraagd willen opsolferen.’

– ‘Ja maar ik heb de klever er nu al af getrokken. Ge moet het gij maar zelf weten, zulle.’

– ‘Hoe ik moet het zelf maar weten? Dat ge hem al afgetrokken hebt is mijn probleem niet. Ik ben bovendien allergisch voor nicotinepleisters, dus vergeet het maar dat daar overleg over is geweest. En reken maar niet dat ik er voor betaal.’

De verpleegster in kwestie – ik veronderstel dat het een verpleegster was, want wat zou een verzuurde heks op intensieve komen doen? – zei geen woord meer. Ze perste haar lippen op elkaar, draaide zich met een ruk om, en liep naar een andere verpleegster waar ze met veel ge-gesticuleer begon uit te leggen wat voor een verrot sujet ik wel was. (Ja ik geef toe, dat is mijn interpretatie, want ik heb helemaal niet gehoord wat dat mens daar stond te vertellen).

Nu zult ge zeggen: amai zeg, die Annie, dat is soms wel een rot stuk vreten. Maar dan hebt ge alles nog niet gezien. Het ergste komt nog.

Tegen de middag vervoert men mij terug naar de kamer. En wie zie ik daar zitten te snotteren? Jawel, de hoest-proest-mama. Daar werd ik echt niet vrolijk van.

Maar dàn……. dan gebeurt het.

Ik zie een spuitbusje op mijn nachtkastje staan. Ze hebben dat daar zomaar neergeploft. Waartoe dient het? Hoe moet het gebruikt worden? Wie heeft dat voorgeschreven? Allemaal vragen die door mijn dolle hoofd razen en die mij doen veranderen in een zwarte bizon die de stoom uit zijn grote neusgaten blaast.

Ik vraag dus beleefd, maar met de nodige strenge ondertoon wat ik te vragen heb. En ik had kunnen verwachten dat het antwoord van dat verpleegstertje alleen maar olie op het vuur was.

Neen, ze wist niet wie dat voorgeschreven had, en neen, ze wist ook niet waarvoor het diende, en neen, jammer, ze wist ook niet hoe je het moest gebruiken.

Ik heb daar iets uit mijn botten geslagen dat het al hetzelfde was als met die nicotinepleisters en dat ze er op die manier wel aan uit geraakten met hun kosten.

Vijf minuten laten lig ik te krimpen van de pijn. ’t Zal u leren om u zo op te fretten, Van Mulders. Slecht karakter dat ge zijt.

Maar voor mijn zieleheil: ik heb de volgende dag mijn excuses aangeboden. En vanaf daar ben ik weer de Grote Vriend van de verpleegsters geworden. Ik steek het heimelijk op de verdoving, dan hoef ik die verantwoordelijkheid ook weer niet meer te dragen. Goed van af.

En ja, die stomme sigaretten. Ik heb nu al vier pogingen gedaan om te roken en elke keer vind ik het smerige troep. Wat jammer toch, want vroeger heeft me dat altijd zo goed gesmaakt.

En nochtans hebben die pogingen behoorlijk wat moeite gekost hoor. Aangezien ik zelf nog niet in staat ben om meer dan drie meter te stappen ben ik dus afhankelijk van anderen om mij naar de rookruimte te begeleiden.

Ik wist uit vorige ervaringen dat er afdelingen zijn die met plezier mee gaan met de patiënten. Hier niet.

– ‘Neen, daar hebben wij geen tijd voor’.

Tja, dat is natuurlijk een argument. Maar niet wanneer de betrokken verpleegster zich vervolgens neerploft op mijn stoel, en ostentatief mijn gazet open slaat terwijl ze achteruit leunt om de grote titels voor te lezen voor haar collega. Op deze afdeling hebben ze nog heel wat werk aan hun consistentie.

En denkt gij nu dat ik mijn grote bek heb open gezet om die madam haar zeven waarheden te geven? Ba neen, ik heb gelijk een heilig deezeke gezwegen en braaf gewacht tot Herman of mijn zonen (met schoondochter) zo lief wilden zijn om langs te komen. Mijn dochter was niet beschikbaar want het kind had eindelijk eens de kans om er een weekendje tussenuit te piepen. Zij zou het ook gedaan hebben. Maar al de rest van mijn vrienden? Vergeet het. Die zouden die sigaret nog liever in mijn achterste steken dan me te laten roken. Och, ik neem het hen nog eens niet kwalijk. Ik zou het zelfs bijna lief gaan vinden (op voorwaarde dat ze een andere opening vinden dan daar).

Intussen zijn die rotpijnen in mijn buik wat gaan temperen door nog maar eens een halve kilo chemische verbindingen, maar ben ik wel beginnen te niezen als een allergische pruimelaar. Tijd dat ik weer wat recup neem.

Maar eerst moest ik nog iets vertellen over dat naaien.

Neen, blijkbaar naaien ze die darmen niet aaneen. Dat wist ik ook niet, tot ik vandaag de juiste uitleg kreeg. Ik heb op dat moment verschrikkelijk veel spijt gehad dat ik de uitleg heb gekregen want, manlief, ik heb me daar de slappe lach gekregen dat ik zelfs dacht dat mijn darmen het zouden begeven. Pijn dat het doet als ge lacht. Gisteren hadden mijn zonen mij ook al liggen met hunne zever, en vandaag dan weer de assisterende chirurg.

Zegt ze: Als we dan het stuk darm eruit gehaald hebben langs die grootste snee – dat is eigenlijk de keizersnee – dan moeten die twee stukken darm aan mekaar gemaakt worden. En dat kunnen we dus niet langs de buitenkant van de darm doen. Daarom steken we dus een nietjesmachine in uw gat en ploffen we een paar agraffen in die darmen.

Maar neen gij, ge gelooft dat toch niet! Ik bedoel: ze heeft dat niet op die manier gezegd. Chirurgen hebben het over uw rectum en over uw anus. Die gebruiken geen gore taal – althans niet op hun werk. Maar het is wel echt waar dat ze dat met een soort van nietjesmachine doen.

Allez, ’t is uwen toer om te lachen. Ik hoop dat het bij u meer deugd doet dan bij mij.

Tot blogs.

 

HET ZIEKENHUIS: DE LAATSTE ETAPPE- het laatste avondmaal

Vanavond eten we Nasi-goreng met kippenlever. Velen zullen het vies vinden, maar ik vind het heerlijk. En mijn eega, die vindt mijn (soms al te) creatieve keuken altijd subliem, dus daar moet ik me geen zorgen over maken.

Het laatste avondmaal… ’t is te zeggen, toch voor efkes. Want morgenavond krijg ik – en dat weet ik nog van mijn algemene repetitie – een flesje astronautenvoeding waarvan ge tot de laatste druppel alles verteert. Ik heb het de vorige keer niet voor de helft door mijn strot gekregen. Nog liever honger.

En vervolgens geen eten, noch drinken. Darmen moeten rusten, schijnt het. Blijkbaar krijgt ge dan wel een spray met water zodat uw keel niet dicht slibt van de droogte. Toffe vooruitzichten.

Terwijl ik hier zit te schrijven draaien de wasmachine en de droogkas op volle toeren. Mijn controledrang zegt me dat alles moet gewassen en gestreken in de kasten liggen vooraleer ik vertrek. Ik vind het een geruststellende gedachte dat mijn levensgezel een proper onderbroek aan zijn billen zal hebben.

De diepvries zit volgepropt met klaargemaakte spullen zodat mijn lief niet moet omkomen van de honger, en ik geloof dat mijn huis zo stilaan begint te gelijken op een kijkwoning waar alles clean staat te wezen.

Waar een operatie al niet goed voor is. Zo is mijn rotzooi eindelijk eens opgeruimd geraakt en is het oude stof van de kasten. En zeg nu zelf, wat zou een mens anders moeten doen in afwachting van de sprong in het duister, als je toch niks kan ondernemen en je leven onverwacht op pauze wordt gezet.

Geen welness met vriendinnen, geen lange ritten met de auto, voorzichtig met snotterende kleinkinderen want er mag nu echt geen infectie meer bijkomen, geen lange wandelingen, gewoon kalm aan doen. Het heeft in elk geval het voordeel dat ik nu al weet hoe het voelt wanneer ik oud en versleten zal zijn en geen weg meer op kan. Sloffend door het leven. Hoera.

Gisteren mailde ik naar een vriendin dat we nog even langs de notaris moesten passeren. Maar ik zei er niet bij waarom. Krijg ik toch geen mail terug met de vraag of ik niet voldoende vertrouwen heb ik haar kaarskes. Leuk.

Neen, ik ga ervan uit dat ik dit wel overleef. En indien niet, dan is daar toch ook maar niks aan te doen. Ge krijgt het leven en ze nemen het weer weg. Daar hebben we geen zeggenschap over. Mij best. De natuur zit zo in mekaar.

Mijn valies staat gereed. Inclusief het aardappelmesje want ervaring leert dat ge met de botte ziekenhuismessen onmogelijk fruit kan schillen. De PC moet Herman later brengen, want terwijl ik op intensieve lig weet ik niet of die geen pootjes zou krijgen. En ik zal nog niet direct voldoende van deze wereld zijn om te kunnen bloggen. Dus beetje geduld.

Maar ik heb al wel die witte kousen mee gekregen de vorige keer, en die neem ik nu weer braaf mee. Heel sexy zien die eruit. Aan de witte kousen kunt ge zien wie er net onder het mes is geweest. Dat is standaard. Misschien doen ze het gewoon daarom: om je te herkennen als ge wegloopt.

Hier naast mij ligt een hoop documenten en facturen die ik intussen netjes heb gerangschikt in vier verschillende dossiers voor de hospitalisatieverzekering. Ge moet tegenwoordig echt wel gestudeerd hebben om het uit elkaar te houden. Het is namelijk zo dat ik zodanig vaak en kort na mekaar werd opgenomen dat ik telkens een nieuw dossiernummer kreeg, dezelfde formulieren moet invullen, maar vooral goed de data moet uit elkaar houden. Probleem is dat die data mekaar overlappen. Ik kreeg mijn darmen niet aan het verstand dat ze het een beetje simpel moesten houden. Zorg voor later.

Mijn schilderij zal ik vandaag niet meer af krijgen. Maar daar zit niemand op te wachten. Ik vind het alleen jammer dat ik mijn verfspullen niet kan meenemen naar ginder. En ook mijn piano zal ik missen. Moet ik weer alles van vooraf aan gaan zitten inoefenen na mijn thuiskomst, want – wat ik vroeger niet wist – is dat ge dat getokkel moet onderhouden of ge zijt het kwijt.

En ik kijk er in elk geval naar uit om daarna weer te kunnen kletsen met mijn kinderen, te kunnen dollen met de kleinkinderen, te kunnen welnessen en shoppen met mijn vriendinnen, het vliegtuig nemen naar de zon, mijn bonen plukken in den hof, en gewoon te kunnen schijten gelijk een normaal mens.

Tot blogs.

 

HET ZIEKENHUIS: DE LAATSTE ETAPPE – Nieuwe planning

 

 

Het voordeel van die blog is dat ik niet telkens hetzelfde verhaal moet vertellen aan verschillende mensen. Ook niet aan mijn huisarts. Die leest ook de blog. En – achteraf beschouwd – zou het misschien wel handig zijn mochten al haar patiënten hun wedervaren op papier zetten voordat ze op consultatie gaan. Haar avondwerk zou minstens met de helft van de tijd inkrimpen en ze zou zich op een ordentelijk uur bij haar eega kunnen vleien en genieten van het late avond journaal, of van een goed filmke.

Toen het dus mijn beurt was moest ik niet veel uitleg geven. In eerste instantie was ik niet zinnens om bij haar langs te gaan, want een keelontsteking is voor mij geen voldoende reden om naar een dokter te lopen. Maar het beestje in mijn lijf begon zich vrolijk te vermenigvuldigen en te woekeren dat het geen naam meer had. Het zorgde ervoor dat ik begon te snotteren en te hoesten als een ouwe schuurdeur.

Ge houdt het niet voor mogelijk dat zo’n smerig klein nietig beesteke dat ge zelfs niet kunt zien met het blote oog ervoor kan zorgen dat ge de nacht rechtop zit in uw bed en zo probeert de slaap te vatten.  Doffe ellende.

Maar niks aan te doen, geen antibiotica, geen bestrijdingsmiddelen, want het leed moet gewoon geleden worden. Het beestje heet virus en niet bacterie. Mij goed, want die antibiotica die doet met mijn lijf dan weer andere dingen die ik ook niet wil.

Maar ze wist me wel te vertellen dat ik het op mijn buik mocht schrijven waar het ging om een operatie voor volgende week. Eerst deftig uitzieken.

Dus maar telefoontje plegen naar de chirurg. Toffe pee. Jonge gast met een modern kapsel. Vlotjes ter taal. Heel gewoon op zelfde niveau bewegen. Geen gedoe. De dingen bij naam noemen. Afspraken maken met wederzijds akkoord. Kortom, een man naar mijn hart.

Of ik het zag zitten? Jazeker. Ik heb al een generale repetitie gehad, en ik weet nu hoe de dingen in mekaar zitten. Dat brengt rust in een mens zijn koppeke.

Alleen heb ik toch wel een bepaalde opmerking – of een wens, mocht ge het zo willen noemen. Ah ja?

Ja, ik heb bij die generale repetitie een pot-ervaring gehad die begon in de namiddag, maar die haar hoogtepunt heeft bereikt in de late avond en die me bovendien regelmatig uit mijn slaap heeft gerukt. Dat kan de bedoeling niet zijn, hé meneer doktoor?

Neen, dat is niet de bedoeling.

Ik stel dus voor om zelf maar dat goedje thuis te drinken zodat ik de dag voor de operatie niet wakker gehouden wordt door primaire behoeften. Dat mag.

En nog beter: ge hoeft dan eigenlijk niet de dag ervoor te komen maar de dag van de operatie zelf is OK.

Néééén! Ik wil niet de dag van de operatie opgenomen worden. Ik wil me op mijn gemak komen installeren en ik wil dan wel thuis die vuiligheid door mijn keel zwelgen, maar ik kom bij jullie op de pot zitten. Kan dat?

Ja, dat kan.

Zoals ik al zei: een man naar mijn hart.

Enfin, deze hele inleiding eigenlijk enkel maar om mijn lieve vrienden en getrouwe lezers te laten weten dat ze hun kaarskes terug uit de kast mogen halen over twee weken.

Mijn valies en ik zullen zich op donderdag 27 april weer braaf aanmelden aan de balie van hotel Sint-Lucas, en op vrijdag 28 april – blijkbaar in de namiddag – zullen ze een tijdje zoet zijn met het klooien in mijn buik. En dat terwijl ik van de wereld niet weet. Van mij mogen ze. Als het achteraf maar geen hutsepot blijkt te zijn die al te veel van mijn vermogen vergt om de zaak weer wat op zijn pootjes te krijgen.

De eerste dag of dagen zal ik op intensieve liggen, dus ik neem aan dat ik niet erg aanspreekbaar zal zijn. Maar van zodra mijn geest zich weer als normaal mens gaat gedragen en als mijn lijf weer wil luisteren naar de eenvoudige motorische signalen die mijn wil uitstuurt, dan kom ik weer bloggen.

In afwachting probeer ik – weliswaar snotterend en hoestend – te genieten van de dagen. Een dagje schilderen, beetje piano spelen, boodschapje halen, een namiddag kletsen met een leuke vriendin…

Tot  blogs, lieve mensen. En hou het gezond, en vooral optimistisch!

 

HET ZIEKENHUIS: DE LAATSTE ETAPPE – Generale Repetitie

 

Deze ga je niet geloven als je hem leest…..

Net zoals men een brandoefening houdt voordat het echt eens te heet zou worden, zo heb ik vandaag mijn sanitaire oefening volbracht.

Hier komt het.

Zaterdag, voorlaatste dag voor mijn opname, word ik wakker met een flink opgezette keel. Verdorie, niet nu, denk ik, en het helpt al zeker niet aan mijn zenuwen die zo stilaan beginnen te gelijken op rekkertjes die te fel worden aangespannen.

Zondag kreeg ik een massa lieve berichtjes en telefoontjes die me een riem onder het hart bezorgden. ’t Was van doen en ze kwamen juist op tijd. En zo zag ik nog maar eens dat mijn echte vrienden hechte vrienden zijn. Die warme graag-zien-modus is wederkerig.

Maandagochtend. De zenuwen gieren – ondanks mezelf – door mijn lijf. Valies staat gereed. Eten is niet waard om aandacht te krijgen. En dan richting hotel Sint-Lucas. We kennen het daar gelijk onze broekzak.

De vrijdag ervoor hadden ze mij al opgebeld uit het ziekenhuis voor de laatste afspraken en geplogenheden. En op maandag – geloof het of niet – stonden ze me daar nog net niet op te wachten aan de deur. Dossier lag klaar, naam gekend, telefoontje naar de dienst om te zeggen dat ik me had aangemeld. Kamer was klaargemaakt. Amai mijne frak, dat is daar nogal een organisatie!

En dan de suprise: kamer met zicht op groen, en nog beter: ik krijg het bed aan het venster. De zon begint te schijnen als ze me ziet, en vice versa.

Er is al een kamergenote, maar het gordijntje is dicht en ik ga ervan uit dat ze gisteren onder het mes is geweest en daarom ligt te soezen. Ze is duidelijk nog niet van deze wereld. Ze opent heel even haar ogen wanneer ik binnen kom, en dan schuift ze weer weg naar dromenland. Later hoor ik haar iets zeggen tegen de verpleging en ik stel vast dat ze een Nederlandse is.

Ik installeer me in stilte. Handdoeken en washandjes uitpakken, leesboek op het nachtkastje.

Even later komt de verpleegster om wat vragen te stellen en vervolgens krijg ik vuiligheid te drinken die ervoor zal zorgen dat mijn darmen morgen mogen gezien worden. In afwachting van het bezoek aan de pot, lees ik mijn boek. En ik spuit tussendoor wat spul in mijn keel, want die doet nog altijd behoorlijk pijn.

Ik hoor achter het gordijntje dat mijn buurvrouw regelmatig op haar belletje drukt. Elke twintig minuten staat er iemand van de verpleging. Haar infuus doet pijn en ze beslissen om het weg te halen. Ik hoor de verpleegster vragen waarom dat infuus eigenlijk nog nodig is, want ze werd toch al vorige week geopereerd?  En was het niet zo dat zij toch al naar huis mocht?

O neen, ze wilde het infuus voor haar eigen zekerheid, want ze vond dat ze te weinig dronk, en ze had toch zo’n opgezette buik. Maar het ergste was dat ze ’s ochtends ‘een koude rilling’ had gehad.

Ik hoorde haar even later bellen naar de ombudsdienst om haar beklag te doen. Ze voelde zich niet ernstig genomen. Het feit dat ze een koude rilling had gehad werd gebagatelliseerd. Ja, men had haar koorts genomen en toen had ze 37,2° maar dat was een fout van de verpleging want ze hebben die koorts aan het begin van de koude rilling genomen, en eigenlijk hadden ze dat aan het einde van de koude rilling moeten doen. Bovendien zou ze verwachten dat ze toch meteen een bloedstaal zouden nemen bij zo een koude rilling. En neen, ze wilde zeker nog niet naar huis, want dit vond ze zeker geen omstandigheden om zich thuis veilig te voelen. Neen, ze had nu zeker geen koorts, het was nu te laat om ze nog te meten. En ze wilde steevast dat infuus terug, want ze dronk niet genoeg.

Nog geen vijftien minuten later kwam de dame van de ombudsdienst zelf ter plaatse, en mijn gedacht heeft ze op dat half uur een halve pruik grijs haar gekregen van dat mens.

Jezus, geef me de kracht om niet zelf zo’n zanik te worden nadat ze mijn lijf hebben open gesneden.

Dan komt de assistente van de anesthesist om kennis te maken en poolshoogte te nemen. Ik vertel haar over mijn opgezette keel. Daar moet ze toch eens met de anesthesist en met de chirurg over praten. Ze belooft me snel terug te komen.

En ja hoor, even later krijg ik te horen dat ik nog een RX van mijn longen moet laten maken en dat ik vervolgens mag inpakken en huiswaarts keren. Meent ge dat nu echt?

Een studente verpleging krijgt de opdracht me te begeleiden naar de RX.

– ‘Is het ver lopen?’

– ‘Dat hangt er van af wat je ver noemt?’

– ‘Van mij mag het ver zijn, als er onderweg maar genoeg toiletten zijn. Moet ge weten dat ik dat spul heb gedronken, hé…’

De toon was gezet en we hebben de hele weg gegrapt en gegierd van het lachen als twee zotte pubers.

Na een sanitaire stop stappen we in de lift.

– ‘Houd u in tot we uit de lift zijn, hé’

– ‘Ik zal proberen, maar als het niet gaat zet ik mij in een hoekje neer’

– ‘En dan stappen wij uit en zeggen we tegen de mensen die instappen hoe smerig we het vinden dat die voorgangers er zoiets hebben achter gelaten.’

Man, dat was weeral eens een verpleegsterke naar mijn hart zie!

Mijn longen blijken prima, maar die keel is niet in orde en dus veel te hoog risico om de infectie bij intubatie mee in de longen te trekken en dus kans op longontsteking.

‘Bel vrijdag om te zeggen hoe het gesteld is met die keel, en dan kan je volgende week onder het mes.’

Ja zeg, hoe moet ik thuis geraken zonder WC’s onderweg? Zegt dat verpleegsterke:

‘Vraag aan uwe man dat hij een paar vellen papier en ne pot mee brengt voor als het echt cruciaal wordt’.

We zijn veilig thuis geraakt. Maar het sanitaire bezoek is nog niet achter de rug. Je hebt er geen idee van hoe vaak ik deze schrijfsels heb moeten onderbreken om prioriteiten te stellen.

Ik dacht, man ik moet hier dringend mijn blog schrijven, want al die lieve mensen gaan hun kaarskes morgen opbranden en dan hebben ze er geen meer voor volgende week. Ik moet ze tegen houden!

En Inge die ging haar schouw verlichten. Man,man, dat vind ik nu zo schoon zie. Maar ge moet er nog efkes mee wachten hé. Ik geef wel een startschot op één of andere manier.

Merci, lieverds allemaal.

 

HET ZIEKENHUIS: LAATSTE ETAPPE – Proloog

We zitten in de fase van wat men noemt ‘afkoeling’ van de ontsteking die blijkbaar minstens 6 weken moet bedragen alvorens het mes erin te ploffen. Ze mogen het voor mijn part noemen zoals ze willen, maar mij komt het niet echt koel over. Mijn hoofd en mijn buik lopen er heet geblakerd bij. En elke dag is het duimen om niet weer in ontsteking te hervallen.

En ik ben van het diersoort zoals de katten en de olifanten die liefst geïsoleerd op een plekje gaan zitten of liggen als het leed moet geleden worden. Voor mij geen sociale peptalk, geen compassie, geen geouwehoer. Laat me efkes met rust, dan zal ik op een dag wel weer herrijzen en in volle glorie meedraaien in ons sociale bestand.

In afwachting hou ik me bezig met de geplogenheden die blijkbaar noodzakelijk zijn vooraleer men zich tot de beenhouwerij mag wenden. Met andere woorden: in het oog houden dat de ontsteking niet weer oplaait en daarnaast pre-operatieve onderzoeken.

Ik heb dus nog altijd mijn abonnement lopen bij huisarts, onderzoekscentra en mijn gebruikelijk ziekenhuis. En die ziekenhuisbezoeken, dat heeft toch altijd iets speciaals. Je kan er donder op zeggen dat ik telkens – mijn hoofd in de wind – de foute richting indraai wanneer ik door de draaideur wandel. Ik ga steevast richting ‘mijn verdiep’, terwijl van mij verwacht wordt dat ik me naar de inschrijvingsbalie begeef die aan de andere kant ligt. De mens is een gewoonte-dier.

Op een keer was ik weer mis, en toen besloot ik maar om gewoon door te lopen en eens te gaan groeten. Normaal gesproken kom ik op die afdeling niet terug, want operatie is een andere discipline en dus een ander verdiep.  Het blijft me een dubbel gevoel geven dat mensen me daar kennen en me vragen hoe het gaat.

Maar nu moet ik nieuwe oorden ontdekken in dat grote gebouw. Zo kwam ik voor het eerst op de pre-opnamebalie. Eerst een uur wachten en vervolgens een uur informatie krijgen en vragen beantwoorden. Wat me opvalt is dat men mij nooit vraagt OF ik medicatie neem, maar in de plaats daarvan vraagt WELKE medicatie ik neem. Mijn logica zegt dus dat men ervan uitgaat dat iedereen gewoon tonnen van dat gif slikt. En wanneer ik dan zeg: ‘ik neem helemaal geen medicatie’, dan bekijken ze mij alsof ik een zesde wereldwonder ben. Ik heb Herman dus de wijze raad gegeven om aandelen te kopen in de Pharma, want mijn gedacht is dat een goede belegging.

En ge wordt bedolven onder een resem papieren die moeten ingevuld worden. Sommige documenten moet ik zelf invullen, anderen dan weer gedeeltelijk en het andere deel voor de huisarts.

Dus dan weer maar eens naar de huisarts hollen. Daar voel ik me ook al thuis. Wie had dat ooit gedacht? Ik heb ooit jaren zelfs geen huisarts gehàd. Het kan keren in het leven.

Pre-operatief onderzoek. ’t Is weer eens een ervaring. En ik had dan nog het geluk dat mijn huisarts net een jonge stagiaire aan het opleiden was, zodat ik elke palpatie en elke meting twee keer kreeg en dan nog eens alle uitleg erbij. Dat kon niet beter vallen, want ik weet graag het waarom van de dingen.

Wist ge dat bloeddruk aan twee kanten moet gemeten worden? Dat blijkt nodig om te zien of er geen afwijkingen zijn in de aders. Slim bekeken. En ze bekijken uw tenen en uw nagels om te zien of er voldoende doorbloeding is. Luisteren naar longen, een EKG van het hart, palperen van de lever en voelen naar klieren… Het enige lastige was dat die twee madammen allebei vreselijk koude handen hadden. Maar voor de rest niets dan lof.

En dan – by the way – daar zit toch een zwellingske aan de keel. Ga daar maar eens mee naar de echografie voor alle zekerheid.

Kijk, ik kan nogal wat mentale kloppen incasseren, maar hoe meer er aan mijn lijf schort, hoe lastiger ik het krijg. Ik dacht bij mezelf: ‘Bah ja, als ze dan toch aan het snijden gaan, kunnen ze net zo goed die keel ook eens open leggen.’ Maar vrolijk werd ik er niet van.

Maar dan komt er weer de wetenschap van de definitie van geluk die zegt dat geluk niets anders is dan de afwezigheid van ongeluk. Wel mensen, ik zit hier weer te stralen want dat gezwel is maar een verdikking zonder veel poeha.

Het doet me denken aan de grap over die psychiater. Kent ge die?

Een boer gaat naar de psychiater en zegt dat hij depressief is en dat hij zo snel mogelijk weer de oude wil zijn. De psychiater zegt:

‘Ik ga u daar van af helpen. Gij hebt toch een geit, hé?’

‘Ja’

‘Ga naar huis en haal uw geit binnen.’

‘Binnen in mijn keuken?’

‘Ja, maak ze maar vast aan uw Leuvense stoof.’

‘En moet ik geen pilleke nemen, of zo?’

‘Neen, geen pilleke. Haal uw geit binnen en kom volgende week nog eens terug.’

Zo gezegd, zo gedaan. Na een week gaat de boer terug naar de  psychiater. Die vraagt hem:

‘En hoe gaat het nu?’

‘Maar meneer de psychiater, het gaat nog veel slechter met die geit in huis.’

‘Goed zo,’ zegt de psychiater, ‘ga maar weer naar huis en kom volgende week nog eens terug.’

‘Moet die geit nog altijd binnen blijven?’

‘Ja, die geit moet nog altijd binnen blijven.’

En zo gaan er drie weken voorbij en telkens herhaalt zich hetzelfde scenario. De geit moet binnen blijven en de boer moet elke week  terugkomen.

Na die drie weken vraagt de psychiater opnieuw:

‘En hoe gaat het nu?’

‘Verschrikkelijk slecht’ zegt de boer. ‘Die geit in huis helpt niks aan mijn kwaal. Integendeel, ik word er nog slechter van. Ik heb me in jaren nog zo slecht niet gevoeld.’

‘Perfect,’ zegt de psychiater, ‘dan moogt ge ze nu weer buiten zetten en kom volgende week nog eens terug.’

De week erop gaat de boer terug op consult.

‘En hoe gaat het nu?’ vraagt de psychiater.

‘Man, het gaat reuze goed met mij’ zegt de boer. ‘Ik heb me in geen jaren nog zo goed gevoeld nu dat die geit niet meer in mijn keuken staat.’

 

Voilà, ter ondersteuning van de definitie van geluk.

 

Op maandag 10 april gaan mijn valies en ik zich aanmelden in mijn tweede verblijf, waar ze van plan zijn om me smerig spul te laten drinken zodat mijn darmen leeg geraken. Ik zit liever op mijn eigen pot thuis, maar soms heeft een mens niet veel keuze. Op dinsdag 11 april zetten ze het mes erin.

‘En hoe lang duurt zo een operatie, meneer doktoor?’

‘Normaal gesproken een drietal uren, maar ik heb er ook al van 7 of van 8 uren gehad. Het hangt van veel factoren af.’

Tof. Maar eigenlijk kan het mij niet schelen. Ik ga ervan uit dat ik op dat moment in coma lig.

‘En hoe lang moet ik in het ziekenhuis blijven, meneer doktoor?’

‘Normaal gesproken 10 dagen’.

‘En hoe lang gaat het dan thuis nog duren voor ik weer helemaal opgekikkerd ben?’

‘Normaal gesproken 1 tot 3 maanden.’

Amai mijne frak. Het valt op dat het altijd ‘normaal gesproken’ is bij die mannen, maar ik versta het wel.

Ik bespaar u de verdere details van die conversaties, want ze zijn enerzijds wel hilarisch, maar anderzijds toch niet helemaal geschikt voor deze blog.

En in afwachting van deze cruciale datum probeer ik me onledig te houden met minder te roken (‘dat bevordert de doorbloeding en dus de genezing, madammeke’), het huishouden draaiende te houden, al eens een voorzichtig welnesske met mijn vriendin (man, dat kan deugd doen), mijn lijstje maken met wat ik moet meenemen en de planning in orde zetten voor tijdens mijn afwezigheid.

Misschien wist je het nog niet, maar ik hoor bij het groepje ‘vooruitziende vrouwen’. Zo noemde de KAV zich indertijd waar ons moeder bij aangesloten was. Ik vond het een zotte naam.

Maar zoals ik het bedoel gaat het over de dingen die niet mogen over het hoofd gezien worden wanneer ik het bestuur van mijn dagelijkse leven uit handen moet geven. Ik stuur dus meeting-requests naar mijn halve trouwboek met de juiste datum en het uur waarop de planten water moeten krijgen, wanneer het huisvuil moet buiten gezet worden en wanneer de brouwer langs komt.

Ik had nooit gedacht dat ik me ooit met zulke flodders zou bezig houden, maar het is een goede bezigheidstherapie en het geeft gemoedsrust.

Als alles dus volgens planning loopt, dan zal die blog ergens half april weer opgestart worden. En duim maar mee dat het niet vroeger is dan die datum, want dat zou een veeg teken zijn.

Geniet van het geitenloze bestaan, lieve lezer.

 

HET ZIEKENHUIS : herstelling onder garantie – Einde

Aangezien ik er inmiddels achter ben dat de verpleging hier ook bij de 80 lezers hoort, hier nog een paar tips:

Elke ochtend worden onze bedjes hier netjes opgemaakt en ververst. Chapeau. Het enige waar de patiënten vervolgens mee worstelen is dat ze hun nachtkastje weer op zijn plaats moeten krijgen, en ik kan je verzekeren dat het een log ding is. Voor de zwakkeren is dat geen evidente zaak. De kamers zijn hier geen centimeter te breed zodat je het schuifje van je nachtkastje niet kan opendoen wanneer het te ver achteruit is geschoven.

En de leuningen van de bedden worden ook vaak niet teruggezet, zodat je ergens onderaan moet gaan vissen om het systeem te vinden om je bed wat rechtop te zetten.

Het vraagt geen echte moeite om het meteen te doen, want zo niet dan moet je toch weer achter dat belletje lopen om te helpen te zaak weer recht te zetten.

En nog een tip: maak eens een handleiding van die TV om in de kamers te leggen. Dat scheelt telkens opnieuw uitleg en technische hulp.

Mijn lieve echtgenoot is erin geslaagd om mij de twee gelijke delen van een pyjama mee te brengen. Het was wel in shiften, maar uiteindelijk is het toch het eindresultaat dat telt, niet?

Vannacht heeft mijn buurvrouw een apparaat gekregen dat haar zuurstof moet meten. Ze zat ermee in dat ik zou gewekt worden door het alarm dat telkens afgaat wanneer haar waarden te fel dalen. Ik ben er inderdaad een paar keer van wakker geworden, maar het viel best wel mee. En zeg nu zelf, we hebben hier overdag tijd genoeg op nog een napje te doen.

Ik hoor hier ook weer verhalen die mij aan het denken zetten.

Hoe vriendelijk mensen ook kunnen zijn, het blijft blijkbaar moeilijk om vooroordelen te laten varen.

Er ligt een jonge dame op de afdeling van wie niet meteen gevonden wordt waar haar probleem vandaan komt. Het lastige is dat zoiets in je dossier komt te staan, en dat er al meteen grote vraagtekens worden geplaatst bij de geloofwaardigheid van je persoon, en of je nu wil of niet, je voelt het aan wanneer mensen denken dat je niet helemaal juist in je hoofd bent.

Maar zelfs mocht iemand een ingebeelde ziekte hebben, of als de oorsprong psychisch is, dan nog heb ik de pertinente overtuiging dat die persoon hulp nodig heeft. En denk maar niet dat wanneer een bepaald fysisch ongemak ‘psychisch’ is, dat het geen zeer doet. Het kan verdomd werkelijk pijnlijk zijn en de persoon in kwestie vraagt niet liever om er van af te geraken. Ik snap niet goed dat minstens verpleging hierin serieus zou moeten opgeleid worden. Niets erger dan in een ziekenhuis te moeten liggen en daar bovenop te moeten ervaren dat ze je niet als vol aanschouwen.

Ik kwam ‘mijn vriendinneke’ nog eens tegen. Ze vertelde met dat ‘de security-polies’ haar mes was komen halen en dat ze het terug krijgt als ze naar huis gaat. Dat zal maandag zijn.

Even opbiechten dat ik hier op de afdeling een verpleger had aangeklampt met dat verhaal. Hij heeft contact genomen met het onthaal, waar men haar heeft kunnen traceren. Op die manier werd security ingezet en die hebben dat blijkbaar heel professioneel en zacht aangepakt.

– ‘Allez ja, thuis ès da nie, in …., moar t’ès toch beter as in ’t ziekenhuis, hé’.

Ik neem aan dat ze ergens in een instelling verblijft.

‘ Ek ein deze morgend mijn hoar gewassen in de lavabo’

– ‘En kunt gij dat? Dat is ook niet gemakkelijk, hé, zo in de lavabo?’

– ‘Ik èn da van mij ma geleerd. Mij ma ée nog in ’t gevang gezete. Z’had eigenlijk niks misdoan, moar ze was in de Schelde gesproenge…’

Elk mens heeft zijn verhaal en zijn leven. Wij menen soms mensen te kennen wanneer we hen ontmoeten, maar meestal zijn we vreemden voor elkaar, eenzaam ons eigen pad vervolgend, en een weg achterlatend die voor anderen onzichtbaar is.

Los daarvan voel ik dat er alweer een hoofdstukje wordt afgesloten.

Heb je dat ook, dat je aanvoelt wanneer iets zo stilaan tot zijn einde loopt? Bijvoorbeeld wanneer je merkt dat je relatie in een dood straatje zit, of wanneer een vriendschap niets meer te vertellen heeft. Of bijvoorbeeld wanneer je job is uitgehold, of wanneer je niet meer met plezier gaat werken. Of zelfs wanneer de kinderen groot worden en hun vleugels sterk genoeg geworden zijn om op eigen kracht te vliegen. Dan is het tijd voor de volgende etappe.

Ten eerste : Voor Peter werden er weer andere specialisten bijgehaald, en men zit nu op een mogelijk spoor om de pijnen proberen te verlichten. A propos, er was hier gisteren een filmploeg om Peter te volgen. Ze gingen ook op zijn afdeling filmen en blijkbaar kreeg hij net op dat moment een pijncrisis. Ook daar blijkt een rotte appel te zitten, een norse verpleger die niets beter wist te vertellen dan dat Peter het allemaal faket. Het werd gefilmd, en hij maande de filmploeg aan om te stoppen met filmen, terwijl zij wel de toelating van de directie hadden gekregen. Ik hoop dat die verpleger een goede veeg uit de pan krijgt.

Ten tweede: Het mes is terecht en niemand hoeft nog te vrezen voor een ongeluk.

Ten derde: Ik ben tot inzicht gekomen – of beter, mijn kinderen hebben het in mijn hersens geramd – dat ik mijn blik moet verleggen. Blijkbaar zijn ze zo opgevoed dat ze zoveel mogelijk hun plan trekken en mij niet durven lastig vallen om hulp te vragen. Ik ben immers altijd te druk hulp aan het bieden. En ik ga ervan uit dat mijn kinderen geen hulp nodig hebben zolang ze het mij niet vragen. Slecht bezig, Annie. Lessons learned.

Ten vierde: Ik mis mijn schilderspalet en mijn piano, ik mis het warme lijf van mijn lief naast mij in bed, ik mis mijn potten en mijn pannen, mijn erf, mijn vriendinnen. En ik mis mijn gouden hond, maar die zal me niet begroeten bij thuiskomst.

Morgen ga ik naar huis. Binnenkort vieren we Herman zijn verjaardag, en ik ga chillen met mijn liefste vriendinnen. En ik zal ervan genieten als ik in mijn eigen kot het stof mag afdoen of staan strijken. Mij ga je niet horen klagen.

En dan maar weer mijn valieske maken om hier binnen zes weken terug even op hotel te komen. Maar dat zal dan het laatste hoofdstuk worden van het ziekenhuis-boek. Daar ga ik voor.

Het gaat jullie goed, lieve vrienden en beste lezers. Geloof in je eigen kracht, en geniet van alle kleine dingen des levens. Wacht niet om ze waardevol te vinden tot ze je worden afgenomen.

LECTORI SALUTEM!

HET ZIEKENHUIS: herstelling onder garantie – Deel 10

Merci, beste vrienden, voor jullie reactie. Als je mijn antwoorden wil zien moet je even terug naar het deel waar je op gereageerd hebt (scrollen naar beneden) en dan onderaan het artikel op ‘reacties’ klikken. Daar zie je dan alle reacties met mijn antwoorden erbij. En ik dring nog eens aan, ik zit nog niet aan de helft van mijn 80….

Om uit te slapen moet ge zeker niet naar het ziekenhuis komen. Van zodra de brede definitie van dageraad hier ingaat, komt er leven in de brouwerij en dan is het gedaan met slapen.

Thuis kom ik – sinds mijn pensioen – op mijn gemak in gang. Tasje koffie, krantje erbij en – uiteraard – de onmisbare eerste sigaret.

Hier moet ge een beetje flexibel zijn, want hier geldt een ander ritme. Dus als ik hier uit mijn bed klauter om kwart na 6, dan is er geen koffie en al zeker geen krant. Ik troost me dus met een slok water en ik sjokkel naar beneden voor mijn saffie. Dat doodt de wachttijd tot het ontbijt.

En wie kruis ik daar in de hal? Jawel, mijn mongools vriendinneke. Ze kwam net van buiten.

– ‘Aah, M…, zijt gij al zo vroeg op de been, zeg?’

Ze gaat niet in op mijn vraag, maar in de plaats daarvan zegt ze:

– ‘Rosetje éed een ezelsdracht gèd’

– ‘Allez jong, heeft Rosetje een ezelsdracht gehad?’

– ‘Jaja, Rosetje éed een ezelsdracht gèd.’

En dan sloft ze verder.

Na de geneugten van mijn ochtendsigaret – hoewel, zonder koffie smaakt dat toch niet hetzelfde hoor, de rokers onder u zullen het beamen – kom ik terug binnen en ik zie haar daar nog altijd in de hal staan. Ze houdt een praatje met een oudere dame, ook een bekende.

– ‘Hewel, staat gij hier nu nog?’

– ‘Ah ja, ze vroeg van woar dakkik benne. Ik benne van ….’

– ‘Ach zo.’

Ik zet mijn wandeling verder naar mijn eigen suite.

Eenmaal gewassen – en ik kan je verzekeren dat het wel wat tijd in beslag neemt met al die draden die in de weg zitten – en nog wat in een vrouwenblaadje gebladerd te hebben waarin niets te lezen valt, komt eindelijk de koffie. Die kan niet half tippen aan de koffie van thuis, maar een mens past zich aan, en ik ben blij met het warme goedje en de boterham met confituur.

Dat doet me eraan denken dat ik hier nog iets moet zeggen over het eten. Maar eerst de rode draad vasthouden want anders lijk ik te veel op mijn moeder bij wie het een huzarenstukje was om haar zijwegen te blijven volgen.

Na het ontbijt – ook dit zal elke roker beamen – is een sigaret niet te versmaden. Ik dus weer eens naar beneden. En dat is goed, want ik weiger de prik in mijn buik zoals ge u kunt herinneren. Ik moet dus bewegen.

Kom ik in de hal en wie zie ik daar zitten? Jawel.

– ‘Hewel, zijt gij nu nog altijd niet naar uw kamer geweest?’

– ‘Neje, want dan ouwe ze mij vast en dan ma’k nie meer na buite.’

– ‘Maar jongske toch, ge moet toch iets eten!’

– ‘Ik em in meine kabba nog e speculooske gevonge.’

– ‘Allez, dat is goed, maar dat is toch niet genoeg hé.’

En dan zonder overgang begint ze over iets anders.

– ‘Ik zit er wa mé in, want ik peis dat de polies mij kan oppakke. Ik em iet in meine kabba. Ge moet ne ké keike.’

Ze trekt de rits van haar zak open die ze altijd bij zich draagt, samen met haar eigen chemische fabriek. Ze haalt er een groot puntig mes uit met een lichtblauw lemmet. Manlief, dat ziet er niet zo goed uit, denk ik bij mezelf.

– ‘Ja zeg, dat is wel gevaarlijk hé, wat ge daar bij u hebt. En het is ook verboden hé.’

– ‘Van mij mag de polies mij oppakke zelle!’

– ‘Jamaar, ze gaan u misschien niet oppakken, maar u een dikke boete laten betalen. Dat wilt ge toch niet hé.’

Mijn argument slaat aan. Ik zie haar denken. Oppakken is geen erg, maar centen afpakken is lastiger.

– ‘Moar ze doen vanalles mè mij, en ik mag nie ruuke, en ik mag ni didde en ik mag ni dadde, en ik mag ni buite…’

– ‘Zoude niet gaan eten?’

Ze denkt na. Ik geloof dat ze echt honger heeft.

– ‘Ga nu maar naar uw kamer. Ge kunt daarna nog altijd terug komen.’

Ze is overtuigd en staat op. Ik ga mijn saffie roken.

Ik zou er geld voor geven om eens op haar afdeling te komen gluren en te zien hoe die verpleging met haar omspringt. Ik denk dat zij best wel een gebruiksaanwijzing heeft waarmee te leven valt, maar mijn gedacht zit het er dik in dat ze die daar nog niet gevonden hebben. Of misschien hebben ze ook helemaal geen zin om er naar te zoeken.

Ik moet de komende dagen hier nog een manier zien te vinden om haar dat mes te laten wegdoen. Wie ideeën heeft mag ze me laten weten. Ik vind het niet zo ne gemakkelijke.

En dan het eten.

Neen, hier komt geen geweeklaag over het eten. Ik ben een omnivoor, ik lust alles, zolang het niet van die vette darmen of zo zijn. Al de rest krijg ik erin. Maar nooit veel in één keer. Vandaar dat ik ook telkens maar halve porties vraag, en die krijg ik soms nog niet op. En dat heeft niks met ziek zijn te maken, ik heb gewoon geen grote maag. Dat compenseert een beetje de mond.

Alleen vraag ik me af waarom ze hier diëtisten in dienst hebben. Die komt zo één keer nadat je hier al een dag of twee ligt. Je vraagt je af hoe dringend het allemaal is, hé. Je krijgt van dat mens helemaal geen uitleg over wat ze zinnens is. Ik ging er althans van uit dat er niets moest gedaan worden aan mijn eetgewoonten. Ze vraagt gewoon hoe het met je is, en dan luistert ze met een half oor naar wat je zegt en weg is ze.

De volgende dag stel je dan vast dat je een vetarm dieet krijgt. Gedaan met de sla en de chocomelk. Maar dan krijg ik wel elke dag rauwe wortelen waarvan ik pertinent weet dat ze mijn darmen obstrueren. Drie dagen later behoor ik niet meer tot de ‘vetarmen’ en kan ik weer genieten van sla en van lekker geurende warme chocomelk. Twee dagen later is het weer gedaan met het schoon leven en moet ik het weer stellen met mijn wortelen. En ze zeggen wel dat het goed is voor de ogen, maar ik kan nog altijd niet zonder mijn bril, dus dat is ook een fabeltje.

Dit alles zonder één scheef woord over de dame die hier elke dag instaat voor het menu en voor de bezorging van het eten. Zo’n lieve en attentvolle. Maar haar handen zijn ook gebonden aan de beperkingen die de diëtiste in die computer zet, en daar kan ons madammeke hier niet aan veranderen.

Een van mijn vaste contacten hier en waarover ik nog niets heb verteld, is Peter. En ik durf hem hier met naam en toenaam te vermelden omdat heel veel mensen hem wel kennen aangezien hij een tijd terug de kranten heeft gehaald met de zware clusterpijnen waaraan hij lijdt. Die hebben zich intussen uitgebreid naar zijn hele lichaam. Bij een crisis zwelt zijn hele lichaam op. 23 uren op 24 u rilt hij van de pijn. Ik dacht dat ik wist wat pijn was, maar als ik de miserie van die jongeman hoor en zie, dan weet ik dat ik niet moet mopperen.

Mochten er tussen de lezers mensen zijn die niet weten wat te doen met hun geld, dan is het welbesteed aan hem. Immers, clusterpijnen zijn volgens de mutualiteit geen ernstige ziekte, en daar is dan geen terugbetaling voor. Na 12 operaties zonder resultaat is dat jonge gezinnetje blut. En de miserie gaat voort. Hij is nu in handen van het speciale team hier dat zich toelegt op het helpen van uitzonderlijke ziektes. Ik hoop met hart en ziel dat men hem kan helpen. Toffe gast. Hij verdient het zo erg.

Zojuist belde mijn buurvrouw naar een van haar buurvrouwtjes uit de home thuis, een oud madammeke van in de 90. Ze nam de hoorn van de telefoon en het eerste wat ze zei was dat haar telefoon kapot was. Tja, wie weet hoe hard gaan ze later nog met mij lachen als ik dingen uit mijn botten begin te slaan. Maar ze kunnen er maar plezier aan hebben. Als ik maar niet chagrijnig word.

Ik wens jullie allen een fijne zaterdag toe, met een streepje zon, een beetje bezigheden op eigen ritme, een winkeltje binnen wippen om iets bij te halen, een wandelingske met partner, kind of hond of gewoon alleen, vanavond een leuk filmke, en vooral een blij gemoed en beseffen dat het leven nog zo slecht niet is, ook al zijn er voor iedereen altijd wel redenen om te piekeren. Maar zet de piekerdinges voor een keertje aan de kant. Ge zult zien dat het een fijne dag is.

(wordt vervolgd…)

 

HET ZIEKENHUIS : Herstelling onder garantie – Deel 9

Eerst en vooral dank aan allen die mij een teken van leven hebben gegeven om me te laten weten dat ze mijn schrijfsels best wel verteerbaar vinden. Fijn. Ik hoop dat er nog meer stemmen opgaan, want ik zit nog lang niet aan die mysterieuze 80.

Sommigen vertellen me dat het jammer is dat ik enkel blog wanneer ik in het ziekenhuis lig. Maar weet je, zo boeiend is mijn alledaagse leven niet, hoor. En ik zie het me niet doen om dingen te schrijven over mensen die dicht bij me staan. Daar zie ik hen te graag voor en ik respecteer hun privacy.

En het is ook niet helemaal waar dat ik enkel schrijf wanneer ik in hotel Sint-Lucas verblijf. Voor de echte fans: klik helemaal bovenaan de website het menu open en daar zie je verschillende blokken met verschillende titels. Zo heb je bijvoorbeeld het verhaal dat onze hond vertelt vanuit zijn plekje aan de andere kant van de regenboog. Dat vind je onder de titel: ‘Memoires van een hond’. Of er zijn tips te vinden uit mijn vroegere praktijk onder ‘vaardig door het leven’. Of ook een paar blogskes van buiten de kliniek: ‘Het dagelijkse leven’.

En treur niet. Ik mag aanstaande maandag weliswaar naar huis, maar over zes weken ga ik de afdeling Beenhouwerij binnen om het stukje stoute Annie te laten wegnemen. Van zodra ze me daar een beetje hebben teruggetoverd begin ik op mijn PC te tokkelen. Beloofd.

 

Gisteren kreeg ik een vriendin op bezoek. Ik liep haar tegen het lijf toen ik uit de lift stapte en zij de lift naar boven wilde nemen. En aangezien zij ook rookt was het niet moeilijk om haar mee te tronen naar mijn traliewerk. Onderweg zei ze dat ze mijn vriendinneke had zien zitten, ‘de uuh-uuh’. Ge ziet, beste lezer, dat ik hier de waarheid vertel hé. Ik heb inmiddels getuigen.

En daarna zag ik ‘mijn vriendinneke’ niet meer. Niet gisteren en ook niet vandaag. Het zal wel gek klinken, maar ik begon ze verdorie al een beetje te missen. En toch verbazend hoeveel mensen je hier op korte termijn leert kennen. ’t Is prettig om een knikje van herkenning te geven en te krijgen wanneer je regelmatig dezelfde mensen tegenkomt. Je weet op de duur ‘de anciens’ van bezoekers of personeel te onderscheiden. Je herkent de nieuwkomers, je weet wie de babbelaars zijn en wie degenen die zich terugtrekken. Op mijn beurt weet ik dat ik gewikt en gewogen wordt, maar ze mogen. Ik vind het OK.

In de late namiddag zag ik plots mijn mongools vriendinneke zitten. En ja, ik vond het toch wel een klein beetje plezant dat ik ze nog eens zag.

– ‘Welken boek edde gij gekocht?’

– ‘Ik heb geen boek gekocht?????’

– ‘Jowel, bij de Standaard.’

Oh, mijn harde schijf deed het weer voortreffelijk (laat het astublieft nog een beetje zo functioneren, Lieve Heer, ik vind dat geschikt), en ik legde direct de link met het bezoek van mijn vriendin gisteren. Zij had een kadootje meegebracht en dat zat inderdaad in een zakje van Standaard Boekhandel en dat had ik aan de stang van mijn chemische fabriek gehangen.  Ik antwoord:

– ‘Ah ja, maar dat was een kadooke dat ik gekregen heb. Ik heb een boek gekregen. Ik heb het niet zelf gekocht.’ (goede vrienden kennen mijn gebruiksaanwijzing, n.v.d.r.)

– ‘En welken boek edde gekrege?’ (tof, die spontaneïteit. Zou iedereen moeten doen.)

– ‘Een dikke thriller.’ (goede vrienden kennen mijn smaak voor ontspanning, n.v.d.r.)

Ze trekt een verschrikt gezicht.

– ‘En loopt ‘em goed af?’

– ‘Dat weet ik niet, ik heb hem nog niet gelezen.’

– ‘Aah’.

Stilte.

– ‘Ik ‘em ier van de bubboteek nen boek van de Smurfen gekrege.’

– ‘A, dat is leuk’.

– ‘D’er stoat in dat as ge teveel eet en dik weurt, dat de mensen mei u lache. En as ge te veel smuurt, oek.’

– ‘Ja, jongske, dat is niet fijn, hé.’

– ‘Nieje, mor de meinse zein zu. Altijd mor lache mei ander meinse.’

En dan verzinkt ze weer in haar eigen gedachten, in éénheid met haar zelfgerolde saffietje. Ze houdt zich stil. Als ik vertrek begint ze weer te hoesten. Uuh-uuh, uuh-uuh. Het concert is dus voor de volgende rokende bezoekers.

 

En nu moet ik biechten. Heer, ik heb gezondigd. En ik heb er al gelijk mijn penitentie bij gekregen. Dan zijn we direct effen. Ik vind dat nog niet zo slecht.

Mijn lieve man is vanavond op bezoek gekomen en we zijn naar de cafetaria getrokken. Mijn ontstekingswaarden zijn alweer flink gedaald, dus erg ziek is dees niet meer, ik loop alleen nog met mijn chemisch bedrijf rond. Tot maandagnamiddag. Dan keer ik weer huiswaarts.

Elkeen die mij kent weet dat ik graag een glas wijn drink, en nog meer als ze me eerst veertien dagen op droog zaad zetten. Mijn halve trouwboek die vindt het niet erg dat ik rook in zijn bijzijn, dus waarom zou ik het erg vinden als hij een wijntje drinkt in mijn bijzijn.

Het verschil ligt hem wel hierin: hij doet geen trekje van mijn sigaret. Ik heb wel drie keer genipt van zijn wijn. Tegen de voorschriften in. Maar ik heb het – echt waar op mijn communiezieltje – gehouden op drie minuscule kleine nipjes.

Aangezien het niet uit zattigheid kan zijn, moet het dus wel dementie zijn, dat kan niet anders, maar ik had hier weer het een en het ander aan de hand toen ik na ons afscheid terug naar boven ging.

Ik zit vaak nog wat na te tokkelen op mijn GSM of berichtjes te lezen in de lift. Zo ook deze keer. Ik stap uit en sleffer naar mijn kamer 18. Ik kom binnen en ik zie dat het bed van mijn buurvrouw helemaal afgetrokken is. Ik schrik. Vervolgens kijk ik naar mijn nachtkastje en zie daar rommel op staan die niet van mij is. En dan merk ik op de koop toe dat mijn valies niet meer staat waar ze stond. Paniek!

Ik moet me van kamer vergist hebben. Ik ga naar buiten, kijk naar het nummer en stel vast dat het daar wel degelijk 18 is.

Doeme toch, stoem kieken weeral. Ik zat op het verkeerde verdiep. Maar dat was dus de penitentie voor mijn kleine zonde. Zolang het dat maar is, en dat mijn chemische troep niet begint te pruttelen door die drie nipjes ben ik al content.

Slaap lekker, allemaal.

(wordt vervolgd…)

 

HET ZIEKENHUIS – Herstelling onder garantie – Deel 8

 

Zaligheid. De wind is gaan liggen. Gisterenavond liep ik daar gelijk een zeilschip op het droge. Mijn Sinterklaasstaf-op-wielen werd vanzelf voort geblazen. Zelfs hondenweer heeft zo zijn kleine voordelen.

Ik had nooit gedacht dat ik een affiniteit zou kweken met een lift, maar het leven zit vol verrassingen. Jaja, alweer een liftverhaal vandaag.

Om te beginnen kom ik aan de gesloten dubbele deur op de afdeling, je weet wel, die met die cijfercode waar je rap moet zijn om door het open gat te razen. Er staat een dametje die ook naar beneden wil en kijkt hoopvol naar mij:

– ‘Kunde gij dadde?’ waarop ze naar de cijfercode wijst.

– ‘Ja, ik kan dadde.’

Ze tovert van de slag een grote smile tot achter haar oren. Voilà, ik heb al bij het ochtendkrieken mijn goede daad volbracht, dus moet ik daar de rest van de dag mijn hoofd niet meer over breken hoe ik mijn hemel zal verdienen.

We wachten op de lift. Er komt een verpleegster bij staan. Eigenlijk hebben die een aparte lift waar wij of de bezoekers geen gebruik mogen van maken. Maar die leek op dat moment wat trager te zijn dan de onze.

– ‘Ik kom hierbij staan als ik mag.’

Dat mag. Maar ik ben toch curieus en vraag haar:

– ‘wat zou je doen als we zeggen dat het niet mag?’

– ‘Dan zou ik op de andere lift wachten.’ zei ze.

Ge meent dat toch niet, zeg. Ik heb me niet geroepen gevoeld om haar een snelcursus assertiviteit te geven, maar ze zou het – mijn gedacht – wel kunnen gebruiken.

We stappen dus met drie vrouwen in de lift. Er staat een man in. Aan zijn kledij te zien is het een of andere technieker die hier ergens een klus klaart. Hij zegt meteen:

– ‘Die lift wil niet naar beneden. Ik ben op de 3 ingestapt, maar ik geraak er niet mee naar de 0’

Ja, ge kunt al peinzen dat ik zoiets niet ging laten passeren. Ik antwoord:

– ‘Ja maar, dat is omdat die lift het niet zo voor mannen heeft. Ge zult wel zien dat hij nu direct naar de 0 zal gaan met drie vrouwen erbij.’

– ‘Ah’, speelt de man het spelletje mee, ‘dan zal ik in het vervolg altijd moeten wachten tot er een vrouw mee instapt.’

– ‘Ja, maar ééntje wil nog niet zeggen dat je dan een Direct krijgt, hé. Misschien doet hij dan toch nog wel een tussenstop. ’t Is veiliger als je er toch een paar meeneemt.’

En ja hoor, wij zoefden meteen naar het gelijkvloers. De man blij. Ik ook.

Ja, die lift, je moet hem kennen.

Mensen keren moedeloos om wanneer bovenaan op het scherm te lezen staat: ‘buiten gebruik’. Maar dat doet die lift heel regelmatig. Je moet maar wat blijven aandringen op dat knopje, een beetje met tact weliswaar, maar je krijgt hem steevast aan de praat als je hem met liefde behandelt. Lift is ongetwijfeld vrouwelijk.

De man van een lieve vriendin zei dat die Annie het tot technisch directeur aan het schoppen is in die kliniek. Ik zal u eerlijk bekennen dat ik echt geen technische knobbel heb. Maar intussen heb ik al wel het een en het ander geleerd en ik hang hier ook soms de circus-artiest uit om dingen te fiksen.

Zo moet ik al eens op het bed van mijn buurvrouw kruipen terwijl zij erin ligt. Dat komt omdat de draad van haar afstandsbediening soms uit het stopcontact valt en dan moet die weer ingestoken worden aan het hoofd van dat bed, maar daar kan je langs de zijkant niet aan.

En dan zitten we daar met ons twee op dat bed, onze draden in elkaar verward als een siamese tweeling aan elkaar gekluisterd, maar uiteindelijk juichen we altijd om de overwinning.

Eenzelfde scenario met de TV. Haar TV is een beetje een koppige. Hij laat wel toe dat je één keer van programma verandert, maar de tweede keer weigert hij. TV is duidelijk mannelijk.

Dus, naar ik afgekeken had van de verpleegster, klim ik met mijn draden op de stoel, vervolgens op de zijplank die als tafel dienst doet, om dan de stekker even in en uit het contact te halen zodat die TV denkt dat het weer maar zijn eerste keer is. Ge moet mannen soms eens om de tuin leiden om uw goesting te krijgen, hé.

Maar gisteren moest ik me weer even terugfluiten en mijn hoofd tot de orde roepen want ik begon weer pijn te voelen en ik wil niet meegaan in dat ‘mezelf opdraaien’ want daar wordt toch niemand beter van. Dan vraag ik een pijnstiller en concentreer me op mijn boek. Een spannende thriller.

Zo geraakte de hele zaak ontspannen en gevolg was dat ik daar op Chris haar windhond begon te gelijken. Met dat verschil dat ik niet onder de tafel ben gaan liggen wanneer ze hier beginnen te eten, maar honden hebben daar betere excuses voor dan mensen.

Och, ze kijken er hier niet van op. Het blijkt zelfs een gezonde gewoonte te zijn die wordt aangemoedigd. Dat moet ge tegen mij geen twee keer zeggen.

Het doet me terugdenken aan die nacht dat Kristof, mijn oudste zoon, toen nog niet getrouwd, bij mij sliep in die kleine studio in de periode van mijn leven die ik de zwartste mag noemen. We lagen elk in ons eigen eenpersoonsbed dat achter mekaar tegen de muur was geschikt.

Ik dacht dat hij sliep en dat was maar goed ook, want ik was daar op dat moment een orkest op mijn eigen. En dat bleef maar duren.

Tot ik plots zijn stem hoorde in het donker:

– ‘Ja ma, we gaan u morgenvroeg zeker weer moeten oppompen, hé’

 

Om het verder te hebben over geurtjes; ik stapte gisteren in de lift (alweer de lift) en daar stond een man die een plastic tasje bij zich droeg. Er sloeg daar ineens een enorme visgeur in mijn neus. Man, dat is raar om in een ziekenhuis ineens visgeur te ruiken. Mijn hersens wilden precies niet helemaal meer mee. Die vonden dat ik in een viswinkel stond, maar mijn verstand zei ook dat het niet zo was.

En mijn gebruiksaanwijzing wilde dat ik daar iets over zei, maar ik heb de teugels niet laten botvieren. Het lag op mijn tong om te vragen of het nu dat plastic tasje was dat zo rook, of dat hij bij een vis geslapen had. Maar ik heb het niet gedaan. Zie je wel dat ik aan het bijleren ben.

(wordt vervolgd…)

 

 

HET ZIEKENHUIS: Herstelling onder garantie – Deel 7

 

Eerst een woordje over deze blog.

Ik kan geniepig volgen hoeveel mensen dagelijks mijn blog lezen. Ik wil het met je delen, het zijn er gemiddeld een 80-tal per dag. Het probleem is dat Analytics, het programma dat me helpt om dit stiekem op te volgen, enkel het aantal weergeeft en ongeveer een locatie. Ik weet wel wie mijn vaste fans zijn, maar ik blijf me toch afvragen wie dit allemaal leest. Dus als je me een plezier wil doen, reageer dan even via de blog. Onderaan is er altijd ruimte voor reactie.  Dat kan ook anoniem naar de buitenwereld toe. Merci.

Vandaag was er wat commotie rond mijn ontslag. Blijkbaar stond er – verkeerdelijk – genoteerd dat ik vandaag naar huis zou gaan. Maar daar is geen sprake van. Ik moet eerst die intraveneuze kuur afmaken. Staat dus opgeschreven voor evaluatie op maandag en dan mogelijk ten vroegste ontslag.

Intussen is de ader aan mijn infuus flink ontstoken geraakt, waarschijnlijk mede doordat ze die al overal geperforeerd hadden. Dus de slangetjes moesten eruit. Mijn harde schijf moest niet lang draaien om te beseffen dat er dus weer eens opnieuw moest geprikt worden. Halleluja. Daar zat ik nu net op te wachten, zie.

Ik vroeg of ze me maar meteen iemand van spoed wilde vragen om dat ding erin te boren, want ik wilde niet opnieuw voor speldenkussen spelen. Er kwam (alweer een hele lieve) verpleegster binnen die een deal met me wilde maken. Of ze eens mocht kijken naar mijn aders, en als zij het zou zien zitten, zou ik haar dan een kans geven?

Ja, ik ben altijd in voor deals, en zeker als ze op die manier worden voorgesteld. Toffe madam.

En voilà, het is haar van de eerste keer gelukt zonder bloedvergieten en zonder dikke donkerblauwe builen onder mijn huid. Kus van de juf en bank vooruit!

Gevolg is wel dat ik links mijn pols amper kan bewegen door die ontstoken ader en door de zwelling, en dat er rechts nu weer een infuus zit. Ik moet nog een truuk vinden om mijn poep deftig af te vegen. Wel-wel, wat zit geluk toch in de kleine dingen! Heb jij je ooit al eens gelukkig gevoeld omdat je zonder problemen schoon uit de wc kan stappen? Ik snap niet waar terroristen, of sommige politiekers, of zanikers zich druk om maken.

Ik heb in elk geval ook erg genoten van de korte infuus-vrije tijd om een uitgebreide douche te nemen. Weeral zo’n gelukzalig moment.

Ik vermoed dat het daar bij jullie ook zo’n hondenweer is, net als hier. Ging ik gisterenavond nog eens naar het getraliede apenkot waar voor een keer geen stank hing van de smeulende sigaretten omdat de wind zo hard waaide dat niet alleen alles wat minder vast zat omver waaide, maar dat de lucht ook gezuiverd werd en dat is toch maar weer het voordeel ervan.

Er zat een oudere dame een sigaret te roken. Ik schatte haar ze zo’n jaar of 75. Mager, maar netjes verzorgd. Zwarte mantel, witte coltrui, grijze haren netjes in de korte krullen. Ze hoest en spreekt me aan:

– ‘ ‘k Meug eigelijk nie smuure van den dokteur.’

– ‘Ah nee? En rookt ge veel?’

– ‘Neje, ik sneukel veule mier. Koekskes en zu, een iel pakske. Mor ik zen goppereerd on mein herte… Mor ik ruuk al van azzek 12 joar benne, en na zennek er 60.’

Oei. Foute initiële inschatting, Annie. Maar eerlijk, ze zag er ouder uit. Ze komt me ook een beetje verward over. Maar misschien vergis ik me daarin ook.

‘ ‘k Zen goppereerd azzek just bevalle was van mein dochter’.

‘ Oh, dat is dan al lang geleden?’

‘Jaja, da’s lang geleje…Van in moarte….’

Ja, toen wist ik het wel zeker dat er sleet zat op haar harde schijf. En zelfs nog meer dan op de mijne.

Wanneer ik vervolgens terug kom op de kamer, weet mijn buurvrouw me te zeggen dat ze zo’n spijt had dat ik even weg was, want dat ze net bezoek had gekregen van die ene botte verpleegster.

Ze had haar gevraagd of het mogelijk was om even naar haar TV te kijken om er de ondertiteling op te zetten.

Bot en stuurs klonk het antwoord: ‘Neen. Ik ken niks van TV’. En weg was ze.

Alle anderen zouden gezegd hebben: kom ik zal eens kijken, of anderen zouden zeggen, ik ben daar geen kei in maar ik zal het mijn collega vragen. Gelijk wat, maar niet zomaar iemand laten zitten zonder een deftige oplossing aan te bieden.

Bij het voorbij wandelen hoorde ik toevallig twee oudere dames die in de gang zaten ook klagen tegen mekaar over die ene. Ik wilde niet de luistervink spelen en heb dus niet de clou van het verhaal kunnen opvangen, maar het is wel duidelijk dat zij hier het onderwerp van gesprek is.

Het dametje met Mongolisme ben ik heel regelmatig tegengekomen en dan hebben we altijd wel iets van conversatie of wat ervoor doorgaat. Ze zat er al een paar keer met enkel een operatiekleedje aan en daarover een oranje t-shirt met korte mouwen te rillen van boven tot onder. Ik was er wat van ontdaan en vroeg haar waarom ze haar jas niet aantrok, of minstens een kamerjas.

‘De verpleegster éé meine jas afgepakt’

‘En waarom heeft ze dat gedaan?’

‘Da weet ek nie.’

Ik veronderstel dat dit een poging zal geweest zijn van de verpleegster van die afdeling om haar binnen te houden, maar het was duidelijk geen succes. Ze ging nog liever in de kou zitten dan haar sigaretje te laten. Dat is ook geen werk, want het kind heeft het serieus aan haar longen.

Op een keer vroeg ze mijn naam. Die heb ik haar ook gezegd. En ze heeft me ook meteen de hare gezegd. Neen, die kom je niet te weten. We moeten het hier een beetje proper houden. Al valt er niets respectloos te zeggen over dat dametje, enkel dat het wel een speciale is.

– ‘Mei zeuster is celibaat in’t kluuster…’ Dat zegt ze zo maar ineens uit het niets. Of

– ‘Mijne noenkel is …..’

Ik ga hier niet te veel in detail gaan, want wie weet is er iemand tussen de lezers die linken legt, en dat vind ik niet zo plezant.

Op een keer zie ik haar weer in haar t-shirt zitten, maar deze keer zit ze binnen in de hal. Ze roept van ver mijn naam. Het is druk in de hal en alle mensen kijken me aan.

‘Kom ne kier bei mei!’

‘Seffens, ik ga eerst een sigaret roken.’

Ze protesteert niet.

Ik moet vervolgens maar een stap binnen zetten of het scenario herhaalt zich. Ze roept weer luid mijn naam en ik ga naar haar toe.

‘Ik em van die bubbelkes om mei veremelte. Zoukik HIV emme?

Oprecht, ik denk niet dat zij bij de risicopatiënten hoort, al weet een mens maar nooit. Maar ik kies er toch voor om haar gerust te stellen.

‘Maar neen, gij hebt zeker geen HIV. En als ge toch niet helemaal zeker zijt, vraag het dan eens aan de verpleegster op uw afdeling.’

Ze knikt en laat haar hoofd weer op haar borst zakken, haar gewone ontspannen houding. Ik hoor ze vandaag niet hoesten.

Een van de vorige ontmoetingen zat ze – zoals meestal – weer haar ritmisch geforceerde hoest te voorschijn te toveren. Er stonden wat mensen in het rokerstraliewerk. Een dame stoorde zich er duidelijk aan.

‘Zoude da niet stoppen?’ zei ze boos tot mijn vriendinneke. Maar die reageerde niet en zette haar uuh-uuh duchtig verder.

Blijkbaar ging die dame meer en meer in de stress, en ze herhaalde nog eens dat ze er moest mee stoppen. Maar alweer geen effect.

Ik kon er niet aan doen, maar ik moest er mij weer mee moeien. Ja, ik weet het, ik moet er meer op letten, maar dat is gelijk een automatisme dat eruit komt zonder dat ik daar zeggenschap over heb. Ik zeg:

‘Laat ze maar doen, want ze vindt dat plezant’.

Waarom de dame zich opnieuw tot mijn vriendinneke richt en zegt:

‘Gij kunt da messchien plezant vinde, moar wij vinde dat iel ambetant!’

Och ja. Vanaf daar is het me gelukt om mijn tong in te slikken. Wat baten kaars en bril als de uil niet zien ’n wil.

(wordt vervolgd….)

 

HET ZIEKENHUIS: Herstelling onder garantie – Deel 6

 

Olè…olè-olè-olè-olèèèèèè!!! Ontstekingswaarden weer gezakt. Ik moet weliswaar minimum tot na het weekend hier blijven, maar ik vind het allang goed dat het de goede richting uit gaat. Met een nog langer verblijf kunnen ze mij niet straffen. Het was erger toen ik op internaat in Tildonk zat op mijn 12 jaar, dan hier. ’t Is hier goed.

En ’t mag gezegd dat het ook wel eens plezant is om geen moer uit te voeren zo ganse dagen. En toch verveel ik me geen seconde. Boekje lezen, beetje schrijven, babbeltje slaan, beetje rusten, beetje eten,… En om dan helemaal het schaamrood op de wangen te krijgen komen ze ook nog eens vragen of alles goed gaat en of je nog iets nodig hebt.

Ik heb intussen al mijn sociale engagementen op pauze gezet. Heb even tijd nodig om mijn hele carrosserie weer in orde te laten zetten vooraleer ik me weer volop in de activiteiten kan smijten.

Ik postte op mijn Facebook: ‘Ik zit in de fleur van mijn slijtage’, wat dus een waarheid als een koe is. Want er is uiteraard flinke slijtage, dat kunnen we niet ontkennen. Maar het is ook een beetje fleur want uiteindelijk is het leven wel mooi als je al een stuk van de weg hebt afgelegd en je leven in balans is geraakt.

’t Was grappig dat er een man repliceerde op die post met ‘Ik vraag me af wie er met dergelijke onzin kan lachen’. Ik heb geantwoord dat het leven een stuk gemakkelijk is als je kan relativeren en wat humor inlassen. Ik kreeg van de slag meteen een heleboel ‘likes’. Heel leuk om te zien. Dank je wel, lieve vrienden en vriendinnen.

Ik heb gemerkt dat hij zijn opmerking er intussen heeft afgehaald. Ik hoop dat het gewoon eerlijke schaamte is geweest, of misschien nog beter: inzicht dat hij toch een beetje te veel zuurpruim is om vrolijk door het leven te kunnen gaan.

Mijn buurvrouw en ik hebben hier al ons verhaal gedaan tegen een paar mensen van de verpleging over die ene verpleegster die het niet nauw neemt met de patiënten. En wat horen wij: men weet met naam en toenaam over wie het gaat, het probleem is al een aantal jaren gekend. Maar dan komt de grote verrassing: er kan niets aan gedaan worden zolang er geen echte professionele fouten worden gemaakt. Men kan geen medewerkers sanctioneren omdat ze onvriendelijk – of in dit geval kortom bot – zijn. Dat is blijkbaar geen criterium. Tot hiertoe alle lof voor dit ziekenhuis, en deze afdeling in het bijzonder, maar waar het over dit criterium gaat: Shame On You, Sint-Lucas!!

En ik heb als afsluiter nog een paar lift-verhalen.

Het is hier sinds mijn laatste bezoek nog altijd niet veranderd: er liften hier nog altijd geesten mee.

Ik stap met een man in de lift op de vierde verdieping. We willen allebei naar het gelijkvloers. Toch stopt de lift op de derde verdieping en niemand staat te wachten om in te stappen. De man zegt:

– ‘allez, hoe komt dat nu dat die hier stopt?’

– ‘Dat zijn de onzichtbare geesten die mee willen. Dat is hier de gewoonte.’ zeg ik.

De deur sluit en we liften verder. Maar op de tweede verdieping hebben we weer prijs. De lift stopt. Deze keer stapt er wel een dame in, maar wat blijkt: ze duwt een rolstoel verder waar niemand inzit. Deze was te schoon om te laten liggen, dus ik zeg tegen mijn mee-lifter:

– ‘Ziet ge wel, er zijn ook geesten die niet meer zo goed te been zijn, en die moeten dan in zo’n karreke zitten’.

 

En dan was er die keer dat ik op het gelijkvloers stond en naar boven wilde. Ik zie dat de meneer die voor me staat op het pijltje naar beneden heeft gedrukt. Ik duw de pijl naar boven in en vraag aan de man:

– ‘Moet u naar beneden, Meneer?’

– ‘Neen, naar boven.’

– ‘Dan denk ik dat het beter is om op het pijltje naar boven te drukken’, zeg ik. (Annie, wanneer gaat ge nu eindelijk eens leren om u niet te moeien?)

Weet ge wat die man mij zegt?

– ‘Maar, Madam, die lift staat nu boven. Die moet toch naar beneden komen, zeker? Ik kom hier al 12 jaar, dus ik zal wel weten hoe het moet, hé?’

Ik heb wijselijk geknikt en in bij mezelf gedacht: ‘Gvd, Annie, laat de mensen doen. Zolang ge er zelf geen last van hebt, hou dan uwen bek’.

Ik zal mijn best doen.

(wordt vervolgd….)

 

Het Ziekenhuis: herstelling onder garantie – Deel 5

 

Ik mag hier een keer goed nieuws komen melden. De nieuwe antibiotica blijkt aan te slaan. Gelukkig, want dit is de hoogste in rang die men op de afdeling mag toedienen. Het spul bestaat alleen in intraveneuse vorm zodat ik hier nog een tijdje zal vastgebonden blijven aan mijn slangetjes. Het maakt me in dit stadium geen moer uit. Van mij mogen ze me hier een maand houden als ik maar van die ontstekingen af geraak. Ik heb hier toch al lang mijn tent opgezet. En ik weet ook intussen dat je hier een aardappelmesje moet mee hebben om fruit te schillen, dat het belsysteem al eens kan uitvallen, hoe ik de lift weer kan doen praten wanneer hij niet wil bewegen, hoe ik de TV kan herstellen wanneer die tilt slaat, ik weet wat de geplogenheden zijn, de uurplanning, de toffe en de minder toffe mensen.

Na mijn ontslag gaat de timer in voor 6 weken omdat het zaakje ‘moet afkoelen’. En dan onder het mes. Stukje stoute Annie eruit. Ik hoop dat ik er een beter mens zal van worden.

En wel heel erg vingers kruisen dat de ontsteking niet weer opsteekt gedurende die 6 weken afkoelingsrust, want dan wordt het ingewikkelder en lastiger. Ons Annie zal het dus hééééél rustig aan doen. ’t Is maar dat iedereen weet dat ik mogelijk neen zal zeggen als mij iets gevraagd wordt. En nog erger: het zou wel eens kunnen dat ik die goede gewoonte zal doorzetten erna.

Maar voorlopig ben ik onder dak en in goede handen. Mijn lijf past zich aan het ziekenhuisritme en de omstandigheden aan. Het was al zelfs zo ver dat ik tijdens dat ene nachtje thuis – toen ik wilde opstaan voor een plas – op zoek ging naar mijn stang met mijn chemische fabriek eraan en ze uiteraard niet vond. Jaja, ik weet het, het kan ook beginnende dementie zijn. Soit.

En mijn blog heeft hier toch al zeker één zichtbare vrucht afgeworpen: de ‘pousse ici’ is verdwenen en er hangt een mooie propere indicator boven het systeem: ‘deur openen’ met een pijltje naar onder. Perfect!

En ik leer hier zelfs meerdere dingen bij.

Zo zijn er de stagiaires die opgeleid worden en ik vrees dat ze mij graag uitkiezen als oefenmateriaal. Maar ’t is hun met plezier gegund. Op mij mogen ze hun onkunde botvieren, maar als het zeer doet gaan ze het geweten hebben, en als ze beginnen te prutsen moeten ze er kort spel mee maken. Maar verder ben ik een en al gewilligheid en haal ik mijn portie humor uit de kast om die jonge meiden gerust te stellen. En zo leer ik natuurlijk ook nog iets bij. Ik kan met gemak een baxter vervangen (al heb ik dat ooit 40 jaar geleden ook geleerd), en ik zet dat ding zelf dicht als er eentje is leeggelopen. De andere moet altijd blijven lopen, dag en nacht. Vind ik niet erg. ’t Is alleen wat vechten met die plastieken draden in bed, en al dat vocht dat ze in mijn lijf pompen moet er ook ergens uit, nietwaar?

Er was een stagiaire die moest tonen aan haar begeleidster dat ze in staat was om de ademhaling te tellen van mijn buurvrouw met longproblemen. Blijkbaar bestaan daar nog geen machientjes voor. Het is dus kwestie van op je horloge te kijken en te tellen hoe vaak iemand ademt.

Zegt die begeleidster: ‘maar het is natuurlijk wel een probleem wanneer een knap ogend studentje een man moet onderzoeken en zich over hem buigt om te tellen, want je kan er donder op zeggen dat die dan naar adem snakt, en dan is je telling om zeep. De kunst is om bij de mannen liefst iemand anders (lees: een man of een lelijke meid) de klus te laten klaren.

Maar ik krijg hier ook uitbreiding van mijn talenopleiding. Bij nader inzicht vond ik het wel heel interessant dat we indertijd Nederlands, Frans, Engels en Duits met bakken te zwelgen kregen, zowel in grammatica, dictee, historiek van de landen, literatuur, maar ook al die talen in handelscorrespondentie, steno en dactylo. Als talen zouden zichtbaar zijn, dan zou je mezelf en al mijn klasgenoten in een grote aura van kleuren zien rondgelopen hebben. Wij àdemden talen.

Maar dus bij nader inzicht had het Turks in deze tijden ook wel van pas gekomen. Ik heb intussen al wat straat-Turks mogen leren van die mensen, en dat is best wel leuk.

Want zeg nu zelf, het is toch vooral het taalverschil dat de basis vormt van de kloof tussen ons en de mensen die van elders komen (en allez ja, ook het gedrag van sommigen, ik geef toe). Beide partijen mogen nog zo vriendelijk en zo eerlijk en oprecht zijn, maar als je de taal niet spreekt kan je geen contact leggen, en als je geen contact kan leggen kan je ook weinig te weten komen van de geplogenheden, en dat maakt de integratie dan weer moeilijker.

Ik ben dus begonnen met het goede voorbeeld te geven. Volgende keer dat we elkaar ontmoeten zal je het in het Turks moeten doen. Grapje. Ik ken maar een paar woordjes. En ik moet eerst mijn Spaans onder de knie krijgen.

Ik heb ook geleerd dat sociale media onbewust beslag op je legt, en dat het een kwestie is van een gezond evenwicht te houden: je er niet laten door besturen, maar je moet het ook niet afzweren. Ik heb in elk geval mijn instellingen zodanig aangepast dat ik niet telkens een mail krijg wanneer iemand iets gepost heeft, en ik heb ook de geluidjes uit mijn gsm gehaald. Wat een rust en vrede!

Een mens moet waarlijk in een ziekenhuis belanden om tot dat inzicht te komen. Of misschien was dat inzicht er wel, maar drong het toch onvoldoende door om tot actie over te gaan. Is intussen gebeurd. Bank vooruit, Annie. Ik raad allen aan om mijn voorbeeld te volgen. Het doet deugd.

En ja, misschien moeten we wel in een ziekenhuis belanden om eens te bezinnen, om stil te staan en scherp te stellen. Zo zit ik al een tijdje mijn hersens te pijnigen waarom ik heb wat ik heb.

Immers, men zegt dat je de ziekte krijgt die je verdient. Amai, ik vind dat wel een straffe, maar je weet dat ik voor alles open sta. En als je leest hoe Freud daarover dacht, dan  is het niet slecht om er toch even blijven bij stil te staan. Blijkbaar geeft je ziekte de dingen die je onderbewuste geest verlangt. Want die onderbewuste geest die kijkt niet naar de manier waarop, niet naar het middel, enkel maar naar het doel: datgene wat het verlangt. Het zal je onderbewuste worst wezen dat je dat verlangen kan voldoen door een rotziekte.

Kijk, of het bovenstaande nu waarheid is of niet, ik vind het toch altijd de moeite om eens op onderzoek te gaan en me in dit geval af te vragen welke voordelen mijn ziekte mij opleveren.

En neen, ik ga jullie mijn diepste psyche niet uiteenzetten. Die is bovendien alles behalve interessant, of minstens gênant. Maar ik kan je wel verklappen dat ik vanaf nu mijn prioriteiten anders zal leggen, voor zover ik dat al niet deed in de voorbije dagen. Maar eigenlijk was ik daar al achter van voor mijn opname. Ik snap niet goed waarom mijn onderbewuste me dan toch nog daarvoor in het ziekenhuis moest sjotten. Ik zal nog wat verder moeten spitten, denk ik.

Om af te sluiten: ik zei al dat het soms risico’s inhoudt om te bloggen. Hier volgt er nog eentje.

De dame die zo lief is ’s ochtends mijn boterhammekes te roosteren zag me bezig met schrijven.

– ‘Aan ’t bloggen, Annie?’

– ‘Ja hoor’

– ‘Zie maar dat het positief is he, of ge zult er over vliegen met uw geroosterde boterhammekes.’

’t Was uiteraard om te grappen, en kijk, dat fleurt het ziekenhuisleven hier op als de verzorgenden je met humor benaderen. Leuke boel hier. Maar tussen ons gezegd en gezwegen: toch liever gezond thuis!

(wordt vervolgd…)

 

HET ZIEKENHUIS – herstelling onder garantie – Deel 4

Je kent dat liedje van Johan Verminnen: ‘ik voel me goed, ik voel me goe-oed…’

Wel ja, dat zat ik vanmorgen tot mijn eigen verbazing te neuriën. Ook al zou de dokter me straks komen vertellen dat de antibiotica niet aanslaat, ik geloof er geen moer van, want ik voel het verschil.

Vorige week hadden we het met een groepje vrienden nog over de definitie van geluk. De beste definitie die voorhanden is luidt: ‘geluk is de afwezigheid van ongeluk’. Bij deze kan ik dit zonder omstuit bevestigen. De afwezigheid van pijn en ziek zijn is voor mij op dit moment het summum van geluk. Laten we dit met zijn allen goed in onze hersenpan drukken voor de kleine baaldagen.

Vorige week vrijdag mocht ik dus naar huis. Mijn weekje ziekenhuis zat erop. Herman zou pas ’s avonds thuis komen van skireis, maar ons Annie kan haar plan trekken. Gewoon taxi genomen. Is maar 6 km tot thuis, dus kost geen fortuin.

Je weet hoe dat gaat als je na zo een weekje thuis komt, dan heb je meteen vanalles te doen. Was insteken en uithalen, droogkas opzetten, vaatwas leegmaken, sanitair wat opfrissen, de rondhangende rotzooi wat opruimen, snel naar de apotheker om de voorgeschreven antibiotica te halen….

En na een helse nacht heb ik maar weer eens de huisdokter gebeld. Bloedafname en analyse, en ja hoor, ga maar weer binnen. Het zit niet goed.

De was is nog niet gestreken, maar die moet dan maar zo in de valies. BALEN!!!

Maar deze keer kon ik nog op eigen pootjes staan om binnen te gaan. Dat was al iets.

Op de spoedafdeling voelde ik al meteen dat het infuus niet goed zat. De boel begon daar meer en meer pijn te doen. Maar een mens wil anderen niet tot last zijn, dus hield ik mijn mond. Eenmaal terug op mijn vertrouwde afdeling kon ik het toch niet meer houden en vroeg om het infuus te verplaatsen. Nu kan ik me best wel voorstellen dat ze voor zo een klus niet staan te springen, en ik heb wel een en ander uit de kast moeten halen om het toch gedaan te krijgen.

De verpleging op de afdeling waarover ik zoveel lof heb mogen uiten bleek toch ook hier en daar wat barstjes te hebben.

– ‘Dat kan niet verkeerd zitten, want het loopt’, zei een voor mij tot dan toe onbekende verpleegster.

Ja, dat kan wel zijn dat het loopt, maar het loopt blijkbaar toch niet allemaal waar het moet lopen, want mijn hand begint aardig te zwellen. Uiteindelijk kwamen twee verpleegsters dan toch de klus klaren.

Eerste prik: Auw verdorie, dat deed pijn. Knal, ader gesprongen. Dan maar tweede poging. Auw, weer foute boel. De andere verpleegster beslist om het ook eens te proberen aan de rechter kant. Knal, weer ader gesprongen. Het bloed sijpelt eruit. Komt er een derde verpleegster binnen die zelfzekerder is en de zaak in handen neemt. Maar neen hoor, weer mis.

Zeg eens, ik voelde me precies een stuk papier dat moest geklasseerd worden en waar je de gaatjes niet goed inkrijgt. Helemaal geperforeerd. Als ik een glas water zou gedronken hebben, dan zou het er langs de gaatjes zijn uitgelopen gelijk kleine fonteintjes.

Maar ik moet toegeven dat ik echt lek sloeg. Het potje was vol. Eerst de teleurstelling om weer binnen te moeten, de pijn, de angst voor een gecompliceerde operatie, en dan al de geprik in mijn lijf. Nu ben ik doorgaans niet zo’n huilebalk, maar deze keer kon ik het janken efkes niet tegenhouden.

Uiteindelijk hebben ze de spoed gebeld en is er een spoedverpleegster de zaak komen klaren. Prikje, en de naald gleed erin als een warm mes in boter. Fantastisch. Ik had het kind bijna een kus gegeven van contentement. Vijfde keer, goede keer.

Ja, verpleegsters, je hebt er van soorten.

Mijn buurvrouw – een hele lieve deze keer; ik vertel je straks nog over de vorige – wordt thuis in de home elke dag gewassen. Dus lijkt het mij normaal dat ze dat in het ziekenhuis ook doen. En dat gebeurt heel netjes, behalve door één verpleegster. Het menske was er het hart van in toen ze me vertelde dat ze als antwoord had gekregen van die ene verpleegster waar ik hier zonet over vertelde:

– ‘Niet kunnen, dat bestaat niet’.

Blijkbaar moet ze dan toch één keer een poging hebben gedaan om zich aan de klus te zetten, en halverwege de wasbeurt liet ze mijn buurvrouw gewoon zitten in de badkamer. Die heeft haar moeten bellen en toen ze tevoorschijn kwam zei ze:

– ‘Hewel, wat is er?’

Ik vind het erg voor mijn buurvrouwtje, maar ergens was ik ook wel een beetje blij om haar verhaal te horen, want ik dacht al dat het aan mij lag dat het mens zo mottig deed.

Ik maakte haar erop attent dat de ader waar fout gestoken was begon te ontsteken.

– ‘Dat kan niet ontstoken zijn’ kreeg ik als antwoord. ’t Is toch wel straf dat er verpleegsters rondlopen die beter kunnen voelen dan datgene wat jij voelt. Het deed gvd zéér!

Ik liet het voor wat het was en legde mijn probleem voor aan een tweede, jonge verpleegster die altijd heel vriendelijk en behulpzaam is. Zij beaamde wel mijn ongemak, maar zei dat het vanzelf wel zou overgaan. Ik ben een leek op dat vlak, dus ik neem het voor waarheid. Volgens mij wist ze zelf niet beter, want ik ben er zeker van dat ze zou geholpen hebben.

Maar tegen de avond begint die zooi daar hoger en hoger te ontsteken tot in mijn elleboog. Ik vertel het de nachtverpleegster, ook een hele lieve. Die zegt prompt:

– ‘O ja, dat is ontstoken en dat wordt altijd erger als je daar niets aan doet. Ik ga zalf halen.’

En tegen de ochtend was de pijn bijna helemaal weg. Zo simpel kan het leven zijn.

Dan schiet mij dat cabaret-liedje te binnen: ‘we zijn er om mekaar, om mekaar, te helpen nietwaar…..’

Het was diezelfde norse die naar me beet:

– ‘ge kunt maar zorgen dat ge genoeg beweegt hé, want ik heb gezien dat ge uw spuit hebt geweigerd. Het is op UW verantwoordelijkheid, he!’.

Ja zeg! Is het de bedoeling dat ik me een stout kindje voel?

En nog eentje om het af te leren: Alle verpleegster nemen steeds bloeddruk aan de arm waar je geen infuus hebt omdat het behoorlijk pijn doet als daar druk komt op te zitten. Die ene verpleegster veegde daar vierkant haar voeten aan. Toen ik ze zag afkomen vroeg ik haar of het niet aan de andere kant moest, waarop ze zei dat het allemaal gelijk was en gewoon verder deed. En het doet inderdaad verdorie geen deugd als ze die band oppompen. En alsof de duivel het erom deed, het duurde ook veel langer dan normaal.

Het doet me enorm denken aan het onderzoek dat mijn collega’s een flink aantal jaren terug gedaan hebben bij Albert Heijn in opdracht van hun directie.  Daaruit bleek dat de medewerkers er heel graag werkten. Alleen vonden ze de klanten er het lastigste aan.

Misschien is het met sommige verpleging ook zo: dat ze graag in het ziekenhuis werken, maar dat de patiënten er te veel aan zijn.

Tja, ik heb heel wat lof gezwaaid over dit ziekenhuis en de afdeling, en dat was ook terecht, maar nu en dan laten ze – zoals overal – wel eens steken vallen of lopen de dingen wat anders dan gehoopt. Maar ik moet eerlijkheidshalve zeggen dat ik hier intussen toch al weer door de meesten in de watten ben gelegd. Babbeltje slaan, met spoed zalfje besteld, heb je nog iets nodig? ga maar eerst eentje roken, ik kom straks wel langs, eet je wel goed? wil je iets anders om te eten?……

Ik had het de vorige keer over mijn buurvrouw en over het feit dat ik mijn oordeel niet te snel mocht maken. Ja man, ik was misschien toch nog zo mis niet die eerste keer.

De eerste dag dat die dame werd opgenomen was het allemaal nog te doen. Haar man en één van haar kinderen kwamen op bezoek. Niets abnormaals. Maar vanaf de volgende dag was het daar volle bak. ‘En moede gulle e kafeeken hemme? ‘k zal er goan oale!’ Een café zou er jaloers op geweest zijn met zoveel klanten. En dat gedurende de volle periode van de bezoekuren, zijnde van 14u tot 20u. En dan maar tetteren over Familie, over Thuis, over de hond, over de auto, over nonsens die je niet wil weten.

Op een avond vraagt buurvrouw me of ik geen last heb van haar bezoek. Ik antwoord haar beleefd en naar waarheid:

– ‘Ik werd er op het einde wel wat moe van, ja.’

Een beetje later zei ze dat ze haar man had gebeld om het hem te melden en dat ze er zouden op letten. Tof. Maar het was ijdele hoop. De volgende dag kwam er zelfs nog meer volk. Er zat altijd een minimum van 5 personen met een gemiddelde van 7 en een piek van 12.

Ja zeg, je bent dan al maar een wrak en doodmoe, dan lig je graag in een ziekenhuis en niet in een café, toch?

Zelfs een verpleegster die eens binnenkwam zei:

– ‘maar allez, madammeke, wat een lucht hier binnen met al dat volk. En gij hebt het aan uw longen? Dan moet ge zorgen voor zuurstof!’ waarop ze prompt de venster open gooide. Maar dat heeft niet lang geduurd, want ze vonden het snel te koud.

Ik passeerde mijn dagen meestal door op de bank in de gang, of beneden. Maar op een bepaald moment was ik zodanig moe dat ik dan toch maar in ‘het café’ op mijn bed ging liggen ondanks de vieze lucht en het lawaai. Ik lag er met mijn ogen dicht, maar van slapen kwam niet veel in huis.

Toch moet de buurvrouw gedacht hebben dat ik sliep want ik hoorde haar zeggen tegen haar bezoek:

– ‘Ze vindt zij mijn bezuuk lastig. Moar asse d’er nie tegen kan, dan moe ze moar een koamer apart vroagen, hé.’

Ik heb niet de moeite genomen om het er nog over te hebben, maar van mij heeft ze niet veel klank meer gekregen. Ik hou van mensen, maar ik kan niet tegen mensen met twee gezichten. Dan keer ik me zodanig dat ik geen van beide gezichten nog moet zien.

Ik lig nu op de kamer naast die van vorige week en ik heb gelukkig een hele lieve buurvrouw. Ze kwam zich meteen voorstellen toen ik aankwam en ze bood meteen aan dat ik haar hulp mocht inroepen als het nodig was.

En bij de vorige kreeg ik als kers op de taart na al het bezoek ook nog eens haar TV-programma’s kado. Van mij mogen mensen kijken naar wat ze willen, maar Familie, Blind Getrouwd en Top Chefs zijn aan mij niet besteed.

Nu staat die lichtbak minder aan en als hij aan staat dan is er het nieuws en al eens een programma over actualiteit. En een goed filmke zal ik ook niet versmaden.

Soort zoekt soort.

En nu is het genoeg met gezaag en tijd om het over iets anders te hebben.

Ik ging vanmorgen een sigaret roken, fris gewassen, met een gewassen-maar-niet-gestreken pyjama. Er zat maar één persoon, een dametje met mongolisme, vastgeketend aan een infuus dat veel ingewikkelder was dan het mijne. Ze rookte een gerolde sigaret, en ze stopte niet met hoesten. Ik merkte dat ze het erom deed, dat ze de hoest zelf opriep. Uuh-uuh…..uuh-uuh…..uuh-uuh…. altijd in hetzelfde ritme. Ik kijk haar aan zonder iets te zeggen.

– ‘Ik heb het aan mijn longen!’ zegt ze.

– ‘Ja, dat hoor ik. Is het dan wel slim om zo te roken?’

Ze hoort het niet, of wel, maar ze antwoordt in elk geval niet.

Na het aanhoudende artificiële gehoest kijkt ze me aan, en zegt:

‘Ik vind da plezant’

‘Ah ja? Ik denk dat dat niet zo goed is voor je longen als je dat zo uitlokt.’

waarop ik een luid en kordaat antwoord kreeg:

‘Ik doe mijn goesting!!’

Tja. Natuurlijk kan ze haar goesting doen. Ik moei er me niet mee. Ik heb genoeg aan mijn oren met mijn eigen stomme buik zonder mezelf op te dringen als goede fee voor de mongole (of hoe zeg je dat?) longpatiënten.

Hoewel ze mij hier in dat rookkot al ‘moeder Theresa’ hebben gedoopt. Dat kwam zo:

Toen ik eraan kwam waren er drie mannen van vreemde origine die elkaar kenden. Eén ervan stond recht en sprak een jong en tenger dametje aan die aan het roken was. Hij maakte een opmerking over de kamerjas die ze droeg omdat die een kap had in de vorm van een konijntje. Hoe het gesprek er uiteindelijk opgekomen is weet ik niet meer, maar op een bepaald moment deed ze haar kamerjas wat open om te tonen dat ze zwanger was. 8,5 maanden. Ze kreeg daar een sermoen van die man, dat het niet verantwoord was, en dat ze aan haar kindje moest denken. Ze pruttelde tegen en zei dat ze maar vier sigaretten per dag rookte.

En dat bleef daar maar doorgaan, dat sermoen en dat verwijt tot het kind tranen in de ogen kreeg. Ik kon het niet meer aanhoren en ben er tussen gekomen. Ik zei tegen die man dat hij haar stress bezorgde en dat hij ermee moest ophouden. Want van stress ga je als roker nog meer roken. Dat lachte hij weg en liet zich niet stoppen.

Maar die kende ons Annie nog niet.

Ja hoor, ik weet dat het niet goed is om te roken als je zwanger bent, maar uiteindelijk heeft onderzoek uitgewezen dat er enkel risico is op een prematuur, en dat het roken op zich niet schaadt aan de baby. En dat meiske zei dat de dokter gezegd had dat alles OK was met haar kindje en dat het al zwaar genoeg was.

Dus begin ik de tegenaanval door te zeggen dat ik ook drie gezonde kinderen op de wereld heb gezet, met gewicht van 3,300  kg tot 3,850 kg. Zonder te stoppen met roken (moet ik me nu doodschamen? Ben ik nu slecht? Ben ik minderwaardig? Vies?).En dat ze zich helemaal geen zorgen moest maken. Liever relax en een paar sigaretjes dan gestresst zonder.

En voilà, vanaf daar werd ik moeder Theresa. Ik vind het niet erg.

(wordt vervolgd….)

HET ZIEKENHUIS – herstelling onder garantie – deel 3

HET ZIEKENHUIS – herstelling onder garantie – deel 3

Je moet het niet voortvertellen, maar volgens mij zijn ze zich hier uit de naad aan het werken om een Michelin-ster te halen. Ik weet niet helemaal zeker of ze daar zullen in slagen, maar ze doen hun best.

Elke dag is er weer het overlopen van het menu, en je moet maar zeggen of het je zint, en anders stellen ze wel iets anders voor. Koffie smaakt niet? Zullen we dan een chocomelkske geven? En bij het afruimen wordt er netjes genoteerd wat je allemaal hebt doorgezwolgen. En pas op, het blijft niet bij de controle van het doorzwelgen, ze controleren ook nog eens of het er allemaal wel weer uit komt en op welke manier.

Nu moet ik zeggen dat mijn lijf intussen een oorlog is begonnen tegen alle medicatie, zodat ze hier al eens moeten nadenken hoe ze die troep er toch inkrijgen. Dus dan maar de zaak verdelen over een pilleke slikken en de rest in je aders, en vervolgens nog maar een pilleke bij om dat ander pilleke te laten passeren. Ik voel me intussen een wandelende chemische fabriek. Ik vrees dat ik binnenkort aan strenge veiligheidsvoorschriften zal moeten voldoen om nog op straat te mogen komen.

Enfin, door al die rommel in mijn lijf is mijn maag aan een protestmars begonnen en ik vrees zelfs dat ze nog in staking gaat als ik haar eisen niet inwillig. Ja, mijn maag heeft soms iets politieks.

Dus, dat betekent dat ik hier vragen krijg bij de controle van mijn inslag.

– ‘Was het niet lekker?’

– ‘Gewoon afkeer van eten.’

– ‘Zou je dan eens niet proberen met een geroosterd boterhammeke?’

– ‘Misschien is dat een idee voor morgenochtend, maar is dat weeral geen extra werk?’

– ‘Zal ik u nu al eentje roosteren? Je kan het eens proberen. Dat zal misschien wel beter smaken.’

Ja, zeg, op de duur kwam het kwijl al uit mijn mond, zo goed kon ze het aan de man brengen. Ik ben dus verkocht voor het geroosterde boterhammeke, en gesmaakt dat het heeft!

En als ik dan mijn appreciatie uit voor zoveel zorg en tegemoetkoming, weet je wat ik dan als antwoord krijg?

– ‘We zouden dikwijls nog meer willen doen, maar het is jammer dat we er niet altijd de tijd voor hebben.’

Er lopen hier echt schatten van mensen rond. En ik hoop dat ze op hun beurt op tijd en stond in de watten worden gelegd, want ze hebben het verdiend.

Maar als het gaat over taalkennis, dan gaan ze nog efkes moeten wachten op hun Michelin-ster. Je moet weten dat je hier niet zomaar binnen of buiten kan. Neeneen, ik lig niet op psychiatrie, al zou je bij het zien van sommige patiënten wel wat twijfel kunnen krijgen.

Je moet hier dus een code intikken om buiten te geraken, en als je binnen wil, dan moet je op een grote knop drukken om de dubbele deur open te maken. Bij het buiten gaan moet je wel wat behendigheid tonen, want het bakje waar je de code moet indrukken staat naast de deur, en als je gewonnen hebt, dan krijg je een groen lichtje en gaat de deur open. Soms krijg je een rood lichtje omdat je de cijfertjes niet snel genoeg na elkaar hebt ingetikt. Dan moet je even wachten als penalty en vervolgens herbeginnen.

Maar dat is nog niet zo ’n probleem. Het moeilijke ligt in het feit dat het bakje dus aan de rechter kant van de dubbele deur staat en dat die deur open draait naar de kant waar je staat. Dus moet je je dan haasten om van achter die deur te komen en erdoor te sprinten vooraleer ze weer dicht gaat. Als je zoals ik met zo’n staander door het leven gaat waar je je chemische grondstoffen mee vervoert, dan is dat niet vanzelfsprekend. Want je moet weten dat die wieltjes van dat ding ook niet altijd luisteren zoals het in onze tijd zou geweest zijn. Tegenwoordig moeten ze overal tegen wringen, zelfs de wieltjes.

Enfin, dit alles om iets duidelijk te maken over de taalkennis hier.

Aan de grote knop aan de buitenkant hangt een A-viertje met daarop:

“PUSH HERE

DUW HIER

POUSSE ICI”

Aiaiaaai. Eerst en vooral weet ik niet waarom er hier in Vlaanderen wordt voorrang gegeven aan de Engelse taal. Maar soit, daar kan ik mee leven. Ten tweede meen ik dat het correcter zou zijn om te schrijven ‘druk hier’ in de plaats van ‘duw hier’, maar daar wil ik geen polemiek over opzetten.

Alleen waar het gaat over die ‘pousse ici’, daar stel ik vast dat de taalkennis niet helemaal is wat ze zijn moet. In het Frans gebruiken we altijd de beleeftijdsvorm. Het moet dus zijn : ‘poussez ici’. We zouden ons als Vlaming ook niet echt gerespecteerd voelen moest er staan ‘ge mot hier ne keer stoempe’.

En – ik kan er niks aan doen – de klank dat die ‘pousse ici’ weergeeft doet me verdomd te veel denken aan de poesjes van Trump. ” Pussy? Si!”

Och Annie, ge moet zo de haarkliever niet uithangen!

Ondanks de vermaningen van Inge ga ik dus nog altijd tussendoor een poging doen om te roken. Toen ik daar vanmorgen zat was er een dame in het plat Gents haar verhaal aan het doen over haar opname. Ze was voorheen geopereerd geweest aan haar rug en daar hadden ze blijkbaar een ijzerwinkel in gestoken om die aaneen te houden. En dan vertelde ze:

– ” ‘k Woare op meine rugge gevall’n en ‘k voelden het geleik: mein veize zoate los. Nie die van meine kop zulle, die van meine rugge.’

Je ziet, lieve lezer, hoe gezonder je hier bent, hoe plezanter het wordt!

(wordt vervolgd…)

Het ziekenhuis: herstelling onder garantie – deel 2

Ik ben er nog altijd van overtuigd dat ik indertijd geen betere keuze kon maken dan studies Psychologie. Ik heb mijn job altijd met veel plezier gedaan. En wie had ooit gedacht dat ik mezelf nog eens onder handen zou moeten nemen?

Toen de spoedarts me vertelde dat hij me ten eerste nuchter zou houden (maar jong toch, ik kan geen eten riéken!), en ten tweede dat de chirurg dan de volgende ochtend zou kunnen beslissen wat er moest gedaan worden (wat zegt die nu? Ik wil helemaal geen chirurg!) dan begon zo stilaan het koude zweet langs mijn rug naar beneden te sijpelen.

Nu moet ge weten dat ze mij al bij vorige opnames verteld hadden dat een ingreep tijdens infectie betekent dat je voor 3 maanden een stoma krijgt. Maar allez zeg, neen, dat is voor mij echt het einde. Het doet me denken aan de hondenwandelaars die net de poep van hun hond hebben opgeraapt en hun wandeling verder zetten met dat zakje stank.

En tegen dat ik goed en wel op mijn kamer kwam, dan voelde ik hoe dat kippenvel kwam opzetten. O Godgeklaagd, ik herken die symptomen: op die manier komt een paniekaanval tot stand. Je wil dat echt niet weten hoe bangelijk dat is.

En dan denk ik: Annie, nu moet ge u maar eens inbeelden dat al die mensen die je ooit hebt begeleid naar je staan te kijken hoe jij het ervan afbrengt. Da’s ne  moeilijke, zulle! Maar het is me gelukt om het tij te keren. Ik fier. Daaraan zie je dat een mens begint kierewiet te worden. Eerst inbeelden dat er kijkers zijn, en vervolgens fier zijn. En dat allemaal in je dooie eentje. En midden in de nacht.

De volgende dag kreeg ik geen chirurg te zien en kreeg ik eten (dat ik weliswaar niet heb aangeraakt). Dat signaal stelde me gerust. Geen strontzak voor mij. Voorlopig niet, en over zes weken ook niet. Want dan gaan ze mij wel degelijk opensnijden en een stuk van mijn ingewanden wegnemen, maar ze naaien de twee uiteinden netjes aan mekaar. Ik zal speciaal vragen dat ze de kruiskessteek gebruiken, dat vind ik een mooie en die is ook stevig.

Ik vind het een rare gedachte. Wat gaan ze doen met dat stukske ‘mij’? Krijg ik dat mee in een potteke om op de schouw te zetten? (Maar neen, ik weet het, dat wordt heel secuur geregistreerd en onderzocht en na een heel parcours wordt dat uiteindelijk ergens mee in een kist gedumpt.) Stel je voor dat je zo stukje bij beetje steeds meer wegsnijdt uit een mens tot er bijna niets meer overblijft. Als je daar lang over nadenkt dan kom je in een filosofische mijmering terecht over ziel en hemel en zo.

Genoeg over dat soort onzin. Tijd voor andere onzin.

Je weet misschien nog dat mijn vader zei dat het een goed teken was wanneer een mens weer kan genieten van een saffie of – in zijn geval – van zijn pijp. Wel, ik doe mijn best om het elke dag eens uit te proberen, maar ik kan niet zeggen dat het echt smaakt. Neen, begin nu niet massaal te zeuren dat dit het uitgelezen moment is om te stoppen. Ik wéét het, en ik zeg het zelf al elke avond tegen mezelf, dus dat is voorlopig genoeg.

Bovendien ligt naast mij een dame van 74 die zich haar leven lang suf heeft gepaft en nu opgenomen is met ademhalingsproblemen. Het is alsof ze het er hierboven om doen en alle middelen inzetten om me met mijn neus erin te wrijven.

In elk geval rook ik dus weinig met als gevolg dat mijn geurzin zich begint te herstellen. Wat is me dat een tegenvaller, zeg! Niet alleen sigarettenrook of asbakken stinken, maar de hele wereld stinkt. De uitlaat van de taxi die staat te wachten aan de ingang, de walm die uit de cafetaria komt, de mensen in de lift, en dan spreek ik nog niet van de geur van het kleine kamertje. Ik denk dat ik me voortaan ga overspuiten met eau de toilette en me door het leven begeven in een wolk van mijn eigen geurenwereldje.

Of ik ga weer volle bak paffen van zodra ik op de been ben om mijn neus plat te leggen. (Neen, niet slagen hé!)

Maar jullie zitten natuurlijk niet op dat soort verhalen te wachten.

Laat me jullie vertellen over mijn domme kop en de domme kop van anderen.

De eerste dagen lag ik gelukkig alleen op de kamer, want als ik me ellendig voel dan moet ik liefst niemand in mijn buurt. Of toch: mijn halve trouwboek. Dat is alles. Onze verzekering dekt alleen tweepersoons, maar je weet dat ik dat sowieso zou verkiezen van zodra ik maar een klein beetje weer tot de mensheid behoor.

Na twee dagen krijg ik gezelschap. Een dame wordt binnengerold in een rolwagen, vergezeld van haar man. Ik schat hem meteen in als een heel zorgzame wanneer ik hem tegen de verpleegster hoor zeggen welke medicatie hij elke dag aan zijn vrouw geeft, terwijl ik haar toch niet helemaal dement of verlamd inschat. Wanneer hij vertrekt groet hij mij vriendelijk. En dan wordt het voor een tijdje stil in de kamer. Ik merk dat mijn nieuwe buurvrouw niet echt in pijn zit, dus na een tijdje begin ik me af te vragen of ik toch eens geen woordeke zou moeten placeren. Ik wacht en zit wat te rommelen op mijn GSM waarop ik zie dat mijn schoondochter fotootjes heeft geplaatst van de kindjes. Het was die dag de verjaardag van mijn oudste kleinkind. Ik zou die avond koken voor hen en een taart met vier kaarsjes voorzien. Het kadootje lag ingepakt klaar. Ik heb mijn zoon gevraagd om het kadootje op te halen en met begeleiding van een dikke zoen van oma te overhandigen. Voor het feestmaal en de taart moesten ze helaas zelf zorgen.

Dus… Ik vind dat een perfecte opener.

– ‘Heb jij kleinkinderen?’ vraag ik.

Ze drukt haar kin even naar voor ten teken dat ze me niet heeft verstaan. Ik herhaal mijn vraag, terwijl ik moet denken aan mijn vorige buurvrouw die zo doof was als een pot, en dacht: ‘toch niet weer!’

– ‘Of je kleinkinderen hebt?’

Ze knikt, maar ik krijg geen klank. En vervolgens gaat ze verder met haar bed te schikken. Ik geef het op en ik denk bij mezelf: ‘Dat wordt niks tussen ons’.

Maar intussen ben ik wijzer en vind ik mezelf een verdomde oen. Ik, die er zo prat op ga altijd vanuit een objectiviteit naar mensen te kijken, hen te aanvaarden met hun botte en scherpe kantjes, niet te oordelen op voorhand. Annie, gij kieken!

Het zal je zo meteen wel duidelijk worden waarom.

Eerst werd het nacht. Mijn buurvrouw slaapt het eerste, en ik niet lang erna. Midden in de nacht wordt ik wakker door stemmen. Ik hoor gebrabbel. En dan opnieuw gebrabbel. Ik open mijn ogen en zie buurvrouw in haar bed liggen, kijkend naar iemand aan het venster. Op het eerste zicht denk ik dat de buurvrouw brabbelt en dat een verpleegster haar tracht te helpen. Mis poes.

Ik open mijn ogen omdat de boel daar blijft brabbelen en dan zie ik dat er een oude man bij het venster staat. Hij heeft een looprek waar hij gebogen over staat en zijn stekkenbeentjes leiden naar een dikke pamper rond zijn billen. Hij brabbelt verder. Buurvrouw merkt dat ik intussen ook wakker ben en zegt: ‘Den dezen is hier op den dool’. We schateren het allebei uit en we bellen verpleging. Die komen met twee binnen gestormd met de melding dat ze al een tijdje naar hem op zoek waren. Volgens mij overkomen deze dingen me alleen maar omdat ik jullie zou kunnen animeren met dit soort verhalen.

En zo was het ijs gebroken tussen buurvrouw en mij. De volgende ochtend vertelde ze me dat één van haar drie kleinkinderen gestorven was aan botkanker. Zijzelf was genezen van darmkanker. Godjezusmina, zoals ik al zei, Annie stom kieken.

Ik heb weer geleerd om nog beter mijn best te doen te luisteren naar mensen en me nog minder snel een oordeel te vormen. Maar het is een vergif dat er insluipt zonder dat je er erg in hebt.

Dus, lieve lezer, laat ik afsluiten met deze wijze raad: ook al denk je dat het er vingerdik bovenop ligt, ook al ben je overtuigd van je eigen grote gelijk: probeer dieper te kijken en dieper te luisteren. Er is altijd een reden waarom mensen doen wat ze doen.

Wordt vervolgd….

 

HET ZIEKENHUIS: herstelling onder garantie – Deel 1

We zijn er weer. Zoals mijn lieve vriendin Chris zei: ‘misschien duwen ze jou van hierboven het ziekenhuis in om ons te entertainen met je blog’. Tja, dat brengt natuurlijk verplichtingen mee.

En die titel ‘onder garantie’, die heb ik ook gestolen. Van Johan. Toffe gast. Zo iemand die overal wel een humoristische noot weet bij te zetten. Hij vroeg me op FB of het niet zinvol was om eens navraag te doen in het ziekenhuis of ze geen garantie gaven op hun herstellingen. Ik vind dat een bijzonder fijne. En je kan er donder op zeggen dat ik hen dat hier nog eens zal vragen.

Ik moet hier eerst een dikke merci lanceren aan allen die mij zo’n lieve boodschappen hebben gezonden. Het gaf me courrage in die eerste slappe dagen. God, wat kunnen ze een mens toch neerslaan tot een hoopje pure ellende. Maar ik heb mijn hoofd terug boven water dank zij de goede zorg hier. Wat zijn we in België toch verwend met onze gezondheidszorg!

Nu ter zake. Ik heb hier heel dringend iets recht te zetten. Want weet je, bloggen kan heel riskant zijn.

Om te beginnen moest ik hier tot mijn verbazing vaststellen dat mijn naam hier niet ongekend is. Dat voelt wel wat bangelijk. Bij aanvang vond ik het prettig dat mensen mij hier op de dienst herkenden. Maar wanneer één van de verpleegsters zei dat ze mijn naam op de lijst had zien staan en meteen wist wie ik was, namelijk ‘de blogster’, dan zag je boven mijn hoofd zo een tekstballonneke verschijnen met daarin een groot vraagteken. Tot daar aan toe, dat was nog niet zo erg.

Er komt een dokter bij me. Hij herkent me, ik herken hem. Fijne mens, leuke babbel en kennis van zaken. Hij zegt dat hij meteen zal vragen aan de chirurg om even langs te komen. Ik hoor hem zeggen aan de telefoon: ‘Ik heb hier een patiënte die recidiveert. Haar naam? Annie Van Mulders….’ en dan worden er aan de andere kant dingen gezegd die ik niet kan horen, maar ik zie de dokter naar mij kijken en zijn wenkbrauwen hoog optrekken.

Kijk, als ze zoiets doen, dan voel ik me direct schuldig. Dan begint mijn harde schijf op hoog toerental te draaien op zoek naar mogelijke wandaden in mijn verleden. En ja hoor, ik vond ze: ik had geen nieuwe afspraak gemaakt met die chirurg de vorige keer.

Ik wacht niet tot hij klaar is met bellen en raas er meteen door: ‘die afspraak werd door het ziekenhuis zelf geannuleerd omdat de chirurg naar een congres moest….’

‘O, daar gaat het niet over. Het gaat over uw blog.’ Slik. Ik vind het heel plezant dat mijn blog gelezen wordt, maar ik moet toegeven dat het ook iets benauwends heeft. Want – ah ja – dan begint mijn harde schijf weer te draaien op zoek naar wat voor blunders ik daarin zou kunnen gemaakt hebben. En ja hoor, alweer prijs.

Wanneer hij klaar was met zijn gesprek zegt die dokter: ‘Blijkbaar zou je ook over mij geschreven hebben.’

Geen idee. Is dat zo? Zou kunnen. Ik weet het niet meer. Ik zou kunnen zeggen dat het beginnende dementie is, maar dat is het niet, want zelfs op de middelbare school kon ik me – echt waar – soms niet herinneren of ik mijn huiswerk al dan niet had gemaakt. Gelukkig was ik een ordelijke en zaten mijn huiswerken altijd in hetzelfde mapje. Maar daar ging het nu niet over.

Die dokter was nog niet de deur uit of ik zat al meteen op internet om naar mijn schrijfsels te zoeken. Nu heb ik nooit iemand met naam en toenaam genoemd (dank u wel, God, voor deze helderheid van geest die je mij soms geeft), maar ik ben dan wel zo stom om te vergeten dat er wel meer namen beginnen met een M, of met een P, of met een gelijk welke letter.

Dus…

De naam van de dokter die ik dus echt wel weet te appreciëren, die leuk is en geduldig al mijn vragen beantwoordt, en die net mijn kamer uit was begint met een M. Nu wil het toch niet lukken zeker dat er hier wel meer dokters hun naam met een M begint, en ik heb toevallig een M vermeld in mijn vorige blog als zijnde een wervelwind die weinig tijd had. Maar dat was dus een andere.

Ons moeder zou zeggen: ‘Ziet ge nu wel wat ge weeral hebt uitgestoken!’ Ons moeder die vond maar zelden goed wat ik deed, vooral als het iets te maken had met sociale contacten. Waarschijnlijk omdat ze daar zelf niet zo een kei in was terwijl ik pas echt in mijn sas was, zwemmend in het zwembad van die sociale contacten.

Nu heb ik de neiging om te schrijven dat alle dokters goede dokters zijn. Maar dat ga ik nu eens niet doen, zie. Ik ben er zeker van dat elke dokter hier terecht die naam draagt omdat hij of zij toch wel de kennis heeft vergaard en dus kundig is, maar ze hebben natuurlijk allemaal hun menselijke eigenschappen en hun persoonlijke eigenaardigheden. En zoals het buiten het ziekenhuis ook beter klikt met de ene dan met de andere, zo is dat hier niet anders. Dat weten jullie even goed als ik.

En het is wel waar dat de overgrote meerderheid hier toch wel heel tegemoetkomend is, zowel wat betreft dokters als verpleging.

Dus, nu dat dit is rechtgezet kan ik beginnen te vertellen over mijn avontuur. Hoewel het nu en dan wel een beetje op een ‘déjà vu’ begint te gelijken. En ik krijg ook geen uitleg meer bij opname over hoe de dingen hier werken of hoe de aanpak is. Dat is een veeg teken, nietwaar?

Laat ons beginnen bij het begin: de spoed. Herman heeft me op zaterdagavond binnengebracht rond 10.30u. ’t Was nodig. Voor mij mochten ze me in coma spuiten. O melodrama! Maar dat hebben ze niet gedaan en ik ben blij dat ik intussen weer tot de levenden behoor.

Om middernacht heb ik mijn eega naar huis gestuurd want alles was al gepakt en klaar gemaakt om op skireis te vertrekken met de kinderen. En neen, ik wilde niet dat hij voor mij zou thuisblijven. Ik was in goede handen en intussen al helemaal gedrogeerd, zelfs in die mate dat het mij weinig kon schelen dat er daar op de gang geroepen en getierd werd. Ik hoorde een man amok maken en luid roepen: ‘c’est urgent’, waarop een assertieve verpleegster repliceerde: ‘oui, pour vous, mais pas pour nous.’ Ik weet nog dat ik dacht: 1-0 voor de verpleegster!

Om 3.30u in de ochtend belandde ik eindelijk in mijn kamer. Van mijn kant alle begrip en alle appreciatie, hoor, maar ‘De Spoed’, daar zouden ze toch eens een andere naam moeten voor bedenken. De ‘we-haasten-ons-maar-kunnen-niet-toveren’, of ‘spoed-u-niet-want-ge-moet-hier-toch-wachten’ of ‘haast-en-spoed-is-zelden-goed’. Hoewel dat te veel anti-reclame zou zijn.

Maar vooraleer ik op mijn kamer kwam wilde mijn blaas dat ik een toilet opzocht. ’t Was een beetje een sukkelpasje waardoor een lieve dame die er een familielid bezocht me liet voorgaan. Met mijn suffe kop heb ik niet gekeken van achter welk gordijntje ik gekropen was bij het verlaten van mijn hokje, dus doolde ik daar maar wat rond van hot naar her, en kwam voorbij twee agenten – vraag me niet wat die daar stonden te doen, ze waren er alleszins niet voor mij – die me bezig zagen. ‘

– ‘Zijt ge uw kotteke kwijt, madam?’

– ‘Ja, ik weet niet meer welk van mij was.’

– ‘Kiest er u anders maar eentje uit en legt u op da bedde.’

De Politie, Uw Vriend. Toffe mannen.

 

Jongskes, voor nu is het efkes alles. Morgen krijg je meer blog.

HET ALLEDAAGSE LEVEN….

 

SAMSUNG

Als een mens gezond is, dan is het juiste ogenblik aangebroken om weer met volle teugen te genieten van het leven. En daar kan zo nu en dan ook eens een blogje over geschreven worden.

We gingen vorige zaterdag op bezoek bij een hele lieve vriendin die momenteel herstelt van een zware enkelbreuk. Het mens moest zo 6 weken stil zitten, en nu revalideren. En dat allemaal door nog snel even het gras te willen maaien.

Zij heeft enkele jaren terug een windhond laten afkomen van Spanje. Je weet wel, die beestjes die daar gebruikt worden voor races en vervolgens gedumpt worden. In het begin was het een schuw en mager diertje, maar intussen is hij helemaal in zijn sas en hij installeert zich graag onder de tafel bij het gezelschap.

We zaten dus aan tafel heerlijk te kletsen en te smullen van de lekkere kaasschotel, toen mijn neus ineens alarm sloeg.

‘Ofwel heeft hier iemand ene gelost, ofwel is dat de hond.’ zei ik.

‘Och,’ zei onze vriendin, ‘dat is inderdaad de hond. Ze doet dat wel meer… Tja, ’t is niet voor niets een windhond hé!’.

Men weze bij deze verwittigd: windhonden schaden de reukorganen!

En na die fijne avond waren er nog dagen zat om leuke dingen te doen want we kregen zomaar een lang weekend cadeau.

Wij dus een dagje Limburgs Holland. Hotelletje geboekt en wandelschoenen ingepakt.

Man, wat hebben ze daar mooie bossen! Ik waande me een beetje Alice in Wonderland toen we daar door liepen. En hoewel ze zeggen dat daar everzwijnen, eekhoorns, bevers, rare kikkers, slangen en ander tuig rondwaart, was het gelukkig niet onze bedoeling om die beestjes te ontdekken, want veel hebben we daar niet van gezien. Maar het bos op zich was voor ons meer dan genoeg. En Herman krijgt daar altijd gratis een lachbui bij omdat ik voortdurend mijn Noorden kwijt ben.

Echt jong, ik heb nul komma nul richtingsgevoel. Het is een talent dat mij niet gegeven is. Als ik een winkel binnenstap, dan sla ik bij het buitenkomen gegarandeerd de foute richting in. Hetzelfde met toiletten, ja zelfs na vijf keer naar de hotelkamer te zijn geweest slaagde ik er nog niet in om rechtaan rechtdoor naar de juiste deur te gaan.

Ik zit er niet mee. Ik heb andere gaven gekregen, denk ik dan. En als Herman te veel lacht, dan vraag ik hem waarom hij niet kan schilderen of piano spelen, want dat vind ik even raar.

Een mens moet zijn mondje weten te roeren in het leven.

Enfin, wij dus content met de wandeling en content met het hotelletje. Hoewel….

Bij de receptie kregen we daar een rits van instructies alsof we werden ingelijfd in het leger.

‘U mag vooral de sleutel niet op de binnenkant van de deur laten zitten, want dan moeten we het slot openbreken en dan krijgt u daar de kosten van aangerekend.’

‘Jawel, er is een balkon, maar wanneer u er beiden op gaat en u laat de deur dichtvallen, dan kan u er niet meer af. U kan dus maar beter apart op het balkon gaan.’

‘Ja, mevrouw, ik zal u meteen uitleg geven over de wandelingen, maar eerst nog even mijn instructies afmaken….’

Amai Gerard! Die is vast naar de kadettenschool geweest.

Nu was het wel een mooi hotel, mooie kamer, mooi restaurant, maar…..

De deur van het balkon leek geen probleem te zijn in verband met het dicht slagen, want uiteindelijk bleek die rotdeur zelfs niet te sluiten zodat het verdomd om te bevriezen was op die kamer.

En toen we ons installeerden in dat sfeervolle restaurant met de mooi gedekte tafels, viel ons oog op een wijnglas waar al uit gedronken was.

Geen probleem, we krijgen meteen een proper glas, vergezeld van excuses.

En dan zien we dat onze lievelingswijn aangeprezen staat. Dat is een meevaller. Bestellen dus. Even later komt dat meiske terug: ‘Die wijn is jammer genoeg niet meer in voorraad.’

En wachten, wachten, wachten op dat eten. Maar het was wel lekker.

‘Zullen we in de bar onze koffie nemen?’ Ja, goed idee. Maar we worden tegengehouden door een dame die zegt dat we eerst een handtekening moeten zetten. Dat is Herman zijn afdeling, dus ik ga alvast door naar de bar.

‘En? Klopte die rekening?’

‘Neen, ze hadden er al meteen koffie bij gezet. Maar dat hebben ze dus rechtgezet. Met excuses.’

Amai, amai, amai. Vier sterren hebben die mannen gekregen. Ik vroeg me af waarom. Maar nu weet ik het.

Toen we het hotel verlieten rekenden we af. Allez, ’t is te zeggen, zoals al aangestipt is dat Herman zijn afdeling.

‘En schat, klopte de rekening?’

Neen, ze hebben de koffie en de biertjes van de bar niet aangerekend, terwijl de ticketjes ervan wel degelijk aan de factuur vastgeniet waren.’

Daarom is dat daar vier sterren!

Maar ik ga er toch niet terug.

 

 

 

HET ZIEKENHUIS: VERLENGING WEGENS SUCCES – deel 5 en einde.

Het zit erop, mensen. Deze middag ga ik naar huis. Ik heb er een dubbel gevoel bij, want die rotpijn steekt soms nog met vlagen op en dan heb ik goesting om te vloeken en te roepen dat ze nu eens gvd goed moeten kijken wat er daar binnen verkeerd zit. Maar ik ben bij de nonnen opgevoed en ik heb geleerd mij te gedragen. Ik zal maar vertrouwen op de wetenschap en geduldig afwachten of die kanjers van pillen hun werk naar behoren doen.

Het is wel fijn om weer naar huis te kunnen. Bij mijne lieve Herman. En jammer genoeg niet bij Bo. Op die momenten is het toch altijd nog efkes slikken.

Maar allez, Annie, we gingen het hier plezant houden hé, en nu gaat ge hier beginnen chagrijnig doen gelijk een oud wijf. En dat terwijl er zoveel leuke dingen zijn.

Gisteren kwam mijn lieve schoondochter met onze twee kleinzoontjes op bezoek. Ze stormden op me af wanneer die deur open ging. Man, daar word ik zo week van.

En ik had snoepjes gehaald in het winkeltje. Ze installeerden zich allebei op mijn bed met hun snoepjes in de hand en dan maar kijken naar Nick Jr.

Stef, de jongste is nu twee en hij zit in een periode dat alles ‘van mij’ is. Ik zeg hem: ‘Oh, kijk wat een leuk hondje op TV’

‘Is van mij’, zegt hij heel serieus.

Ik zou ze opeten, mijn kleinkinderen.

 

Mijn nieuwe buurvrouw is echt wel een super tof mens. Maar ze heeft het behoorlijk moeilijk na het zware onderzoek van gisteren. Ik hoop voor haar dat het snel betert, want zij en haar man hebben blijkbaar al een serieus miserie-traject doorlopen.

Maar ik had nog wat vertelsels achter de hand over de vorige kamergenote.

Zoals ik al zei was het dametje bij wijlen flink verward. Maar ze was wel bij de pinken waar het om haar pillen of het eten ging. De TV kon ze niet aanzetten, maar het knopje van het belletje wist ze daarentegen heel goed staan.

En ook daar begon ik het ritueel goed te kennen.

Ze drukt op het belletje. Vervolgens stapt ze uit haar bed of zetel en gaat in het deurgat staan. En dan begint ze te roepen:

‘Menée’ …… ‘Menée’……’Menée’….. zodat de hele verdieping het kon horen.

Alsof alle verpleging hier mannelijk zou zijn. Of misschien had ze toch een minuscuul zwakje voor het mannelijk geslacht?

 

Als haar aanwezigheid dan al zijn kleine kantjes had, dan was er toch altijd de grappige kant die de dingen weer goed maakte.

Ik had met haar toch wel een issue als het om plassen ging.

Kijk, ik heb er niks op tegen dat mensen zuinig willen zijn, en je hoort wel meer dat mensen het verkwisting vinden om het toilet door te spoelen na een plas, maar ik heb het nooit een appetijtelijke zaak gevonden om te moeten plassen bovenop een oude plas. Ik spoel garantie door voordat ik aan de klus begin.

Mijn buurvrouwtje hoorde bij het type niet-sjassers. Soit, daar heb ik dus een remedie voor. Maar toen ik in de mot kreeg dat er ook nooit geen toiletpapier in die pot lag, dan viel mijn frank.

Nu snapte ik waarom de strenge schoondochter zei: ‘Ik heb uw vers ondergoed in de kast gelegd, maar ge moet er een beetje zuinig op zijn hé!’

Ik hoop dat mijn schoondochters mij nooit bevelen om zuinig te zijn op mijn onderbroeken. Ik vind het geen vrolijke gedachte.

Maar ik weet nog altijd niet goed wie nu oorzaak was van die penetrante urinegeur in onze kamer. Op een ochtend ontwaak ik en ruik ik verdorie een stank waar ik niet van hou, ondanks het feit dat het venster een ganse nacht had open gestaan.

Ik zie het dametje naar de badkamer gaan met een verse onderbroek, dus ik denk: ‘dat komt hier in orde’. En even later komt ze inderdaad naar buiten met een bolletje vuil onderbroek in haar vuist en steekt het in haar waszak.

Maar de stank blijft hangen…. en hangen….en hangen….

Verpleegster komt binnen: ‘Hebt ge u al gewassen, mevrouw?’

‘Wa zeide?’

‘Of dat ge u al gewassen hebt?’

idem, idem, idem, idem…

‘Joak, ben gewassen.’

Mijn beurt dus om de badkamer te bezetten. Zie ik een kurkdroge lavabo met kurkdroge washandjes.

Ik ben geen klikspaan, maar ik heb daar toch de eerste de beste verpleger aangesproken en gezegd dat ze dat menske eens een wasbeurt moesten geven volgens de definitie van wasbeurt.

En – behulpzaam als ze hier zijn – werd daar inderdaad gevolg aan gegeven.

En dan roefelt die verpleger in haar kast, en hij blijft maar roefelen.

‘Ze heeft hier blijkbaar geen proper onderbroeken meer’….

 

Schoondochter zal toch nog eens een wasmachientje moeten draaien, vrees ik, of investeren in een dozijn onderbroeken voor schoonma.

 

Lieve vrienden, ik kuis hier mijn schop af. ‘k Ben d’er mee weg. Ik zend jullie allen mijn welgemeende dank voor de support en zoveel warme vriendschap.

Ik beloof dat ik nog wel eens zal bloggen. En hopelijk ook eens zonder ziekenhuisverhalen.

God bless you. (en Amerika ook een beetje want die zullen het daar nodig hebben).

 

HET ZIEKENHUIS: VERLENGING WEGENS SUCCES – deel 4

Als ik de commentaren hier zo lees en hoor, dan zouden we met zijn allen massaal een gezamenlijke blog moeten schrijven over ziekenhuizen. Daar gebeuren echt wel grappige dingen, zo te zien.

Ze hebben hier intussen een nieuwe kamergenote binnengesmeten. Het is een raar fenomeen tussen de mensheid, maar waarschijnlijk hebben jullie dat ook wel dat je bij de eerste aanblik al voelt of het al dan niet klikt.

Hewel, het is een klikker, of hoe moet ik dat zeggen? Niet iemand die verklikt, maar iemand waarmee het klikt. Vraag me niet waarom. Ook al is mijn buik gehavend, hij vertelt me nog altijd de juiste dingen. Aan die kant nog altijd geen dementie te bespeuren. De rest laat ik in het midden.

Ze hebben haar al meteen afgevoerd voor een onderzoek onder narcose. Ik kan er dus nog niet veel over zeggen. Maar ik heb nog een paar bladzijden reserve over de vorige.

Maar eerst nog eens iets over die lift waarvan het gebruik me blijft fascineren. Hoe meer ik erop let, hoe meer mensen ik zie die op het foute knopje drukken. Ik zeg dan niets, maar geef gewoon een duw op het juiste knopje. Sommigen bekijken me dan heel verontwaardigd en ik zie ze denken dat ik degene ben die niet goed wijs is. Nu, dan staan we quite, want ik denk hetzelfde.

En die lift, dat is komiek, maar regelmatig haalt die ook eens spoken op. Dan stopt hij op de eerste verdieping. Geen ziel te bekennen en niemand stapt uit. Vervolgens stopt hij op de derde verdieping. Weer geen ziel te bespeuren en weer niemand die uitstapt. Dan zegt mijn logica dat er gewoon een spook is ingestapt op het eerste en er weer uit op het derde. Volgens mij lijkt het niet onmogelijk dat hier veel spoken rondwaren, echte en onechte. In mijn hoofd spookt het soms ook wanneer ik pijn voel die er niet mag zijn. Maar we gingen het plezant houden.

Mijn vorige kamergenote dus.

De eerste ochtend dat ik hier ontwaakte wist ik al direct hoe laat het was. Behalve de informatie dat ze doof was had ik nog niet echt kennis gemaakt, maar dat was rap verholpen.

Roept ze plots uit het niets:

‘Meugde nor uis?’

Ik schud neen alsof mijn hoofd er los op staat.

‘Meugde nog nie nor uis?’

Ik schud weer heftig neen.

Stilte.

Ik ga naar het toilet en kom terug.

‘Meugde na nor uis?’

Ik zal het hier niet helemaal vertellen, want anders zit ik al ras aan zeven bladzijden, maar ik heb hier dus tot treurens toe met mijn hoofd geschud.

 

‘Keiktegij nor thuis?’

Schudden, Annie.

‘Meugekik keike nor thuis?’

Ja schudden, Annie.

En dan staat die TV uren ervoor al op. Ze kijkt naar het nieuws. De verpleegster is de ondertiteling komen opzetten. Toen wist ik nog niet – en die verpleegster duidelijk ook niet – dat het menske niet kon lezen.

En dan valt ze in slaap en staat die TV aan.

Ik hoef niet op mijn tenen te lopen om haar niet wakker te maken. Het heeft ook zo zijn positieve kanten, dat mag gezegd. En zo neem ik stiekem dat bakje en zet de TV uit.

Een half uur later wordt ze wakker.

‘Den televies is uit’

Ik knik heftig ja en wijs me schuldig op de borst.

‘Hedde gij den televies uit gedoan?’

Schuldig.

‘Ja, maar ge waart in ’t slaap gevallen’ en ik leg mijn hoofd schuin op mijn twee handen. Je weet wel, het universele gebaar voor slapen.

‘Neje, ik sloap nie’

Jawel.

‘Zettegij den televies weer oan?’

Neen. Ik wijs op mijn horloge. ’t Is tijd om te slapen.

‘Zette gij mijnen televies oan?’

Neen schudden.

‘Den televies es uit’

Op den duur deed ik of ik het niet meer hoorde. Dan stond ze op en ging ze in de deur staan, op wacht naar verpleging. Maar die kwam niet opdagen. Uiteindelijk zag ik ze bokkig in haar bed kruipen en na een seconde sliep ze alweer.

Volgende dag komt schoondochter op bezoek. Zo’n madam met kl… aan haar lijf. Het was al meteen duidelijk dat zij de plak zwaaide waar ze zich ook maar bevond.

Buurvrouw bekijkt haar niet.

‘Hewel’ zegt de schoondochter, ‘uuk ne goeiendag, hé!’ en dan tegen mij: ‘ge komt hier binnen en dan bekijkt ze u nog niet.’

Maar blijkbaar waren dat de normale geplogenheden in die relatie, want na een tijdje begonnen zij min of meer te converseren. Daar stond ik van versteld en zij het haar: ‘Amai zeg, gij verstaat haar wel goed hé.’

‘Ja maar dat komt omdat ze weet dat ze tegen mij geen komedie moet spelen. Ik ben een strenge, zulle.’

Ja, dat had ik al in de mot.

En dan ging hun conversatie – zij het wel met wat haken en knopen – verder. Ik verstond geen moer van wat mijn buurvrouw zat te roepen met haar nasale stem, maar plots wendde de schoondochter zich tot mij:

‘Hebt gij gisteren haren TV uitgezet.’

Ik pleit schuldig.

‘Ha’, zegt ze, ‘daarom is ze kwaad op u. Maar dat gaat direct over, zulle.’

Kijk, op zo’n momenten dan voel ik me dus echt een slecht mens. Ik ben nooit meer aan haar TV gekomen. Al moet ik wel bekennen dat ik gevraagd heb aan de verpleging om het geluid af te zetten met de melding: ‘ze hoort er toch geen fluit van’.  Wat inderdaad het geval was.

Wordt vervolgd….

 

HET ZIEKENHUIS: VERLENGING WEGENS SUCCES – deel 3

Ik heb het al eens eerder gezegd: geen Yin zonder Yang. Ze hebben mij gisteren ontkoppeld van de slangetjes. De prijs die ik ervoor moet betalen zijn twee maal twee dikke kanjers van pillen die ik door mijn strot moet wringen, maar dat heb ik er graag voor over.

Man, man, wat voelt het toch heerlijk. Toch zot dat een mens daar in zijn dagelijkse leven nooit bij stil staat. Of heb ik het mis? Staan jullie elke dag op met de blije gedachte dat je niet aan de slangetjes hangt? Ik in elk geval niet. Maar dat begint toch stilaan te veranderen tussen mijn oren.

Het was dus een heerlijke nacht zonder hinder van plastieken buisjes, en – niet te vergeten – zonder buurvrouw. Maar ’t is wel stillekes zo alleen in een kamer. Al was er natuurlijk niet veel conversatie, maar als ze iets zei, dan kon je het aan de andere kant van het ziekenhuis horen.

Zo had ze de gewoonte om al een half uur voor het ontbijt, een half uur voor het middageten, een half uur voor de koffie, enz.. aan haar tafeltje te gaan zitten wachten. Gewoon wachten. Niks meer.

En op de duur kon ik het voorspellen: wanneer ze haar eten kreeg voorgeschoteld, dan stond ze na een paar tellen op en liep ze naar de deur waar ze weer gewoon bleef staan wachten tot de eerste de beste mens met een witte schort passeerde. En dan – ik kon het op den duur met haar in koor zeggen, maar dat heb ik uiteraard niet gedaan – riep ze met die nazale schriepende stem: ‘Mein pèllenn!’

En dan sta je toch te kijken van het geduld van de verpleging hier!

‘Ze zijn er mee op komst, met uw pillen’

Madammeke blijft hem of haar wezenloos aankijken en herhaalt: ‘Mein pèllen!’

‘Ja, mijn collega is er mee onderweg. Ge krijgt ze subiet. Eet maar.’

Stilte. Kijken…. ‘Mein pèllen!’

En dan nog maar eens harder: ‘Subiet! Nog efkes wachten!’

‘Ah ja’. En dan keerde ze zich om en ging aan het eten.

Och weet je, op den duur dan begint dat bij het ritueel te horen en zou je het bijna gaan missen als ze het niet zou doen.

Maar die keer dat er voor haar een onderzoek stond gepland waarbij ze nuchter moest blijven, dan was het goed mis.

Ze zat alweer een halfuur te vroeg aan haar tafel, en dan brengen ze mijn ontbijt binnen, maar het hare niet. Eerst reageert ze niet, maar dan plots zegt ze: ‘hèn kik al geete?’

Weet je, ik had er de dood van op mijn lijf dat ze mij een vraag stelde. Niet dat mensen mij geen vragen mogen stellen, maar het was toch altijd zo een kalvarieberg om een antwoord in haar hoofd te persen.

‘Neen, ge hebt nog niet gegeten, maar ge moet nuchter blijven voor een onderzoek.’

Terwijl ik het zei wist ik dat ik niet moest hopen dat ze daar een woord van verstaan had. Maar terwijl ik daar al mijn krachten aan het bundelen was kwam een verpleger binnen aan wie ze het nog eens vroeg: ‘Meukik nie eten?’

Ik hoef het hier niet te schrijven, je weet al hoe die verpleger zijn best deed om de zaken klaar te krijgen.

Oef. Ze heeft het begrepen. Stilte. De verpleger vertrekt en twee minuten later staat ze op en gaat ze aan de deur staan wachten tot er weer iemand voorbij komt en roept dan:

‘Main pèllen!’

Kijk, op die momenten begin ik hier dan te schokken van het lachen. Ik kan het echt niet helpen. Dat heeft niks te maken met respect, zulle, dat is gewoon zuiver en oprecht lachen zonder de miserie van anderen te willen minimaliseren.

’t Zal je maar overkomen om doof te zijn en op de koop toe niet kunnen lezen of schrijven. Dan wordt de muur rondom je heen wel erg hoog. En het gaat ook om hele simpele dingen.

Hier in Hotel Sint-Lucas komt een hele lieve mevrouw elke ochtend langs om te vragen of het dagmenu van de volgende dag je wel bevalt en kijkt ze samen waar er wijzigingen moeten gebeuren. ‘En er is gelei voorzien, maar als je liever een confituurke wilt, dan moet ge het zeggen hé’.

Ja, geef me dan maar een confituurke.

‘En hebt ge graag nog een yorhurtje of liever een platte kaasje of een vlaatje?’

Neen, de yoghurt komt mijn oren uit. Ik àdem yoghurt tegenwoordig.

Ik schaam me dood met zoveel jol onder mijn gat, maar ik maak er wel heel dankbaar gebruik van. Het geeft het leven hier wat kleur, en ik betrap er mij op dat ik gelijk de oude mensen (ge pijst toch niet dat ge nog jong zijt hé Annie!)  soms uitkijk naar het avondeten. En daar moet ge hier niet lang op wachten, want dat is er al om 17u. Gevolg is dat je tegen 20u alweer honger hebt natuurlijk. Maar ook daar passen ze hier een mouw aan. Geen enkele vraag is te veel.

Maar aan mijn buurvrouwke vroegen ze niet wat ze wilde eten. Geen beginnen aan. Dat versta ik honderd percent want ik geloof dat die dame er een dagtaak aan zou overhouden, en een hese stem er bovenop.

 

Wordt vervolgd….

 

HET ZIEKENHUIS: VERLENGING WEGENS SUCCES – deel 2

Het goede nieuws is dat ik zin heb in een glas wijn. En dat betekent dat ik echt wel aan de beterhand ben.

Het slechte nieuws is dat ik zin heb in een glas wijn. En dat betekent dat ik me afvraag of ik zo stilaan niet te veel verknocht begin te raken aan dat spul.

Maar voorlopig moet ik er nog een flinke tijd afblijven, want in combinatie met de zware antibiotica die ze hier in mijn aders pompen is dat niet OK. En uit ervaring weet ik dat ze me bij het naar huis gaan een ander soort antibiotica of dergelijks zullen meegeven waarvan algemeen geweten is dat je er kotsmisselijk van wordt als je nog maar naar een glas alcohol durft kijken. Zet het dus maar uit je hoofd, Annie.

Gelukkig is er genoeg animatie rondom om een mens zijn gedachten te verzetten. En het is bovendien leerrijk. Ik versta elke dag meer en meer van dat plat Gents.

Drie rokende oude mannen die ter plekke aan het kennismaken waren haalden gezamenlijke herinneringen op aan de merken sigaretten die ze ooit hadden gerookt. Aan de mij onbekende namen te horen moeten die gasten héél oud geweest zijn. Nu, ’t was er eigenlijk ook wel een beetje aan te zien.

En aangezien de sigaretten alsmaar duurder worden ging het gesprek in hun sappige taaltje al snel over op de kommer en kwel van de levensduurte. Zegt die ene:

‘Oazzekik de facteur zien koume, dan tert ik het an. Dan peizek in mijn eigen, kzal vandenoavond wel es keike.

Dat is ook een manier om de realiteit te benaderen natuurlijk. Ieder zijn eigen gebruiksaanwijzing, denk ik dan.

 

Mijn buurvrouwke is net opgehaald door haar zoon en schoondochter om naar huis te gaan.

Zoals je weet heb ik nogal wat kamergenotes versleten, maar deze heeft toch echt wel de trofee gewonnen.

Ik werd zaterdag om 2 uur ’s nachts in mijn kamer gereden. Vensterkant. Dus passeerden we langs een slapende oudere dame. Ik fluisterde nog één of andere vraag aan de verpleging, en die antwoordde behoorlijk luid:

‘Ge moet niet stil zijn, dat madammeke is zo doof als een pot.’

Op dat moment stond mijn hoofd er niet naar om daar lang blijven bij stil te staan, maar wanneer ik de volgende dag weer bij zinnen was maakte ik me de bedenking dat ik met haar wel kon converseren via het geschreven woord.

Ja, vergeet het.

Madammeke was analfabeet. En verward, verward, verward!

Kijk, ik denk dat ik een redelijk verdraagzaam mens ben, maar ik moet toegeven dat ik me nu en dan toch wel eens heb geërgerd. Misschien dat een mens al wat meer sjikaneurig wordt als hij niet goed is. Ik hoop dat het daaraan ligt.

Maar ik heb toch ook gelachen, echt vree gelachen.

Madammeke hoorde dus geen fluit, maar elke ochtend stak ze garantie haar twee hoorapparaten in. Niet dat het een moer hielp, maar het zal haar een goed gevoel gegeven hebben, veronderstel ik.

Probleem was dat ze die dingen niet kon regelen en soms begon het daar te fluiten dat je er zelf doof van zou worden. En dan begon dat ritueel waar je een toneel zou kunnen over schrijven.

Ik doe haar teken door naar mijn eigen oor te wijzen en een lelijke smoel te trekken zodat ze zou begrijpen dat het ding lawaai maakt. Dat heeft ze redelijk rap door, dus ze haalt het spul van haar oor, morrelt eraan zodat het ding plots op alle toonaarden begint te piepen, te fluiten en te zingen, en dan steekt ze het weer in.

Dan kijkt ze me met een brede smile aan en roept met een schelle, nasale stem: ‘Est gedoan?’

Wanneer ik neen schud met mijn hoofd moet ze eerst haar bril opzetten, want ze kan niet zien wat ik doe. En die bril moest ze uiteraard afzetten om aan haar hoorapparaat te kunnen.

Ik schud nog eens heftig neen.

En avant la musique. Dan beginnen we maar weer van voor af aan: bril af, hoorapparaat uit, morrelen en fluiten, piepen….aiaiai mijn oren… en dan weer: ‘Est noa gedoan?’

Neen. Bril opzetten, kijken naar mijn schuddend hoofd…

Na een paar herhalingen van hetzelfde heb ik op mijn belletje gedrukt. Ge weet dat ik geen beller ben, maar er zijn toch limieten hé.

Het leuke was dat die verpleger meteen zei: ‘ik ken daar ook niks van. Dat is de eerste keer dat ik zoiets in mijn handen heb’. Kunt ge het hem kwalijk nemen? Die mensen moeten echt wel voor vanalles inspringen, zelfs voor het afstellen van hoorapparaten. Er zijn inderdaad limieten.

Maar het is hem gelukt. En ik veronderstel dat die verpleging zich altijd respectvol moet gedragen, maar ik zag dat hij alle moeite had om het niet uit te proesten. Zijn glimlach stond op barsten.

 

HET ZIEKENHUIS: VERLENGING WEGENS SUCCES – deel 1

Op algemene vraag zet ik me nog eens aan het bloggen, want hoe gek het ook moge zijn, mensen leggen het nieuws van mijn opname blijkbaar meteen in verband met een blog. Wat niet onlogisch is natuurlijk. En dat is ook wel een beetje leuk want dat betekent dat mijn onzin wel gelezen wordt.

Vandaag dag vijf en eindelijk begint die kl..pijn wat op de achtergrond te verdwijnen en ik voel al direct hoe mijn vat energie weer wordt bijgetankt. ’t Is nog gene ‘plain’, maar dat komt nog wel. In elk geval is er genoeg fuel om wat te schrijven.

En ja, hier zijn we weer. Voor de derde keer. Laat ons zeggen dat ik mijn abonnement heb verlengd. En er komt nog een staartje aan, hebben ze me gezegd want na een herstelperiode (en nog een reisje tussendoor) zal het mes er aan te pas moeten komen. Ze willen een stuk uit mijn beenhouwerij halen omdat het daar altijd ontsteekt. Niet dat ik daar vrolijk van word. Maar als ik daarmee eindelijk van dat abonnement af geraak, dan moet dat maar.

En eerlijk, als ik dan de verhalen hoor rondom mij van mensen met hersenbloedingen, kanker, kleine zieke kindjes…. dan vind ik dat ik niet het recht heb om te zaniken en ik zal proberen om dat ook niet te doen.

Het voordeel van herhaaldelijk voor dezelfde kwaal in het ziekenhuis betekent dat je op dezelfde afdeling terecht komt waar dokters en verpleging je kennen. Het voelt bijna een beetje als thuis komen. Al geloof ik nu zelf niet wat ik hier zit te schrijven.  Ik wil naar huis en het liefst zo snel mogelijk.

Maar het blijft een feit dat de verpleging hier super vriendelijk en super gedienstig is. Volgens mij zijn ze hier vriendelijker en hulpvaardiger dan de vroegere nonnen die scholen en ziekenhuizen bestierden. Die konden best wel chagrijnig zijn in al hun vroomheid, en ik kan het weten want ik ben er bij opgevoed in de kostschool en ik ben er drie keer bij bevallen.

Nu ben ik zelf niet zo’n ‘beller’. Maar ik zie dat die mensen hier van hot naar her lopen voor de gekste vragen van patiënten.

‘Ik kan mijnen TV niet aandoen’, of  ‘ik heb koude handen’, of ‘ik heb geen onderbroeken meer’ zijn zo een paar voorbeelden.

Maar soms kunnen die verpleegsters bijna je gedachten lezen. Zo legde een verpleegster een paar boterhammen in mijn koelkastje omdat ik ’s avonds wel eens een hongertje heb. Mijn hart maakte een sprongetje toen ik die koelkast open trok. Het geluk zit in een klein hoekje. En het wordt vooral gemaakt door de mensen om ons heen.

En nu wordt het tijd dat ik nog eens iets vertel over de rariteiten des werelds die hier in het ziekenhuis worden bijeen gebracht.

Zoals iedereen weet hoor ik bij degenen die zelfs op hun sterfbed nog een saffie zouden opsteken, dus het zal je niet verbazen dat ik met of zonder pijn en met of zonder slangetjes toch altijd  de weg weet te vinden naar de rookruimte. Dat is bovendien ‘the place to be’ als je iets wil horen of beleven. Zeg nu zelf, het leven zou saai zijn zonder rookruimtes.

Herman was bij me toen we de lift terug naar boven wilden nemen. Er stond een jonge blonde vrouw te wachten die iemand in een rolstoel bij zich had. Ik zag dat ze op het pijltje naar beneden had gedrukt, dus zei mijn logica dat die mensen naar -1 moesten. Ik druk dus op het pijltje naar boven want ik ben gehuisvest op het vierde verdiep.

De lift stopt en ik vraag aan die dame: ‘jullie gaan zeker eerst naar beneden?’

Neen hoor, zegt ze, wij moeten naar boven!

Ha, maar je had wel op het knopje naar beneden gedrukt.

Ja, zegt ze met haar neusje in de lucht, dat moet zo als je wil dat de lift naar beneden komt. Vroeger duwde ik altijd op allebei de knopjes, zowel naar boven als naar beneden, maar een verpleegster heeft me eens gezegd dat het zo niet hoort.

Nadat ze uitgestapt was op het eerste verdiep keken Herman en ik mekaar lachend aan en zeiden synchroon: ‘dom blondje’. Met een grote sorry naar alle blonde dames. We doelden veeleer op de grappen die erover gaan.

Het vierde verdiep is het hoogste. Daar staat dus enkel een knopje met een pijltje naar beneden.

Kijk, zegt Herman, hier kan je nooit de lift naar boven halen!

Weet je, het rare is dat ik er de volgende keren ben gaan op letten en blijkbaar zijn er wel meer mensen die op het foute knopje drukken. Ik vraag me alleen af hoe die mensen nu in godsnaam kunnen weten of die lift naar boven of naar beneden moet komen. Ze kunnen toch niet zien waar die zich in die koker bevindt?

Ik heb er nooit bij stilgestaan dat niet iedereen dezelfde logica heeft, maar het voorval heeft me geïnspireerd om verder te kijken. Zo vraag ik me nu bijvoorbeeld af of de mensen die aan de ingang van de rookruimte blijven staan om te roken misschien denken dat ze daar moeten staan omdat daar ook het plaatje met de sigaret hangt.

Ik blijf het in het oog houden.

Wordt vervolgd……

HET ZIEKENHUIS: EEN AVONTUUR – deel 10 Einde.

SAMSUNG

Zelfs de politiek bleef niet ongemoeid in de apenkooi. En nu moet ik zeggen dat ik daar toch een schoon staalke van moraalpreek heb gehoord dat ik wel kon appreciëren.

Er zaten daar twee mensen waarvan de ene zeker een Turk was, en de andere was minder gedefinieerd, maar hij sprak evengoed dat taaltje waar ik niks van begrijp. In elk geval schakelden die mannen over op het Nederlands, en dat maakte het voor mij al een stuk minder saai.

De Turk poneerde dat hij Erdogan erg wist te appreciëren want die man had veel goede dingen gedaan in zijn land. De ongedefinieerde was het daar niet mee eens. Heel bedaard, maar overtuigend zei hij tot zijn vriend:

– ‘Jij woont in Gent. Je leeft in onze gemeenschap, onze gemeenschap geeft jou elke maand geld en je krijgt hier de beste zorgen die je maar kunt wensen. Dat heb je nu genoeg ondervonden. Dan is het maar normaal dat je loyaal bent aan deze gemeenschap. En Erdogan kan in zijn land doen wat hij wil, maar hij moet onze regels hier niet met de voeten komen treden en oproer zaaien tussen de mensen die hier leven en waar wij voor zorgen.’

De Turk liet het bezinken en knikte.

– Ja, dat is waar.’ zei hij.

Kijk, dat vind ik nu schoon zie, dat mensen hun ei leggen waar het hoort.

En – om een beetje in de politieke sfeer te blijven – ik heb me daar dikwijls afgevraagd of terroristen niet op andere gedachten zouden komen mochten ze zo een weekje flink ziek in het ziekenhuis belanden. Een mens heeft in die omstandigheden vaak niet veel overtuigingskracht nodig om anders beginnen te denken.

Net zoals de meeste mensen noem ik mezelf geen racist. Hoewel – ik geef het toe – mijn buik wel eens een andere mening geeft wanneer ik het gedrag van sommigen zie. Zouden die zich daar echt niet van bewust zijn?

Zo kon je er donder op zeggen dat – wanneer er zo een groep vreemdelingen in of rond de apenkooi zat – er sigaretten werden gebietst. Niet ééntje, maar vele.

Het kan een Belg ook overkomen om eens zonder te zitten, en soms zal die ook wel eens nederig een saffie afbedelen, maar dat is eerder uitzonderlijk.

En luidruchtig dat die mensen zijn. Om te beginnen voegen ze zich meestal in zwermen samen, en dan moet er ook altijd geroepen worden. Waarom weet ik niet. Zitten doen ze liefst op de leuningen van de banken met hun voeten op het zitgedeelte. En peuken gooien ze bij voorkeur op de grond in plaats van in de asbak.

Ik begrijp daar dus niks van. Ik kan me ook niet voorstellen dat ze dat doen om hun wereld te koeioneren. Maar kunnen we hen dan bij aankomst niet gewoon eens uitleggen wat hier de geplogenheden zijn? Of klinkt dat te naïef?

’t Is waar eigenlijk. Want als je zou zeggen dat ze zo niet in zwermen moeten klitten, of dat ze wat minder luid moeten roepen (en al zeker niet in een ziekenhuis) of hun peuken niet op de grond gooien als er een asbak staat, dan hebben ze alle reden om ons te wijzen op de vele Belgen die hetzelfde doen.

Laat ons zeggen dat ik racist ben tegenover alle mensen van gelijk welk ras of kleur die zich niet weten te gedragen. Is dat toegelaten of kan ik daarvoor ook een boete krijgen?

Enfin, ik heb me ginder niet geroepen gevoeld om daar verandering in te brengen, dat geef ik toe.

Maar ter compensatie heb ik nu en dan wel eens mijn rugzak bovengehaald om de een of de ander een duwke in de juiste richting te geven. Zo ook dat jonge moedertje wiens baby van 7 maanden opgenomen was omdat ze een trauma had opgelopen en niet meer durfde eten. Ze stond daar huilend haar verhaal te doen dat ze gezegd hadden dat de kleine en zei evengoed naar een psychiater moest gaan. Moest ik wel eens om lachen. Baby van 7 maanden bij psychiater?

Schrijnender was de verpleegster die het kind met geweld een fles in de mond duwde en zei: – ‘ze zal bij mij wel eten, want ze weet nog niet met wie ze te doen heeft’.

Een mens krijgt daar zeer van aan zijn hart als hij zulke verhalen hoort.

De meeste verpleegsters zijn engelen, maar hier en daar zit er ook een duvelke tussen.

Zo vertelde een dame me dat ze de verpleging vroeg om te helpen bij het uittrekken van haar steunkousen. Zei die verpleegster:

– ‘Doe dat maar zelf, ge hebt toch niks anders te doen.’

Ach, het zijn uitzonderingen, dus laat ons maar focussen op de goede dingen die daar gebeuren.

En zo heb ik ontdekt dat er ook les wordt gegeven, zei het wel in dubieuze praktijken.

Ik hoorde daar een gast vertellen dat zijn kameraad lege vuilniszakken in brand stak om er vervolgens de giftige dampen van in te ademen om high te worden. Dat was nieuw voor mij. Niet dat ik van plan ben om zoiets te proberen. Ik heb genoeg aan mijn sigaret.

Het ziekenhuis, het is een wereld apart. En ik weet dat ik nog eens terug moet voor een paar onderzoeken, maar daarna hoop ik dat het afgelopen is. Het is boeiend geweest, maar het is er toch niet mijn biotoop.

Ik ben dankbaar dat ziekenhuizen bestaan, en ik ben dankbaar om ons systeem van gezondheidszorg. Men weze verwittigd: bij mij moet ge niet komen zagen over de belastingen die we te veel betalen.

En ik ben dankbaar voor de vriendelijke en professionele equipe die mijn lijf en leden weer tot de levenden hebben gewekt.

Maar vooral ben ik dankbaar voor die welhaast honderd berichtjes en telefoontjes van vrienden met wensen voor beterschap. Het heeft duidelijk geholpen.

En mocht je zelf ooit in het ziekenhuis belanden, probeer dan ook eens naar die boeiende wereld te kijken. Het verzacht de pijn en de zinnen.

Blij dat ik weer thuis ben in ons warme nest.

EINDE

 

HET ZIEKENHUIS: EEN AVONTUUR – deel 9

Geen Yin zonder Yang. Ik sta deze dagen goedgeluimd en dankbaar op, ’t mag pijpenstelen regenen, maar ik ben gelukkig want ik voel elke dag weer meer energie opborrelen. En dan weet ik dat mijn ouwe ‘ik’ weer stilaan tot leven komt.

Mensen die hier in begeleiding kwamen zeiden me vaak dat ik zo’n uitzonderlijk rustig persoon was. Die wisten niet dat ze me in mijn jongere jaren ooit ‘Annie TGV’ noemden. En die rust, dat is niet moeilijk, hoor. Mij kunt ge onvoorstelbaar stil houden als iets mij boeit, en zeg nu zelf: wat is er boeiender dan een mens? Want hoewel we erg op elkaar gelijken, zijn we allemaal bijzonder verschillend. Neen, niet zomaar een beetje verschillend, écht anders. En dat is zo mooi. Net alsof je een vlinderboom vol vlinders ziet en daar zit geen enkele dezelfde tussen. Prachtig toch!

En ik durf hier zonder blozen te beweren dat ik niet op zoek ga naar het kwade in de mens. Ik zie hoogstens onvolmaaktheden, en het is zo mooi wanneer mensen die zelf zien en daaraan willen werken.

Maar soms zijn er ook dingen die mij wel eens verontrusten.

Zo zat ik weer eens in die ‘apenkooi’, waar een groepje jongere mensen vertoefde die ik er al eens eerder had gezien. Jonge mensen zijn wat luidruchtiger, maar daar zijn ze jonge mensen voor. Wanneer mature mensen dat beginnen te doen, dan trek ik wel eens mijn wenkbrauwen.

Ik installeer me en schik mijn uitlopers zodat ik er niet in verward geraak bij het roken. En dan geboeid mee luisteren naar hun conversatie:

– ‘Maar neen, wat weet gij daar nu van’ zei het blonde meisje tegen een jongen ‘de ramadam, dat is helemaal geen vasten.’

– ‘Ik vind het moeilijkste aan die periode het niet eten en niet roken’ zei een jongen.

Ik keek nog eens goed om te zien of ik het wel juist had gezien. Neen, dit waren geen mensen met een kleurke, dit waren rasechte jonge Belgen. Nu heb ik in mijn praktijk ook ooit wel eens een Belg gehad die moslim was geworden, maar dat snapte ik, want die was in zo’n buurt opgegroeid en was ook met een moslima getrouwd. Maar ik had nog nooit zo’n zwerm gezien. Ofwel ben ik een beetje wereldvreemd aan het worden op mijn leeftijd. Maar ik geef eerlijk toe dat het me toch een beetje verontrust.

En nog meer wanneer dat meisje begon mee te zingen met liedjes op haar ipod in dat taaltje dat zeker niet haar moedertaal was. Het mag dan wel boeiend zijn om die mensen bezig te zien, maar ik moet toegeven dat ik dat toch liever niet zou zien.

Geef mij dan maar die jonge deerne die ook graag zong en die iedereen wilde laten meegenieten. Al begon het op de duur wel een beetje pijn aan mijn oren te doen. En blijkbaar was ik niet de enige. Er was een oudere vrouw die zei:

– ‘Het zou wel mooi zijn moest ge zo hees niet zijn.’

– ‘Maar dat is helemaal niet hees.’ zei het meisje zonder verpinken, en ze zette haar gekweel vrolijk verder en gaf nog wat meer gas bij zodat het meer op roepen dan op zingen begon te gelijken.

En ook iemand van haar clubje moet een opmerkingen gegeven hebben, want toen zei ze:

– ‘Ik volg zangles, hoort ge dat dan niet?’

Neen, eerlijk, ik kon het niet horen. En ik vrees dat die zangleraar er nog veel werk zal aan hebben. Maar dat is goed, dat houdt de economie in stand.

De apenkooi, het was er minstens even boeiend als binnen in het gebouw.

Zo belandde ik eens midden in een discussie over de koopwoede van vrouwen. Kijk, ik maak daar geen geheim van, ik ben niet anders dan een gemiddelde vrouw. De meeste vrouwen zijn allemaal verhangen aan kleren. En sommige vrouwen focussen zich daarnaast op handtassen of op sjaaltjes. Bij mij zijn dat schoenen. En dat schikt, want mijn vriendin, die heeft dezelfde afwijking. Wij gaan wel eens samen shoppen en dan spreken we af dat we elkaar zullen afhouden van de etalages van schoenwinkels. Maar ge gelooft toch niet dat twee verhangen vrouwen dan effectief ook de daad bij het woord gaan voeren, zeker?

En nu hebben wij gelukkig allebei een echtgenoot wie het niets kan schelen hoeveel paar schoenen wij verzamelen, maar die ene keer, dan zei mijn vriendin toch:

‘Dees paar ga ‘k nu toch naar binnen smokkelen, zie’. Niet dat hij het niet mocht weten, maar er zijn grenzen aan iemand zijn schaamteloosheid.

Nu zijn dat dingen die ik niet vertel wanneer ik midden in zo’n discussie beland. Ik beperk me wijselijk tot geboeide luisteraar die nu en dan eens glimlacht of humt.

Maar er was wel een andere dame die zich met volle kracht in de verdediging duwde door te vertellen over haar man, zijn ziel ruste al verschillende jaren in vrede, maar je zag dat ze zich in gedachten nog altijd ergerde aan zijn gewoonte om dassen te vergaren. Bleek dat die een hele bonte verzameling had. Maar dat was niet de clou van het verhaal.

– ‘En te zeggen dat hij tot het einde van zijn dagen nooit geleerd heeft om een das te knopen!’ zei ze. ‘Hij koos elke ochtend zorgvuldig een das uit en dan nam hij die mee naar het werk om zijn collega te vragen hem te knopen.’

Neen, je denkt hetzelfde als ik, maar die man liet de knopen er nooit inzitten. Elke avond haalde hij de knoop eruit om het gedragen exemplaar weer mooi naast de andere tussen het rijtje te hangen.

Och ja. We hebben allemaal recht op onze eigen afwijking. Ik heb daar geen probleem mee.

 

(wordt vervolgd….)

 

 

HET ZIEKENHUIS: EEN AVONTUUR – deel 8

Drie dagen niet kunnen roken in dat ziekenhuis. Ik dacht er zelfs niet aan. Had andere prioriteiten op dat moment. Perfecte start voor een rookstop. Neen hoor, ons Annie gaat weer van voor af aan leren hoe je die slechte smaak kan overwinnen. En ’t is gelukt. Zeg nu zelf dat rokers geen doorzettingsvermogen hebben?!

Ik weet het, ik ben geen voorbeeld. Maar ik blijf erbij dat ik dank zij het roken veel interessante gesprekken heb gevoerd en opgevangen. Geen enkele plaats geeft je meer informatie dan het rookkot.

En mijn pa – die nu 91 is en het kan weten want heel zijn leven een fervent pijproker – die ik opbelde toen ik net mijn eerste sigaret weer had opgestoken, zei:

– ‘Dat is een goed teken dat ge kunt roken. Dan zijt ge op de goede weg!’

Ik heb niet meer aanmoediging nodig dan dat en dan ga ik ervoor.

Zoals je al kunt indenken: ik dus regelmatig naar beneden. Zo ook die nacht dat ik weeral eens niet kon slapen. Ik ging naar de nachtverpleegster om te horen of dat wel een optie was, en die zei:

– ‘Maar natuurlijk, er zijn er velen die dat doen.’

Ik dus om drie uur ’s nachts naar buiten. Geen probleem. De draaideur staat wel stil, maar er is een schuifdeur die automatisch opengaat. Gerustgesteld zet ik mij in donkere eenzaamheid in dat getraliede rookkot dat er een beetje uitziet als een apenkooi en het ook bij wijlen wel een beetje is. Voldaan zet ik weer richting bed in, maar wat blijkt? Inderdaad, die automatische deur laat je wel buiten, maar niet binnen. Stond ik daar in mijn pyjama te blinken midden in de nacht.

Oef, opluchting, hier hangt een bel. Zouden ze mij horen? Jawel, meneer de nachtwaker zet de draaideur aan en de prinses in nachtgewaad kan binnentreden.

Stel je voor dat je daar een hele nacht voor die deur moet staan wachten tot de vogels beginnen te fluiten. Dat wil je toch niet meemaken.

Het was dus veiliger om overdag eens in die kooi de aap te gaan uithangen. Neen, neen, ik heb me daar echt wel gedragen zoals het hoort. Het leuke was dat je dat van anderen niet altijd kon zeggen, en dat heeft me uiteraard weer stof opgeleverd om jullie dooie momenten mee op te vullen.

Ze stonden hierboven een beetje aan mijn kant, want het heeft mijn hele opnametijd geregend. Ik heb dus geen zon moeten missen. En toen er weer eens zo’n plensbui naar beneden viel, dan hoorde ik daar eentje in de gietende regen uit volle borst zingen: ‘I’m singing in the rain…’ Drijfnat. En echt, hij zag er voor de rest nochtans helemaal niet kierewiet uit. Zeg nu zelf, daar wordt een mens toch vrolijk van.

Er waren daar een paar ‘habitués’ in dat rookkot die ik – laat ons zeggen – minstens een beetje speciaal vond. Tot ik hen hoorde vertellen over een sleutel. Toen werd het duidelijk. Iemand zei dat de poetsvrouw per ongeluk de sleutel op de deur had laten zitten en dat werd gezegd alsof het een vreselijke doodzonde was. Maar naarmate het verhaal vorderde begon het me te dagen. Die mannen zaten in psychiatrie en daar mag je niet zomaar in en uit. Blijkbaar zit iedereen daar de eerste drie dagen honkvast. Daarom hebben ze per uitzondering ook een rookruimte op de afdeling. Luxe. Maar blijkbaar vonden ze het toch veel fijner om beneden in het apenkot te roken, en dat was een privilege, want niet iedereen van de afdeling mocht dat. Maar ik was blij dat ik stiekem mocht meeluisteren naar hun sappige taaltje, al moet ik toegeven dat ik dat plat Gents niet altijd goed kon verstaan. Ik heb stukken moeten missen. Maar het was wel grappig wanneer ze hun psychische kwalen begonnen op te noemen tegen elkaar in dat taaltje. Het leek wel of je een trofee kreeg als je de raarste etiketten op je hoofd had gekregen.

Het deed me denken aan mijn moeder. Zij groeide op in een boerengezin met zeven kinderen en één van de broers moet blijkbaar graag een pint gedronken hebben. Mijn moeder zei dat de dokter voor hem was moeten komen – een heel evenement in die tijd – en dat haar broer een ‘trilium tremels’ had. Als kind wist ik niet beter dan dat dit de juiste benaming was, tot ik er achter kwam dat het ging om een ‘Delerium Tremens’. Ach, het is allemaal niet zo belangrijk. Iedereen doet zijn best om zich verstaanbaar te maken.

Ik was niet alleen een nachtelijke bezoeker van dat plekje, maar ik was er ’s morgens ook behoorlijk vroeg bij. Vaak kwamen verpleegsters of andere medewerkers nog gauw eentje roken voordat ze aan hun shift begonnen.

Zo zat er op een ochtend ook een jonge vrouw en ik vroeg haar:

– ‘Nog eentje voor je begint?’

– ‘Neen, eentje voor het naar huis gaan. Ik ben met de brommer.’

– ‘O nachtverpleegster? Op welke dienst?’

– ‘Oncologie’

– ‘Allez jong, en nog niet overtuigd om te stoppen met roken?’

– ”t Is me te moeilijk. Ik zie vreselijke dingen, maar toch kan ik het niet laten.’ zei ze.

Ik dacht: Kijk, dat is er nu eentje zoals ik. Ik geloof dat het bij mijn ook niet genoeg impact zou hebben. Hoewel, we weten het niet, natuurlijk. En we zullen het ook nooit weten want ik zal nooit of nimmer een job uitoefenen als verpleegster op Oncologie. Zoveel is wel zeker.

En die dame die me in paniek vertelde dat ze onverwacht was opgenomen die dag en dat ze maar één pakje sigaretten bij zich had. Ik heb haar gerustgesteld, want een mens rookt daar bijlange niet zoveel als thuis. En bovendien zag ze er niet zo verschrikkelijk ziek uit. Dus die mocht zeker naar huis voordat haar pakje leeg was.

(wordt vervolgd…..)

 

 

HET ZIEKENHUIS: EEN AVONTUUR – deel 7

SAMSUNG

Als je zo een paar keer onverwacht het ziekenhuis wordt ingekatapulteerd, dan zou je denken dat je je lesje wel geleerd hebt, maar neen hoor, Annie niet.

Zo ben ik eens in bikini op spoed beland, nog net een flinterdun kleedje over aangetrokken. Gelukkig. En de andere keer stond ik daar al gereed in pyjama. Geef toe, als dan het moment aangebroken is dat je naar huis mag, dan valt je plots te binnen dat je niet in bikini de straat op kan als buiten de regen met bakken uit de lucht valt en er een gure wind staat. Of ook niet in pyjama.

Maar ’t heeft ook zijn plezante kanten. Op die momenten dan wordt eindelijk eens duidelijk wie er thuis eigenlijk het huishouden bestiert. Niet dat ge mij hoort klagen, want als ik de eerste in bevel ben – over het huishouden welteverstaan – dan wil dat ook zeggen dat ik degene ben die kan bepalen wat er onder andere op tafel komt.

Maar ’t heeft wel wat om het lijf als je van op afstand of via SMS moet beschrijven waar je lieve halve trouwboek een paar onderbroeken voor je kan vinden in huis. En dat viel nog redelijk mee. Maar het wordt anders als je om een pincetje vraagt, of de lader van je GSM. Om niet te spreken over één welbepaalde pyjama. Om dan vervolgens te constateren dat hij wel de juiste pyjamabroek mee heeft, maar daarbij een ander pyjamavestje.

Och, ge hoort mij hier geen kwaad woord zeggen over mijn lieve schat. Hij heeft voor mij een week verlof opgeofferd. Zeg nu zelf, is dat geen onvoorwaardelijke liefde?

En nog liever de mijne dan die vriend van mijn buurvrouw. Zij was bang om hem iets te vragen. Niet dat hij dat niet met plezier meebracht voor haar, maar hij moest altijd overdrijven. Ze vroeg hem om twee potjes Yoghurt van haar speciale merk mee te brengen, komt hij aanzetten met een hele berg. Boekje nodig? Hij koopt gewoon de kiosk leeg.

Zo’n verblijfje, dat heeft wel impact op een mens. Je ontdekt niet alleen een andere wereld, maar je ontdekt ook een heel ander stukje van jezelf. En daar stond ik nu en dan wel eens van te kijken.

Die eerste dagen, dan telde ik niet mee op deze aardkloot, dan mocht alles aan mij voorbijgaan, ik had er geen oog voor. Maar wanneer ik langzaam uit mijn lethargie begon te ontwaken kregen de dingen om me heen meer kleur.

Zo was er dat infuus dat me voortdurend in de weg zat bij alles wat ik deed. Probeer je maar eens te wassen of te slapen met zo’n aantal slierten aan je lijf. En naar gelang ik beter werd had ik Herman gevraagd om mijn PC mee te brengen (daar moest hij niet zo erg naar zoeken). Maar je hebt er geen idee van wat een tijdverspilling het is om je eigen draden en die van PC en muis uit elkaar te houden. Ik moet soms op een ware elektriciteitskast geleken hebben daar op dat bed. En nog meer ergernis wanneer je merkt dat de Wifi in dat ziekenhuis voortdurend overbelast is.

Maar tegelijk kon ik er ook van genieten om een PC bij de hand te hebben. Daar stond ik thuis nooit meer bij stil. En ik genoot ervan om boekskes uit te wisselen met mijn buurvrouw. Alleen voor de ‘Dag Allemaal’ heb ik vriendelijk bedankt. Ik heb daar niks op tegen, maar echt, het is aan mij niet besteed.

En ik kon verwonderd kijken naar alle nieuwe snufjes die de verpleging ter beschikking had om de zieke mensheid bij te staan.

Temperatuur meten? Gewoon met een pistool in je oor schieten en klaar is kees. Saturatie van Mevrouw Van Mulders? Zet een wasknijper op haar vinger en je weet het meteen. Gewicht? Zet je even op de stoel en verheug je: op een week twee kilo afgevallen. Daar moet ik thuis veel meer moeite voor doen.

Hoewel die verpleegsters ginder wel een boom konden opzetten over die vernuftige dingen. De technisch directeur zou hen vooraf gezegd hebben dat dit wonderding de verpleging op termijn zou vervangen. Tja, zoiets moet je tegen een verpleegster zeggen, natuurlijk.

En dan de verwondering over de accurate aanpak in het ziekenhuis. Elke keer dat er een verpleegster voor gelijk welke kleine interventie ook je kamer binnen komt, dan vraagt ze je naam en geboortedatum. Mijn buurvrouw dacht eerst dat ze dat deden om te zien of je nog altijd voldoende bij je verstand was. Kan ook zijn, natuurlijk.

Maar ook de verwondering over mijn eigen gedrag.

Weet je, een mens begint zich algauw te vervelen als hij zich wat beter voelt. Dan maar eens wat rondtoeren met de staf in de hand. Kijk, ik ben niet iemand die in de lift naar de grond zit te kijken omdat ik de mensen niet durf aankijken, maar ginder kon ik het me niet laten om tegen gelijk wie iets te zeggen. Neen, geen verhalen vertellen, dat doe ik niet, maar wel wat commentaar geven.

Zo was er dat oudere koppel dat naar het labo moest. Madam drukt op het knopje van het tweede verdiep. Meneer drukt op het knopje van het eerste verdiep. Zegt zei: ‘Maar allez, schat, het is toch niet op het eerste!’ waarop hij snel op het derde knopje drukt. Voor ik het wist hoorde ik mezelf zeggen: ‘Bah ja, maak er hier maar nen omnibus van!’

Of die keer dat ik net het nieuws had gekregen dat die nieuwe antibiotica eindelijk hun werk begonnen te doen en dat ik me alleen in de lift bevond. Mijn moraal was ineens een meter gestegen en ik hoorde mezelf in de lift zingen van ‘Hoe schoon op de wereld, de zomerse hei’. Ik schrok er zelf van, want ten eerste is het niet van mijn gewoonte om op openbare plaatsen beginnen te zingen (komaan jong, ik stond wel alleen in die lift, hé), maar ten tweede was dat een liedje dat ik op de lagere school had geleerd en allang vergeten was. Dat kwam zomaar ineens op-poppen. Het menselijk brein blijft een mysterie.

En dan heb ik een nog een meer verontrustend voorbeeld van mijn eigen gedrag.

In die lange gang beneden stelde ik vast dat de meeste mensen er de regels van het verkeer aanhielden, dus doorgaans ging iedereen aan de rechter kant lopen voor een goede doorstroom. Maar ik had geen behoefte aan een goede doorstroom. Ik had alle tijd van de wereld. Ja, je hebt het geraden: ik ging gewoon links lopen. Hoe tegendraads kan je zijn!

In psychologie noemen ze dat het ‘lucifer-effect’ wat wil zeggen dat ieder mens in zich een demon heeft die in welbepaalde omstandigheden naar boven kan komen. Die van mij blijkt nog enige humor te hebben.

Het is inderdaad zo dat wij onszelf niet kennen. Want wat doen we wanneer we onszelf moeten beschrijven? We doen dat in de omstandigheden die we leven. We gaan onszelf niet beschrijven zoals we ons zouden voelen en gedragen wanneer we ons op een ondergaande Titanic bevinden.

De toepassingen van de psychologie tot in het ziekenhuis. ’t Komt altijd van pas.

(wordt vervolgd…)

 

HET ZIEKENHUIS: EEN AVONTUUR – deel 6

Als je meer dan eens wordt opgenomen, dan heb je het voordeel dat er wat afwisseling in zit. Zo heb ik in een volledig nieuwe en moderne kamer mogen vertoeven met inclusief een inloopdouche, of in een vernieuwde kamer die weliswaar klein maar netjes oogde maar dan zonder inloopdouche. Daarvoor moest je de gang op. Voor mij geen probleem. Als je genoeg wandelt, dat scheelt een prik in je buik tegen flebitis. En ik ga voor de minder prikken, dat weet ge. Niet dat ik bang ben van een prik, maar ik heb liever dat ze er dingen mee uithalen dan dat ze er dingen mee inpompen.

Van bloed trekken, daar weet ik alles van. Tot hiertoe heeft mijn huisarts de hoogste score. Man, die kan goed prikken. Daar voel je zo van ver een prikje en voor de rest laat dat geen seconde getuigenissen na.

En in het ziekenhuis, daar heb je van soorten. Van mij mogen de stagiaires gerust hun beroep leren op mijn lijf. Ik heb daar geen enkel probleem mee. Maar ze moeten het wel een beetje proper houden.

En dan was er die verpleger van het labo waarvan je zou denken dat die het toch wel gewoon is om vloeistof uit de mensen te tappen. Die maakte er bij mij echt wel een knoeiboel van. Ik voelde al gelijk dat het mis zat van het moment dat hij mijn arm bestudeerde op zoek naar een ader. Ik dacht: ‘Allez jong, mijn ogen moeten toch wel wreed achteruit gegaan zijn, want die ziet een ader waar ik het niet zie.’ Maar uiteindelijk geloof ik dat hij maar op goed geluk zijn naald in mijn arm heeft geboord.

Enfin, ik bijt dus maar eens op mijn lip, want een mens moet niet kleinzerig doen als hij in het ziekenhuis ligt. Het schijnt daar toch allemaal voor uw eigen goed te zijn, dus leg ik mijn hele wezen en mijn vertrouwen in handen van alles wat een witte schort draagt.

Ik vond het goed dat het allemaal wel rap ging bij die gast, al vond ik die snelheid terzelfdertijd een klein beetje verontrustend. Hij plopt dus een plakker op mijn arm en weg was hij.

Een tel later voel ik daar toch een pijntje, en zie ik dat er een hele dikke bubbel op mijn ader zit. Deze keer zou niemand moeten zoeken naar die ader, zelfs ik niet met mijn ogen die niet meer zijn wat ze geweest zijn. Hij was duidelijk goed zichtbaar. Ik duw op dat mini-plakkertje….Miljaar, begon dat daar bloed te pissen dat het niet schoon meer was. Ik uit dat bed met mijn staf in de hand naar de verpleging met mijn handen vol bloed. Maar ze maken daar geen spel van hoor. Beetje op blijven duwen, nieuwe plakker erop en klaar is kees.

Kijk, dat heb ik nu graag zie, dat ze daar zo mee omgaan alsof het een pluisje is dat ze van hun truitje halen. Dat stelt een mens gerust.

Mijn armen zijn nu nog altijd mooie landschappen in alle tinten blauw en geel, maar de sporen van die laborant krijgen de trofee.

Ik vraag me af wat ze doen met dat bloed wanneer ze te weten zijn gekomen wat ze wilden weten. Kieperen ze dat in het toilet zoals ik dat doe met de overschot soep als die er twee dagen blijft staan? Of voederen ze dat aan de proefdieren? Of misschien halen ze er de bruikbare stukken uit om bij een ander in te spuiten? Dat lijkt me een medische vorm van recyclage waar wat voor te zeggen valt. Ze hebben blijkbaar toch te weinig donors. Waarom dan goeie dingen weggooien?

Ja, ‘k weet het. Ik ken het antwoord: Dat is te gevaarlijk, blablabla…

Maar eigenlijk had ik het over die kamers willen hebben. Ik lijk af te wijken. Dat krijg je met ouder worden. Ons moeder was daar ook altijd een kei in. Als die iets begon te vertellen dan nam ze zoveel zijstraatjes dat ze op de duur zelf niet meer wist op welke weg ze ergens begonnen was en waarom ze dat nu allemaal zo zat te vertellen. Dat is voor de luisteraar een anti-climax natuurlijk, want je mist altijd de clou van het verhaal.

De kamers, dus.

Ik heb ook het voorrecht gehad om eens aan het venster te liggen, of eens niet aan het venster. ’t Heeft allemaal zijn voor- en nadelen. Wie aan de vensterkant ligt is meester over het al dan niet openen van het raam en de gordijnen. Maar dat houdt tevens in dat je soms ook de opdrachten krijgt om ze open of dicht te doen. Ge kunt niet alles hebben.

Mijn buurvrouw, die dus aan de andere kant haar bed had, kreeg de zenuwen als ze iets uit haar kast moest halen. Want haar kastje zat helemaal in de hoek, en voor die kast stond die lompe zetel waar nooit iemand in zit. En die valt niet zomaar een beetje op te schuiven, want die zit tussen het bed en kast geperst. Er staat dus niets anders op dan dat hele gevaarte achteruit te trekken om toegang te krijgen.

Ik zei haar dat ik de vorige keer toen ik zelf aan zo’n kant lag die stoel gewoon verhuisd heb naar de andere kant. Maar zo assertief was zij niet. Ze durfde niet. Tja, eigen schuld, dikke bult. Sleur dan maar verder.

Maar ze kon er zelf mee lachen wanneer ze na veel labeur eindelijk haar verse kleren had vergaard en de boel weer netjes op zijn plaats had gezet toen ze zich realiseerde dat ze een slip vergeten was.

Tja, je hebt op dat moment de keuze: ofwel herbegin je het ritueel van verhuis, ofwel beslis je om zonder slip rond te lopen. Ze koos de eerste optie, wat begrijpelijk is.

En we hadden ook het comfort van een kleine koelkast. Probleem was dat die in de kast zat. En daar stopt het hindernislopen nog niet, want de kast van de deur gaat naar links open, en vervolgens gaat de deur van de frigo rechts open. ’t Is gelijk die Babouchkas, of hoe noem je die Russissche poppetjes die je kan open doen en dan zit er weer een nieuw en kleiner poppetje in dat ook weer opengemaakt kan worden.

Als mijn buurvrouw dan eindelijk opgelapt en fris gewassen met slip en al uit de badkamer kwam, dan kon ze weer beginnen verhuizen om iets uit haar koelkast te halen.

Kortom, ik durf wedden dat die spieren heeft gekweekt in dat ziekenhuis.

(wordt vervolgd….)

 

HET ZIEKENHUIS: EEN AVONTUUR – deel 4-5

HET ZIEKENHUIS: EEN AVONTUUR – deel 4

In de periode van een aantal opnames heb ik natuurlijk meerdere buurvrouwen gehad. ’t Had interessant geweest om ook eens een buurman te hebben, maar dat hoort blijkbaar niet tot de geplogenheden. Denk niet verkeerd, er is geen half haar op mijn hoofd dat goesting heeft om iets te beginnen met gelijk wie. Mijn wederhelft is mijn alles. Maar het mannelijke brein en gedrag zijn toch weer iets anders en dus alweer boeiend.

Soit, de vrouwen waren dat ook. En onrechtstreeks kreeg ik ook met hun mannen te maken en dat vult natuurlijk ook al een stukje van de leemte.

Zo was er dat madammeke wiens echtgenoot op bezoek kwam om 14u en dan bleef hangen tot einde bezoekuur, zijnde 20u. Die zette de koers aan op TV en plantte zich naast haar in de zetel. Tussendoor viel hij eens in slaap. Ik keek er met verwondering naar en vroeg me af of dat madammeke dat nu echt wel leuk vond. Ikzelf althans niet, maar ik nam me voor om mijn verdraagzaamheid te oefenen. Daar was het de goede gelegenheid voor.

De volgende dag hadden mijn buurvrouwke en ik wat nader kennis gemaakt, en in een ziekenhuis gaat dat blijkbaar sneller dan in het gewone leven. Normaal gaat een mens niet na een dag al ontboezemingen doen tegen een wildvreemde. En wees gerust, ik zwijg angstvallig over mijn beroep in dergelijke situaties, dus daar kan het ook niet aan liggen.

Ze zuchtte zwaar en zei dat ze er tegen op zag dat haar man weer in de namiddag zou komen naar de koers kijken. ‘En dan blijft hij nog zo lang hangen ook’, klaagde ze. Je kan mijn antwoord al raden. Ja, ik vroeg haar waarom ze hem dat dan niet gewoon zegde.

– ‘Maar dat durf ik niet. ’t Is gene gemakkelijke, zulle!’

Kijk, normaal gesproken zou ik nooit dergelijke dingen van iemand overnemen. Ik help mensen hun problemen zelf op te lossen. Ik los ze niet voor hen op. Maar in dit geval was de tijd te kort, dus zei ik:

– ‘Ik zal het eens voorzichtig zeggen in jouw plaats’ zei ik, ‘tenslotte ben ik evenmin een fan van de koers.’

Zo gezegd, zo gedaan. Volgende dag komt meneer om stipt 14u binnen en installeert zich. Buurvrouw houdt weer wijselijk haar mond. Ik zeg:

– ‘Allez jong, dat is toch wel straf dat ge hier met twee zieke madammen zit die een hekel hebben aan de koers en gij komt hier een hele namiddag dat ding aanzetten.’

– ‘O, maar ik zal het geluid stil zetten.’ zei hij en veegde daarmee elk argument van tafel.

Ik heb het daar maar bij gelaten, maar achter zijn rug hadden mijn buurvrouw en ik wel pret. Ze vertelde me nog veel meer en ik heb haar de steun geboden die ik nog in mijn valies had. Ik ga het hier allemaal niet vertellen want dat is naar mijn aanvoelen een brug te ver.

Ik ben bij die toenmalige opname ontslagen wanneer zij er nog een tijdje moest uitzitten. De koers zal daarna wel gestopt zijn, maar ik vrees dat er dan wel weer ergens een andere sport op TV zal geweest zijn om haar verder het leven onaangenaam te maken, naast de rest van de perikelen.

Ze vond het zo spijtig dat ik weg ging. Ik vond het voor haar misschien ook een beetje spijtig, maar ik moet toegeven dat mijn vreugde toch groter was dan mijn spijt, want ziekenhuizen mogen dan wel boeiend zijn, maar ik zit toch liever gezond in mijn eigen kot.

(wordt vervolgd….)

 

HET ZIEKENHUIS: EEN AVONTUUR – deel 5

De plezantste buurvrouw die ik heb gehad in het ziekenhuis was een heel pront madammeke van een paar jaar ouder dan ik. Een ongelooflijk fijn en leuk mens. Wij lagen daar zo ongeveer met dezelfde kwaal en dus dezelfde symptomen. Ik kan je zweren dat zoiets het leven ginder een stuk gemakkelijker maakt, vooral als het probleem zich in je darmen voordoet. Ik moet daar geen tekeningske bij maken. Wij hebben daar wat afgelachen. Niet zozeer in het begin van onze opname, maar naarmate de dagen vorderden en we ons dus beter voelden stroomde de lol uit onze kamerdeur de gang in. De verpleegsters wisten er gauw van.

We hadden lol met onze eigen miserie, maar we hadden ook lol met de gekke toestanden die we daar meemaakten.

Kijk, ik wil niemand met de vinger wijzen want ik zei al dat ik alleen maar lof heb voor de verpleging ginder, maar er werden daar toch ook wel kemels geschoten. Een geluk dat wij de leeftijd van dementie nog niet hadden bereikt want het feit dat we zelf een beetje alert bleven kon voorkomen dat die kemels geen gevolgen hadden.

Zo vroeg ik – omwille van al die chemische troep die ze niet alleen in mijn aders duwden maar waarvan ik ook nog eens een deel door mijn keelgat in mijn lijf moest krijgen – een yoghurt om mijn maag een beetje te kalmeren.  En vriendelijk als ze daar waren werd ik op mijn wenken bediend. Ik zet dat potje op mijn nachtkastje omdat ik een half uur erna die portie rotzooi te slikken zou krijgen.

En dan neem ik die yoghurt van mijn nachtkastje en scheur er het dekseltje af, maar dat ging zo verdacht gemakkelijk dat ik toch even een blik wierp op dat potje. Bleek dat ding half leeg te zijn. Ik weet niet uit welke kamer en van welk nachtkastje ze dat potje hebben genomen, maar indien iemand die dit leest zich afvroeg waar zijn half potje naartoe is gegaan, dan is het mysterie bij deze opgelost.

Een beetje meer verontrustend was het voorval met de pillen van mijn buurvrouw. Al bij haar opname bleek er toch een en ander niet te kloppen van de informatie in die vernuftige computers van het ziekenhuis, maar dat waren maar details die de verpleegster snel even heeft aangepast.

Maar algauw bleek dat er meer aan de hand was, want toen ze om meer water vroeg, dan bleek dat niet te mogen volgens de computer. Hoe dan? Was het niet de bedoeling dat ze veel zou drinken?

Het werd pas duidelijk toen we onze maaltijden kregen die voor haar heel verschillend waren dan de mijne. Bleek dat die computer hardnekkig vasthield aan het dieet dat ze bij een opname van vorig jaar voorgeschreven kreeg. Maar dat was voor een heel andere kwaal dan deze die ze nu had. Na een paar dagen lachen met de troep die ze moest binnen wurgen, werd dat euvel recht gezet.

Alleen met die pillen bleef het mis gaan bij haar. Ze kreeg niet alleen de pillen die ze voor deze kwaal moest nemen, maar elke keer opnieuw moest ze de zaak nakijken en elke keer opnieuw vond ze pillen die ze allang niet meer moest nemen. Geduldig nam de verpleging die dingen altijd weer mee, maar elke dag kwamen ze weer aandraven met diezelfde pillen.

Computers zijn handige dingen, maar het is toch wel belangrijk – en al zeker in een ziekenhuis – dat je de gegevens een beetje up to date houdt. Dat ze nog altijd genoteerd stond als gehuwd met haar man die al 25 jaar geleden overleed is behalve een beetje genant niet echt gevaarlijk. Maar met pillen vind ik het een beetje eng worden.

En die computers, dat zijn ook echt wel dwingelanden. Dat heb ik zelf ondervonden.

Kijk, intussen is wel duidelijk dat ik geen fan ben van medicatie, dus vond ik het ook niet nodig om bij een klein beetje pijn een kanjer van een pijnstiller in mijn lijf te pompen. En die dokter had blijkbaar mijn gebruiksaanwijzing goed ingeschat want hij had laten noteren dat ik de toelating had om bepaalde geneesmiddelen te weigeren, behalve welbepaalde die dan ook met naam en toenaam in mijn dossier werden vermeld.

Overdag was dat geen enkel probleem. Wanneer ze kwamen aandraven met alweer zo’n klein zakje dan vroeg ik telkens wat erin zat en als het weer zo’n pijnstiller was, dan konden ze voor mijn part terug naar af.

Maar ’s nachts was het een ander verhaal. Ik ben ’s ochtends verschillende keren wakker geworden en tot de ontdekking gekomen dat er alweer een leeg zakje rotzooi aan mijn Sinterklaas-staf hing te bengelen. Kak of gene kak, de pot op. Zo voelt dat een beetje.

Maar vaak had ik ook wel geluk bij een ongeluk. Zowel mijn buurvrouw als ik hadden alle moeite om te slapen. Wat wilt ge? Een mens voert daar geen moer uit een ganse dag. Je krijgt ontbijt aan bed, ze komen je vragen wat je de volgende dag wil eten, de kamer wordt elke dag gepoetst, je moet maar op een knopje duwen en er staat meteen iemand aan je bed om je te bedienen. Het heeft – allez, toch van ver dan – een beetje weg van onze vakantiehotelletjes. Een mens wordt daar niet moe, en het gevolg is dat je niet kan slapen.

Maar aangezien we met twee waren dan vertelden wij wat tegen elkaar. En lachen natuurlijk.

Zo vertelde ze me dat ze de gewoonte had om ook de was van haar alleenstaande broer te doen. En toen ze naar die broer belde om te zeggen dat ze opgenomen was in het ziekenhuis, was zijn reactie:

– ‘Ach zo, dan moet ik mijne was niet brengen, zeker?’

We hebben daar heel vaak om gegierd.

En dan, in de late uurtjes, gebruikten we uiteindelijk ons verstand:

– ‘Kom, nu gaan we nog eens proberen te slapen hé.’

– ‘Ja, we zullen dat gordijntje tussen ons beiden dicht trekken, dat helpt misschien een beetje.’

– ‘Slaapwel.’

– ‘Slaapwel.’

En na een uur draaien sta je op om te plassen, kom je voorbij dat gordijntje en hoor je zeggen in het donker:

– ‘Ha, gij slaapt ook nog altijd niet!’

(wordt vervolgd….)

 

HET ZIEKENHUIS: EEN AVONTUUR – deel 1-2-3

SAMSUNG

HET ZIEKENHUIS: EEN AVONTUUR – deel 1

Ik heb me de laatste maanden toegelegd op het uitbreiden van mijn sociale contacten. Niet dat ik bewust op zoek was naar nieuwe vrienden of dat ik me na mijn vervroegd pensioen geïsoleerd begon te voelen. Verre van dat. Het is eerder een speling van het lot geweest dat ik mij heb ingewerkt in de sociale wereld van de gezondheidszorg. Een boeiende ervaring is het minste wat ik ervan kan zeggen.

Niet dat ziekenhuizen mij compleet vreemd waren, want – wat velen niet weten – is dat ik in een vorig leven toen de dieren nog spraken, ooit de studies van verpleegkunde heb aangevat. Niet dat ik dat beroep ooit een centimeter heb aangevoeld als een roeping, verre van. Maar mijn ouders vonden dat ik na mijn middelbare studies al genoeg geld had gekost en dat ik maar moest gaan werken. Ik had al mijn zinnen gezet op psychiatrie, maar daar hebben ze thuis heel smakelijk om gelachen. In mijn koppigheid heb ik echter een job gezocht in de horeca in de ijdele hoop dat ik daarmee wel mijn studies zou kunnen betalen. Mijn ouders vonden het uiteindelijk toch maar een beetje een louche bedoening dat ik pas thuis kwam wanneer de vogeltjes al begonnen te fluiten, en dus stelden ze een compromis voor. Ik moest dan maar voor psychiatrische verpleegster gaan. Dat was maar drie jaar kosten voor hen tegenover 8 jaar medicijnen en nog eens drie jaar specialisatie. Hun portemonee zou er minder pijn van hebben.

Kortom, ik heb dus ooit stages gelopen in een ziekenhuis en hoewel ik de inhoudelijke materie echt wel interessant vond, waren er te veel factoren die me dwars zaten. Om te beginnen werd mijn stagebegeleidster op slag verliefd op me en kon me geen minuut gerust laten. Ik barricadeerde de deur van mijn kamer op peda, deed alsof ik niet aanwezig was, ontglipte haar waar ik maar kon, maar een stagebegeleidster kan je niet zomaar blijven uit de weg gaan, tenzij je wegloopt. En ik beken mijn onschuldige naïviteit, want ik ging er heel lang van uit dat het een jonge vrouw was die alleen maar dringend op zoek was naar een goede vriendin. Tot die dag dat ze mijn hand nam en die niet meer wilde loslaten. Ze wist nochtans dat ik daar al een tijdje een nieuw lief had opgescharreld.

Enfin, aangezien er daarnaast nog een berg andere redenen waren, viel de beslissing om de boel de boel te laten me uiteindelijk niet zo zwaar. Een voorbeeld van zo een reden was toen ik op pediatrie stond bij de kindjes tussen 2 en 12 jaar met leukemie. Ik moest boterhammen ronddelen en een manneke van 12 jaar – Eric noemde hij – zei dat hij geen honger had en vroeg of ik efkes bij hem op bed wilde komen zitten in plaats van de boterhammen. Hij had bloederige wattenwiekjes in zijn neus en oren en was helemaal uitgemergeld.

– ‘Weet je’, zei hij ‘ik ga heel binnenkort sterven. Dit is de laatste keer dat ik opgenomen wordt en dan mag ik voorgoed naar huis want er is toch niets meer aan te doen.’

Man, man! Toen ik even later uit die kamer kwam had ik een keel als een rioolput en de vijvers in mijn ogen kreeg ik niet opgedroogd. Toen ik in de verpleegstersruimte kwam kreeg ik daar een verschrikkelijke schelding over mijn hoofd.

– ‘Waar hebt gij gezeten? Denkt gij dat ge hier niks anders te doen hebt dan een beetje bij de patiëntjes te zitten kletsen?’

En de dienst oncologie vrouwen bleek alleen maar bemand door oude vrijsters die allemaal al jaren verliefd uitkeken naar de eerste de beste dokter die ze aan de haak konden slagen, maar blijkbaar waren ze al te lang op zoek, want ze waren duidelijk allemaal al serieus aan het verwelken.

Wil het dan gvd toch niet gebeuren dat een verpleegster me op een blauwe maandag kwam zeggen dat er iemand aan de balie naar mij vroeg. Ik kon in de verste verte niet denken wie daar naar mij zou komen vragen. Surprise.

De jongeman waarmee ik die ochtend in de lift had gestaan had mijn naamkaartje van mijn witte schort gelezen en gezien waar ik uitstapte. Hij moet een ‘coup de foudre’ gehad hebben, want hij kwam me vragen om iets met hem te gaan drinken. Wist ik veel dat het een laatstejaars in de medicijnen was. Kreeg ik natuurlijk de haat van de hele crew door te zwelgen.

En neen, die dokter dat heeft niet lang geduurd, want dat was een arrogant ventje. Op een keer vroeg hij me om af te spreken in het cafeetje op de hoek want hij wilde iets met mij bespreken. Toen ik binnenkwam zat hij daar met opengevouwen plannen. Het was het bouwplan van zijn huis en praktijk. Hij wees me waar zijn kabinet zou komen, en waar de wachtzaal.

– ‘En hier komt jouw keuken.’

Hallo? Ik deed het bijna in mijn broek van het schrikken.

– ‘Maar ik wil helemaal geen keuken in jouw huis!’ riep ik uit.

Hij kreeg een kleur als een tomaat, vouwde zijn plannen woest dicht en stond op. Terwijl hij naar buiten liep schreeuwde hij me toe:

– ‘Gij zijt een hoer!’

En heel het café naar mij kijken….

Maar ik was een optimist, en vaak liep ik te neuriën bij het werk. En op een keer had ik de eerste prijs gewonnen bij een talentenjacht van de studenten, een dubbele elpee van Boudewijn De Groot, mijn favoriet indertijd. Ik kende zijn liedjes vanbuiten en zong ze dan ook hele dagen.

Zo kwam ik eens zingend de spoelkamer binnen waar twee van die oude vrijsters stonden te fezelen tegen mekaar. Laten we ze X en Y noemen, want ik ken allang hun namen niet meer. Ik maakte dat ik gauw terug buiten was, want wilde niet storen bij hun ontboezemingen.

Een tel later komt een van beiden, Y, mij achterna en vraagt:

– ‘Hoe wist je dat?’

– ‘Hoe wist ik wat?’

– ‘Van X haar zwangerschap.’

– ‘Van X haar zwangerschap? Bah neen, daar weet ik niks van. Dat mens is toch niet getrouwd?’

– ‘Waarom zong je dat liedje dan?’

Liedje???? Toen schoot me te binnen dat ik net aan die strofe van Boudewijn De Groot zat die luidt ‘Als ik jouw kind was, lieve schat, dan werd ik liever niet geboren, dan liet ik niets meer van me horen, dan bleef ik zitten waar ik zat…..’  Ja zeg, als je al niet meer mag zingen omdat er misschien ergens iemand is die daar iets achter zoekt. Mijn oren.

Enfin, om het kort te houden, ik heb dat verpleegstersavontuur wijselijk achter mij gelaten en ben gaan werken volgens de regels die mij thuis werden opgelegd. Veel later heb ik dan maar mijn eigen studies psychologie bekostigt en ik heb er nooit een centimeter spijt van gehad. Daar lag mijn roeping.

Dat dus om aan te geven dat de wereld van ziekenhuizen mij inderdaad toch niet algeheel vreemd is. Maar nu ik oud en wijs ben geworden en nu die wereld toch ook een ferm stuk is veranderd, heb ik die omgeving weer op een heel andere manier leren kennen. En ik wil u mijn wedervaren niet onthouden.

Zet je neer en verwonder jezelf bij deze lectuur.

(wordt vervolgd……)

 

HET ZIEKENHUIS: EEN AVONTUUR – deel 2

Ik had het dus over de sociale contacten. Die waren er in lagen en in alle kleuren.

Vooreerst heb je de categorie dokters en specialisten. Er was dokter M., dokter B., dokter P., de assistente van dokter P., en uiteraard de spoeddokters. En ge zoudt zeggen: het zijn toch allemaal dokters, maar daar zit toch een serieuze nuance op.

Die dokter M., die wil sneller zijn dan zijn schaduw, dus zie je inderdaad maar een schaduw van hem voorbij komen en voordat je je mond hebt open gedaan om een vraag te stellen is hij alweer verdwenen. En volgens mij heeft zijn snelheid ook al impact op zijn denken, of ligt het aan de organisatie van het ziekenhuis, maar ik vond het wel heel verwarrend toen hij me zei bij mijn ontslag (een van de vorige opnames..tja, ‘k heb er meerdere gehad, maar dat moest wel om een serieuze blog te kunnen schrijven):

– ‘U eet de eerste twee weken geen groenten en geen fruit. En u komt terug binnen voor een volgend onderzoek op 6 september.’

Ik moest hem naroepen want hij stond al in de deur:

– ‘En wat als ik dan niet meer naar ’t hoekske kan?’

– ‘Heu…..tja, dan wel, misschien.’ was zijn antwoord.

Jamaar, jamaar! Ik heb in dat ziekenhuis een hele week normaal eten gekregen, en thuis moet ik dan ineens drastisch groenten en fruit schrappen. Maar dat kon ik niet meer aankaarten want hij was al lang zijn schaduw weer achterna.

Evenmin kon ik hem zeggen dat 6 september voor hem misschien wel schikte maar dat mijn agenda andere prioriteiten had. Als de Heer het ons gunt, dan zitten wij op dat moment in ons geboekte hotelletje in het Zuiden van Frankrijk.

Thuis gekomen ging mijn lieve wederhelft nog even een boodschap doen terwijl ik de ziekenhuiswas vergaarde. Toen hij terug kwam zei hij dat de dokter hem gebeld had om te zeggen dat hij vergeten was om nog bepaalde documenten mee te geven en dat we die nog maar eens moesten komen afhalen op de dienst. Allez zeg.

Dus vind ik het toch maar prettiger om te vertellen over dokter P.  Mocht die gast in mijn jonge jaren mijn pad zijn gekruist dan had ik hem niet links laten liggen. Toffe pee, duidelijke uitleg, vraag maar op, glimlach, handje schudden, spontaan, komt er gewoon bij zitten op bed. Aaaaah, mochten alle dokters zo zijn, ik zou mijn abonnement nog eens verlengen.

En vervolgens heb je dan de categorie verpleegsters. Zie, je gaat me geen kwaad woord horen zeggen over die hele equipe, of over alle equipes die ik het laatste jaar al heb leren kennen. Ze zijn een voor een juweeltjes: vriendelijk, gedienstig, aangenaam, professioneel, menselijk, geduldig… Wat een verademing in vergelijking met de tijd van de oude vrijsters.

Ik kan ze hier niet allemaal beschrijven, maar mijn lof over dat ene verpleegstertje moet ik toch even luidkeels zingen, want dat kind heeft me een hele nacht bijgestaan toen ik zo ziek was als een hond. En neen, ik ga niet in details treden want het moet hier een beetje plezant blijven, maar die had een engelengeduld en zelfs toen ik haar voor de achtendertigste keer nodig had verdween die glimlach nog niet op haar gezicht. En ze stond al aan mijn bed voordat mijn belletje had gerinkeld. Zo’n lieve poppemie. En toen ze een paar dagen later weer dienst had was ik al lang weer de normale Annie, en dan hebben we samen zitten lachen om die vreselijke nacht.

En dan was er – zoals in elke groep op deze wereld, zeker – die ene die er dan in slaagt om de troep om zeep te helpen. Die – in tegenstelling tot de anderen – zou zeker niet misstaan hebben in de equipe toen ik stage liep. Luister.

Ik liep dus met zo van die darmkes in mijn armen die dan ergens hun einde vinden aan een paar zakjes die moeten leeg lopen in je lijf, en om een beetje mobiel te blijven krijg je dan zo’n staf gelijk sinterklaas – maar dan wel op wieltjes – waar ze die zakken aanhangen.

Op een dag had een of andere verpleegster om een of andere reden die staf weggezet en die zakjes aan mijn bed bevestigd. Dat betekende voor mij dus immobiliteit. Maar een mens moet tussendoor ook eens een plas, en al zeker als ze voortdurend van dat water in je lijf laten lopen via je aders. Ik bel dus en vraag de verpleegster of ze mijn staf kan teruggeven omdat ik moet plassen.

– ‘Moet je plassen? Ik zal u een bedpan halen.’

– ‘Ja maar, ik wil niet op een bedpan plassen!’ maar dat mens was al weg. Ze kwam terug met zo’n koud metalen ding, drukte op een knopje zodat ik gewild of ongewild kwam recht te zitten en duwde die pot onder mijn warme billen. Eerlijk, op dat moment schiet mijn plas verschrikt weg en duurt het zeker een kwartier voor die bereid is om los te laten.

Achteraf maakte ik me de stoute bedenking dat ik naast die bedpan had moeten plassen om haar te koeioneren. Dan had ze mijn hele bed mogen verschonen.  Maar ach, blijkbaar zit ik toch niet zo in mekaar.

Gelukkig kreeg ik bij de volgende plas-oproep een andere verpleegster die mij mijn gehate staf terug gaf. Maar ik was content dat ik hem had.

Tot mijn grote schrik kreeg ik daarna nog eens te maken met dat mens nadat ik de ganse nacht ziek was geweest en ook de dag erna geen hap door mijn keel kreeg. De dokter had blijkbaar opdracht gegeven om me iets heel licht te eten te geven, dus werd mij een tomatensoepje en twee beschuiten gebracht. Maar ik moest er nog maar naar kijken of ik werd weer mottig. Een tijd later kwam een verpleegster mijn maten opnemen (je weet wel, temperatuur, bloeddruk, ….) en ze vroeg of ze het eten kon wegnemen. Van mij mocht dat, maar ik vroeg haar om de twee beschuitjes te laten liggen in de ijdele hoop dat ik alsnog honger zou krijgen. Dat deed ze dus ook heel vriendelijk.

Nog geen half uur later komt miss donderwolk binnen die zegt:

– ‘Ik ga die beschuiten meenemen, zulle.’

– ‘Neen,’ zeg ik, ‘laat ze maar liggen.’

En met een resoluut gebaar neemt ze mijn beschuiten weg en orakelt overtuigd:

– ‘Ge gaat die toch niet meer opeten!’

Weet ge, ik moest denken aan de oude mensjes in sommige tehuizen. Je hoort soms ook verhalen dat ze daar behandeld worden als kleine kinderen die geen eigen wil meer hebben en die moeten leren luisteren. Net alsof men daar vergeet dat elke oude mens ooit een jong leven heeft gehad, vaak voor vele anderen heeft gezorgd, voor zichzelf een weg heeft opgebouwd en alle respect heeft verdiend en nog altijd verdient.

Ik kan me voorstellen dat het een verschrikking is, want bij mij moeten ze ook niet afkomen met ‘madammeke’, of ze moeten me ook niet behandelen alsof ik geen Vlaams versta. En als ze het plezant vinden om jargon te gebruiken, dan vraag ik hen om me dat te vertalen in mensentaal. En als ze dan moeilijk doen dan kan ik ze ook wel eens de loef afsteken met mijn jargon, want ik kan ze alle ongewenste psychische afwijkingen toeschrijven waar ze van schrikken dat ze in hun graf nog liggen na te rillen.

Maar gelukkig zijn de zuurpruimen onder de verpleegsters een uitzondering. Er was een andere verpleegster van de nacht die ze volgens mij zouden moeten filmen en op elke verpleegsterschool laten zien hoe het moet. Die kwam elke avond bij het begin van haar shift elke kamer langs om even te groeten en te horen hoe het was. En je kon haar nooit iets misvragen. Zelfs wanneer mensen maar even een half woord iets zegden over wat ze niet prettig vonden, dan stond zij daar al om het euvel op te lossen.

Ik zag ze op een nacht sleuren met grote zakken die ze niet kon opheffen en keek haar verwonderd aan. ‘Och ja,’ zei ze ‘ik kan niet verdragen dat de mensen die van intensieve op die speciale oncomfortabele matrassen moeten blijven liggen. Ik heb dat dus maar snel even veranderd.’

Pijntje aan mijn arm na het uithalen van mijn infuus? De dokter zegt: ‘Dat is niks madammeke, die ader is wat ontstoken maar dat gaat over een paar dagen wel over. Of misschien ook niet. Het kan zijn dat daar een harde plek blijft bestaan.’ De nachtverpleegster zegt: ‘Kom, ik ga daar een verbandje met alcohol opdoen voor deze nacht, dat trekt de zwelling weg en dan heb je daar minder last van.’

Ziet ge het verschil?

(wordt vervolgd…..)

 

HET ZIEKENHUIS: EEN AVONTUUR – deel 3

Na het schetsen van de categorie dokters en de categorie verpleegsters komt het meest interessante deel: de tijdelijke bevolking. In het ziekenhuis krijg je een perfecte doorsnee van de maatschappij. Of toch bijna. Ik kan me voorstellen dat de iets oudere mensen al wat sneller last krijgen van een kwaal, maar daar stopt dan ook de afwijking. Van de hoogste tot de laagste in rang, ziek zijn kan ons allemaal overkomen en je rijkdom of je afkomst zullen daar niks aan veranderen.

Bij mijn laatste opname was ik niet genoeg bij zinnen om me iets aan te trekken van de dame bij wie ik werd ondergebracht op de tweepersoonskamer. Onze hospitalisatie dekt geen eenpersoonskamer en bovendien zou ik de sappige ervaringen voor geen geld willen missen.

Ik lag daar dus ziek en suf te wezen, volgestouwd met alle soorten pijnstillers en andere troep. En dan voelde ik een nachtelijke plas de kop opsteken, maar ik hoorde dat mijn buurvrouw in de badkamer was, dus bracht ik het nodige geduld op. Maar dat duurde daar letterlijk uren zodat ik uiteindelijk toch een verpleger belde die me op een onbezette kamer liet plassen. Lieve gast.

Om vijf uur ’s morgens zat mijn blaas alweer vol, maar deze keer had ik geluk. Mevrouw zat fris gewassen op haar bed te wachten op het ontbijt van 7.30u. Ik liet het aan me voorbijgaan in al mijn sufte.

In de ochtend sprak ze me aan.

– ‘Ze hadden uw spullen hier gewoon neergezet. Ik heb ze in de kasten geschikt.’

Hé? Wat zegt dat mens nu? Droom ik hier? Maar het ging van kwaad naar erger, van droom naar nachtmerrie toen ze zei:

– ‘Ik zal mijn handen goed wassen en dan zal ik u wassen want met zo een baxter is dat niet gemakkelijk.’

In al mijn rampzalige miserie ben ik toch beginnen te lachen want ik kon mijn oren niet geloven.

– ‘Neen, bedankt, ge gaat mij hier zeker en vast niet wassen.’

Uiteindelijk had ik het geluk dat ze die dag zelf nog naar huis mocht. Blijkbaar wist ze het zelf niet, al kan ik me niet voorstellen dat men haar dat de dag ervoor niet zou gezegd hebben. Volgens mij was er nog werk aan dat menske buiten haar fysische kwaal die ze zal gehad hebben.

Enfin, ik content dat ik daar mijn hele verblijf niet moest bij doorbrengen. Niet dat ik zo’n moeilijke ben als het over gelijk welk soort mensen gaat, maar trop is teveel.

(wordt vervolgd…)

BOOSHEID, WOEDE EN GEWELD – WAT MOET IK ERMEE?

PROVENCE JUNI 2008 019

Als het leven je voor de wind gaat, wanneer je kalm en tevreden bent, dan heb je vanzelfsprekend niet de neiging om snel uit te barsten wanneer er een akkefietje mis gaat. Maar wanneer er een heleboel akkefietjes zich opstapelen, dan zit het anders.

Stel, je hebt ’s ochtends de post opengemaakt en je merkt dat er een boete bij zit voor te snel rijden. Vervolgens ga je naar je werk en zegt je baas dat de strategie is veranderd en dat je die hele klus die eindelijk af was weer van voor af aan mag herbeginnen. ’s Middags dringt het tot je door dat je vergeten bent om boterhammen mee te nemen, dus maar snel naar de broodjeszaak waar een hele lange rij staat waardoor je riskeert om te laat weer op het werk te zijn. En omdat je dat broodje te snel naar binnen hebt gewerkt krijg je een zeurende pijn aan je maag die de ganse namiddag aanhoudt. Bij het naar huis rijden is er een ongeluk gebeurd en sta je een half uur in de file waardoor je flink onder je voeten krijgt in de kribbe omdat ze daar door jouw schuld overuren moesten maken. Dan kom je thuis en dan zie je dat manlief zijn krant zit te lezen en je zoon net een broodje smos heeft gemaakt waardoor de hele keuken smos is geworden. En dat terwijl er nog avondeten moet gekookt worden.

EN DAN BARST DE BOM!

Je kan je daar allerlei scenario’s bij inbeelden. Dat hoef ik niet in je plaats te doen. Misschien herken je het allemaal zelf wel.

Je woede op dat moment is eigenlijk niets anders dan onbewuste vreugde omdat je eindelijk een mogelijkheid hebt gevonden om je rotgevoel bot te vieren. Om eens eindelijk de emmer leeg te maken. Je wil het kwijt. En je hebt gelukkig een situatie, een reden en een slachtoffer gevonden. Eureka!

Hoe kan je dit voorkomen?

Heel eenvoudig door je emmer niet vol te laten lopen.

Bij de bekeuring is het een kwestie van te relativeren, er vrede mee nemen en jezelf een domkop noemen. En vervolgens het voornemen maken om wat minder snel te rijden. En daarmee is de kous af.

Tegen je baas zeg je dat je best wel opnieuw wil beginnen, maar dat het langer zal duren dan de eerste keer. Of je vraagt of iemand anders de klus kan klaren.

De files: beschouw ze als verplichte pauze. Even lekker niets doen en wegdromen, of plannen maken voor volgende vakantie.  Je kan er toch niets aan veranderen, waarom je dan druk maken?

Te laat op het werk? Ach wat, ik denk niet ze je daarom zullen ontslaan. Trekken ze een vies gezicht? Hun probleem.

Thuis komen en dingen zien die je liever niet ziet? Zeg gewoon dat je het niet fijn vindt en maak afspraken voor de volgende keer.

 

Het is belangrijk om voldoende assertief te zijn en om te relativeren. Soms komen er ongelukken van. Soms loopt het helemaal uit de hand.

Ik denk dat het hele verhaal van terrorisme tot bovenstaande te herleiden is. Mensen lopen gefrustreerd omdat ze geen job vinden, omdat ze geld tekort hebben, omdat ze slecht behandeld worden door politie of andere instanties. Het stapelt en het stapelt. En ze vinden mekaar in hun boosheid en hun frustratie en wakkeren het nog meer aan.

Vervolgens krijgen ze een situatie, een reden en een slachtoffer op een presenteerblaadje: het geloof!

Want het geloof zegt dat je al die losbandige schepsels van de kaart mag vegen en dat je er nog zal om beloond worden ook.

Is er een oplossing? Waarschijnlijk wel, maar er zal nog een flinke mentaliteitsverandering nodig zijn om alle culturen in vrede met elkaar te laten leven. Of misschien moeten we toch maar iedereen op zijn eigen plekje laten zijn wie hij is, zonder vermenging van rassen en culturen?

Wanneer een conflict op het werk of elders is geëscaleerd, dan valt er ook niets anders te doen dan mensen uit elkaar te halen.

Maar dat is een naïeve gedachte. Ik weet het wel. En waarschijnlijk klinkt het te onvriendelijk, hoewel ik met gelijk wie kan opschieten, zolang mensen zich maar gedragen. Het maakt niet uit of dat een Belg of een ander is.

MEMOIRES VAN EEN HOND – deel 14 – EINDE

SAMSUNG

 

Het wordt zo stilaan tijd dat ik ga afsluiten, want ze beginnen hier met zijn allen aan mijn staart en aan mijn oren te trekken omdat ze vinden dat het lang genoeg heeft geduurd dat ik de luierik uithang. Ik moet hier blijkbaar taken gaan opnemen.

Ik werp dus nog een laatste blik op mijn heerlijke aardse bestaan dat nu achter mij ligt, en ik neem de mooie herinneringen mee in mijn zielke. Want uiteindelijk is dat alles wat je kan meenemen als je ginder vertrekt: de liefde die je hebt gegeven en gekregen, de warme vriendschap en de energie die je kreeg wanneer je goede dingen deed voor anderen.

Ook al zou je het op het eerste zicht niet zo denken, toch heb ik dingen aan mensen kunnen leren, zij het soms ook wel eens onrechtstreeks. Ik leg het uit.

Mijn bazinneke, die had mensen in begeleiding die wat ‘strop’ zaten in hun leven, en dan hielp ze hen om de doorgang weer vrij te krijgen zodat ze hun dagen weer normaal konden verder zetten.

En dan kwam ik heel vaak ter spraken omdat het blijkbaar gemakkelijk is om van honden iets te leren dat voor mensen ook van toepassing is.

Bijvoorbeeld, wanneer een mama er moeite mee had dat oma haar kinderen altijd zo verwende. Dat is een gemakkelijke. Daar moest mijn bazinneke alleen maar vertellen dat kinderen minstens even slim zijn als honden, en dat honden heel goed weten in welk huis ze in de zetel mogen, bij welke mensen ze een hapje van tafel krijgen, enz. Dus kinderen weten maar al te best welke regels in welk huis gelden, en daar hoeft men zich verder niet te veel zorgen over te maken.

En hetzelfde als het over opvoeding gaat. Het toverwoord is daar ‘consistentie’. Kinderen zijn net als honden experts in het doordrammen. Ze blijven zagen tot ze hun goesting krijgen.

Als een hond bedelt aan tafel en je zegt hem tien keer dat hij moet ophouden, maar de elfde keer geef je hem een stukje om er vanaf te zijn, dan heb je hem geleerd dat hij vooral moet volhouden want dat er uiteindelijk wel een brokje van tafel valt. Met kinderen is dat juist hetzelfde.

Enfin, dat zijn dus de dingetjes die ik hier allemaal in mijn rugzak heb steken. Net zoals die momenten dat ik trouw mijn bazinneke bleef gezelschap houden wanneer ze in de tuin aan het werken was, of wanneer ze eens een dutje deed. Dan zou ik nooit aangedrongen hebben dat het al vier uur was en etenstijd voor mij. Dan bleef ik geduldig wachten.

En ik neem de blije herinneringen mee aan mijn uurtjes dat ik aan de poort de wereld lag te aanschouwen en van lieve voorbijgangers een aai over mijn bol kreeg, of soms zelfs een koekje van de man in de straat die altijd met zijn leuke zwarte hond voorbij kwam.

En de fijne momenten dat mijn bazinneke thuis kwam na het winkelen. Ik rook heel goed naar welke winkel ze was geweest. En als ze iets mee had uit de dierenwinkel, dan was het kot te klein, want dan wilde ik wel graag iets lekkers uit die zak.

En ik neem de dankbaarheid mee voor de goede zorgen, zoals toen mijn bazinneke mijn bloedend pootje heeft verzorgd wanneer ik in dat glas was getrapt bij het dollen op onze wandeling. Stomme mensen die glasscherven laten liggen, maar ja, er moeten er van soorten zijn, net als honden.

Zo, lieve mensen allemaal, bedankt dat jullie naar mijn verhaal hebben willen luisteren. Zoals je nu weet wat ik een gelukkig beest en was mijn bazinneke gelukkig met mij. En als ze ooit de reis naar hier maakt, dan zal ik op haar wachten aan de poort en haar de weg tonen.

Het gaat jullie goed, daar beneden, en zorg goed voor elkander!

 

EINDE