HET ZIEKENHUIS : Herstelling onder garantie – Deel 9

Eerst en vooral dank aan allen die mij een teken van leven hebben gegeven om me te laten weten dat ze mijn schrijfsels best wel verteerbaar vinden. Fijn. Ik hoop dat er nog meer stemmen opgaan, want ik zit nog lang niet aan die mysterieuze 80.

Sommigen vertellen me dat het jammer is dat ik enkel blog wanneer ik in het ziekenhuis lig. Maar weet je, zo boeiend is mijn alledaagse leven niet, hoor. En ik zie het me niet doen om dingen te schrijven over mensen die dicht bij me staan. Daar zie ik hen te graag voor en ik respecteer hun privacy.

En het is ook niet helemaal waar dat ik enkel schrijf wanneer ik in hotel Sint-Lucas verblijf. Voor de echte fans: klik helemaal bovenaan de website het menu open en daar zie je verschillende blokken met verschillende titels. Zo heb je bijvoorbeeld het verhaal dat onze hond vertelt vanuit zijn plekje aan de andere kant van de regenboog. Dat vind je onder de titel: ‘Memoires van een hond’. Of er zijn tips te vinden uit mijn vroegere praktijk onder ‘vaardig door het leven’. Of ook een paar blogskes van buiten de kliniek: ‘Het dagelijkse leven’.

En treur niet. Ik mag aanstaande maandag weliswaar naar huis, maar over zes weken ga ik de afdeling Beenhouwerij binnen om het stukje stoute Annie te laten wegnemen. Van zodra ze me daar een beetje hebben teruggetoverd begin ik op mijn PC te tokkelen. Beloofd.

 

Gisteren kreeg ik een vriendin op bezoek. Ik liep haar tegen het lijf toen ik uit de lift stapte en zij de lift naar boven wilde nemen. En aangezien zij ook rookt was het niet moeilijk om haar mee te tronen naar mijn traliewerk. Onderweg zei ze dat ze mijn vriendinneke had zien zitten, ‘de uuh-uuh’. Ge ziet, beste lezer, dat ik hier de waarheid vertel hé. Ik heb inmiddels getuigen.

En daarna zag ik ‘mijn vriendinneke’ niet meer. Niet gisteren en ook niet vandaag. Het zal wel gek klinken, maar ik begon ze verdorie al een beetje te missen. En toch verbazend hoeveel mensen je hier op korte termijn leert kennen. ’t Is prettig om een knikje van herkenning te geven en te krijgen wanneer je regelmatig dezelfde mensen tegenkomt. Je weet op de duur ‘de anciens’ van bezoekers of personeel te onderscheiden. Je herkent de nieuwkomers, je weet wie de babbelaars zijn en wie degenen die zich terugtrekken. Op mijn beurt weet ik dat ik gewikt en gewogen wordt, maar ze mogen. Ik vind het OK.

In de late namiddag zag ik plots mijn mongools vriendinneke zitten. En ja, ik vond het toch wel een klein beetje plezant dat ik ze nog eens zag.

– ‘Welken boek edde gij gekocht?’

– ‘Ik heb geen boek gekocht?????’

– ‘Jowel, bij de Standaard.’

Oh, mijn harde schijf deed het weer voortreffelijk (laat het astublieft nog een beetje zo functioneren, Lieve Heer, ik vind dat geschikt), en ik legde direct de link met het bezoek van mijn vriendin gisteren. Zij had een kadootje meegebracht en dat zat inderdaad in een zakje van Standaard Boekhandel en dat had ik aan de stang van mijn chemische fabriek gehangen.  Ik antwoord:

– ‘Ah ja, maar dat was een kadooke dat ik gekregen heb. Ik heb een boek gekregen. Ik heb het niet zelf gekocht.’ (goede vrienden kennen mijn gebruiksaanwijzing, n.v.d.r.)

– ‘En welken boek edde gekrege?’ (tof, die spontaneïteit. Zou iedereen moeten doen.)

– ‘Een dikke thriller.’ (goede vrienden kennen mijn smaak voor ontspanning, n.v.d.r.)

Ze trekt een verschrikt gezicht.

– ‘En loopt ‘em goed af?’

– ‘Dat weet ik niet, ik heb hem nog niet gelezen.’

– ‘Aah’.

Stilte.

– ‘Ik ‘em ier van de bubboteek nen boek van de Smurfen gekrege.’

– ‘A, dat is leuk’.

– ‘D’er stoat in dat as ge teveel eet en dik weurt, dat de mensen mei u lache. En as ge te veel smuurt, oek.’

– ‘Ja, jongske, dat is niet fijn, hé.’

– ‘Nieje, mor de meinse zein zu. Altijd mor lache mei ander meinse.’

En dan verzinkt ze weer in haar eigen gedachten, in éénheid met haar zelfgerolde saffietje. Ze houdt zich stil. Als ik vertrek begint ze weer te hoesten. Uuh-uuh, uuh-uuh. Het concert is dus voor de volgende rokende bezoekers.

 

En nu moet ik biechten. Heer, ik heb gezondigd. En ik heb er al gelijk mijn penitentie bij gekregen. Dan zijn we direct effen. Ik vind dat nog niet zo slecht.

Mijn lieve man is vanavond op bezoek gekomen en we zijn naar de cafetaria getrokken. Mijn ontstekingswaarden zijn alweer flink gedaald, dus erg ziek is dees niet meer, ik loop alleen nog met mijn chemisch bedrijf rond. Tot maandagnamiddag. Dan keer ik weer huiswaarts.

Elkeen die mij kent weet dat ik graag een glas wijn drink, en nog meer als ze me eerst veertien dagen op droog zaad zetten. Mijn halve trouwboek die vindt het niet erg dat ik rook in zijn bijzijn, dus waarom zou ik het erg vinden als hij een wijntje drinkt in mijn bijzijn.

Het verschil ligt hem wel hierin: hij doet geen trekje van mijn sigaret. Ik heb wel drie keer genipt van zijn wijn. Tegen de voorschriften in. Maar ik heb het – echt waar op mijn communiezieltje – gehouden op drie minuscule kleine nipjes.

Aangezien het niet uit zattigheid kan zijn, moet het dus wel dementie zijn, dat kan niet anders, maar ik had hier weer het een en het ander aan de hand toen ik na ons afscheid terug naar boven ging.

Ik zit vaak nog wat na te tokkelen op mijn GSM of berichtjes te lezen in de lift. Zo ook deze keer. Ik stap uit en sleffer naar mijn kamer 18. Ik kom binnen en ik zie dat het bed van mijn buurvrouw helemaal afgetrokken is. Ik schrik. Vervolgens kijk ik naar mijn nachtkastje en zie daar rommel op staan die niet van mij is. En dan merk ik op de koop toe dat mijn valies niet meer staat waar ze stond. Paniek!

Ik moet me van kamer vergist hebben. Ik ga naar buiten, kijk naar het nummer en stel vast dat het daar wel degelijk 18 is.

Doeme toch, stoem kieken weeral. Ik zat op het verkeerde verdiep. Maar dat was dus de penitentie voor mijn kleine zonde. Zolang het dat maar is, en dat mijn chemische troep niet begint te pruttelen door die drie nipjes ben ik al content.

Slaap lekker, allemaal.

(wordt vervolgd…)

 

HET ZIEKENHUIS – Herstelling onder garantie – Deel 8

 

Zaligheid. De wind is gaan liggen. Gisterenavond liep ik daar gelijk een zeilschip op het droge. Mijn Sinterklaasstaf-op-wielen werd vanzelf voort geblazen. Zelfs hondenweer heeft zo zijn kleine voordelen.

Ik had nooit gedacht dat ik een affiniteit zou kweken met een lift, maar het leven zit vol verrassingen. Jaja, alweer een liftverhaal vandaag.

Om te beginnen kom ik aan de gesloten dubbele deur op de afdeling, je weet wel, die met die cijfercode waar je rap moet zijn om door het open gat te razen. Er staat een dametje die ook naar beneden wil en kijkt hoopvol naar mij:

– ‘Kunde gij dadde?’ waarop ze naar de cijfercode wijst.

– ‘Ja, ik kan dadde.’

Ze tovert van de slag een grote smile tot achter haar oren. Voilà, ik heb al bij het ochtendkrieken mijn goede daad volbracht, dus moet ik daar de rest van de dag mijn hoofd niet meer over breken hoe ik mijn hemel zal verdienen.

We wachten op de lift. Er komt een verpleegster bij staan. Eigenlijk hebben die een aparte lift waar wij of de bezoekers geen gebruik mogen van maken. Maar die leek op dat moment wat trager te zijn dan de onze.

– ‘Ik kom hierbij staan als ik mag.’

Dat mag. Maar ik ben toch curieus en vraag haar:

– ‘wat zou je doen als we zeggen dat het niet mag?’

– ‘Dan zou ik op de andere lift wachten.’ zei ze.

Ge meent dat toch niet, zeg. Ik heb me niet geroepen gevoeld om haar een snelcursus assertiviteit te geven, maar ze zou het – mijn gedacht – wel kunnen gebruiken.

We stappen dus met drie vrouwen in de lift. Er staat een man in. Aan zijn kledij te zien is het een of andere technieker die hier ergens een klus klaart. Hij zegt meteen:

– ‘Die lift wil niet naar beneden. Ik ben op de 3 ingestapt, maar ik geraak er niet mee naar de 0’

Ja, ge kunt al peinzen dat ik zoiets niet ging laten passeren. Ik antwoord:

– ‘Ja maar, dat is omdat die lift het niet zo voor mannen heeft. Ge zult wel zien dat hij nu direct naar de 0 zal gaan met drie vrouwen erbij.’

– ‘Ah’, speelt de man het spelletje mee, ‘dan zal ik in het vervolg altijd moeten wachten tot er een vrouw mee instapt.’

– ‘Ja, maar ééntje wil nog niet zeggen dat je dan een Direct krijgt, hé. Misschien doet hij dan toch nog wel een tussenstop. ’t Is veiliger als je er toch een paar meeneemt.’

En ja hoor, wij zoefden meteen naar het gelijkvloers. De man blij. Ik ook.

Ja, die lift, je moet hem kennen.

Mensen keren moedeloos om wanneer bovenaan op het scherm te lezen staat: ‘buiten gebruik’. Maar dat doet die lift heel regelmatig. Je moet maar wat blijven aandringen op dat knopje, een beetje met tact weliswaar, maar je krijgt hem steevast aan de praat als je hem met liefde behandelt. Lift is ongetwijfeld vrouwelijk.

De man van een lieve vriendin zei dat die Annie het tot technisch directeur aan het schoppen is in die kliniek. Ik zal u eerlijk bekennen dat ik echt geen technische knobbel heb. Maar intussen heb ik al wel het een en het ander geleerd en ik hang hier ook soms de circus-artiest uit om dingen te fiksen.

Zo moet ik al eens op het bed van mijn buurvrouw kruipen terwijl zij erin ligt. Dat komt omdat de draad van haar afstandsbediening soms uit het stopcontact valt en dan moet die weer ingestoken worden aan het hoofd van dat bed, maar daar kan je langs de zijkant niet aan.

En dan zitten we daar met ons twee op dat bed, onze draden in elkaar verward als een siamese tweeling aan elkaar gekluisterd, maar uiteindelijk juichen we altijd om de overwinning.

Eenzelfde scenario met de TV. Haar TV is een beetje een koppige. Hij laat wel toe dat je één keer van programma verandert, maar de tweede keer weigert hij. TV is duidelijk mannelijk.

Dus, naar ik afgekeken had van de verpleegster, klim ik met mijn draden op de stoel, vervolgens op de zijplank die als tafel dienst doet, om dan de stekker even in en uit het contact te halen zodat die TV denkt dat het weer maar zijn eerste keer is. Ge moet mannen soms eens om de tuin leiden om uw goesting te krijgen, hé.

Maar gisteren moest ik me weer even terugfluiten en mijn hoofd tot de orde roepen want ik begon weer pijn te voelen en ik wil niet meegaan in dat ‘mezelf opdraaien’ want daar wordt toch niemand beter van. Dan vraag ik een pijnstiller en concentreer me op mijn boek. Een spannende thriller.

Zo geraakte de hele zaak ontspannen en gevolg was dat ik daar op Chris haar windhond begon te gelijken. Met dat verschil dat ik niet onder de tafel ben gaan liggen wanneer ze hier beginnen te eten, maar honden hebben daar betere excuses voor dan mensen.

Och, ze kijken er hier niet van op. Het blijkt zelfs een gezonde gewoonte te zijn die wordt aangemoedigd. Dat moet ge tegen mij geen twee keer zeggen.

Het doet me terugdenken aan die nacht dat Kristof, mijn oudste zoon, toen nog niet getrouwd, bij mij sliep in die kleine studio in de periode van mijn leven die ik de zwartste mag noemen. We lagen elk in ons eigen eenpersoonsbed dat achter mekaar tegen de muur was geschikt.

Ik dacht dat hij sliep en dat was maar goed ook, want ik was daar op dat moment een orkest op mijn eigen. En dat bleef maar duren.

Tot ik plots zijn stem hoorde in het donker:

– ‘Ja ma, we gaan u morgenvroeg zeker weer moeten oppompen, hé’

 

Om het verder te hebben over geurtjes; ik stapte gisteren in de lift (alweer de lift) en daar stond een man die een plastic tasje bij zich droeg. Er sloeg daar ineens een enorme visgeur in mijn neus. Man, dat is raar om in een ziekenhuis ineens visgeur te ruiken. Mijn hersens wilden precies niet helemaal meer mee. Die vonden dat ik in een viswinkel stond, maar mijn verstand zei ook dat het niet zo was.

En mijn gebruiksaanwijzing wilde dat ik daar iets over zei, maar ik heb de teugels niet laten botvieren. Het lag op mijn tong om te vragen of het nu dat plastic tasje was dat zo rook, of dat hij bij een vis geslapen had. Maar ik heb het niet gedaan. Zie je wel dat ik aan het bijleren ben.

(wordt vervolgd…)

 

 

HET ZIEKENHUIS: Herstelling onder garantie – Deel 7

 

Eerst een woordje over deze blog.

Ik kan geniepig volgen hoeveel mensen dagelijks mijn blog lezen. Ik wil het met je delen, het zijn er gemiddeld een 80-tal per dag. Het probleem is dat Analytics, het programma dat me helpt om dit stiekem op te volgen, enkel het aantal weergeeft en ongeveer een locatie. Ik weet wel wie mijn vaste fans zijn, maar ik blijf me toch afvragen wie dit allemaal leest. Dus als je me een plezier wil doen, reageer dan even via de blog. Onderaan is er altijd ruimte voor reactie.  Dat kan ook anoniem naar de buitenwereld toe. Merci.

Vandaag was er wat commotie rond mijn ontslag. Blijkbaar stond er – verkeerdelijk – genoteerd dat ik vandaag naar huis zou gaan. Maar daar is geen sprake van. Ik moet eerst die intraveneuze kuur afmaken. Staat dus opgeschreven voor evaluatie op maandag en dan mogelijk ten vroegste ontslag.

Intussen is de ader aan mijn infuus flink ontstoken geraakt, waarschijnlijk mede doordat ze die al overal geperforeerd hadden. Dus de slangetjes moesten eruit. Mijn harde schijf moest niet lang draaien om te beseffen dat er dus weer eens opnieuw moest geprikt worden. Halleluja. Daar zat ik nu net op te wachten, zie.

Ik vroeg of ze me maar meteen iemand van spoed wilde vragen om dat ding erin te boren, want ik wilde niet opnieuw voor speldenkussen spelen. Er kwam (alweer een hele lieve) verpleegster binnen die een deal met me wilde maken. Of ze eens mocht kijken naar mijn aders, en als zij het zou zien zitten, zou ik haar dan een kans geven?

Ja, ik ben altijd in voor deals, en zeker als ze op die manier worden voorgesteld. Toffe madam.

En voilà, het is haar van de eerste keer gelukt zonder bloedvergieten en zonder dikke donkerblauwe builen onder mijn huid. Kus van de juf en bank vooruit!

Gevolg is wel dat ik links mijn pols amper kan bewegen door die ontstoken ader en door de zwelling, en dat er rechts nu weer een infuus zit. Ik moet nog een truuk vinden om mijn poep deftig af te vegen. Wel-wel, wat zit geluk toch in de kleine dingen! Heb jij je ooit al eens gelukkig gevoeld omdat je zonder problemen schoon uit de wc kan stappen? Ik snap niet waar terroristen, of sommige politiekers, of zanikers zich druk om maken.

Ik heb in elk geval ook erg genoten van de korte infuus-vrije tijd om een uitgebreide douche te nemen. Weeral zo’n gelukzalig moment.

Ik vermoed dat het daar bij jullie ook zo’n hondenweer is, net als hier. Ging ik gisterenavond nog eens naar het getraliede apenkot waar voor een keer geen stank hing van de smeulende sigaretten omdat de wind zo hard waaide dat niet alleen alles wat minder vast zat omver waaide, maar dat de lucht ook gezuiverd werd en dat is toch maar weer het voordeel ervan.

Er zat een oudere dame een sigaret te roken. Ik schatte haar ze zo’n jaar of 75. Mager, maar netjes verzorgd. Zwarte mantel, witte coltrui, grijze haren netjes in de korte krullen. Ze hoest en spreekt me aan:

– ‘ ‘k Meug eigelijk nie smuure van den dokteur.’

– ‘Ah nee? En rookt ge veel?’

– ‘Neje, ik sneukel veule mier. Koekskes en zu, een iel pakske. Mor ik zen goppereerd on mein herte… Mor ik ruuk al van azzek 12 joar benne, en na zennek er 60.’

Oei. Foute initiële inschatting, Annie. Maar eerlijk, ze zag er ouder uit. Ze komt me ook een beetje verward over. Maar misschien vergis ik me daarin ook.

‘ ‘k Zen goppereerd azzek just bevalle was van mein dochter’.

‘ Oh, dat is dan al lang geleden?’

‘Jaja, da’s lang geleje…Van in moarte….’

Ja, toen wist ik het wel zeker dat er sleet zat op haar harde schijf. En zelfs nog meer dan op de mijne.

Wanneer ik vervolgens terug kom op de kamer, weet mijn buurvrouw me te zeggen dat ze zo’n spijt had dat ik even weg was, want dat ze net bezoek had gekregen van die ene botte verpleegster.

Ze had haar gevraagd of het mogelijk was om even naar haar TV te kijken om er de ondertiteling op te zetten.

Bot en stuurs klonk het antwoord: ‘Neen. Ik ken niks van TV’. En weg was ze.

Alle anderen zouden gezegd hebben: kom ik zal eens kijken, of anderen zouden zeggen, ik ben daar geen kei in maar ik zal het mijn collega vragen. Gelijk wat, maar niet zomaar iemand laten zitten zonder een deftige oplossing aan te bieden.

Bij het voorbij wandelen hoorde ik toevallig twee oudere dames die in de gang zaten ook klagen tegen mekaar over die ene. Ik wilde niet de luistervink spelen en heb dus niet de clou van het verhaal kunnen opvangen, maar het is wel duidelijk dat zij hier het onderwerp van gesprek is.

Het dametje met Mongolisme ben ik heel regelmatig tegengekomen en dan hebben we altijd wel iets van conversatie of wat ervoor doorgaat. Ze zat er al een paar keer met enkel een operatiekleedje aan en daarover een oranje t-shirt met korte mouwen te rillen van boven tot onder. Ik was er wat van ontdaan en vroeg haar waarom ze haar jas niet aantrok, of minstens een kamerjas.

‘De verpleegster éé meine jas afgepakt’

‘En waarom heeft ze dat gedaan?’

‘Da weet ek nie.’

Ik veronderstel dat dit een poging zal geweest zijn van de verpleegster van die afdeling om haar binnen te houden, maar het was duidelijk geen succes. Ze ging nog liever in de kou zitten dan haar sigaretje te laten. Dat is ook geen werk, want het kind heeft het serieus aan haar longen.

Op een keer vroeg ze mijn naam. Die heb ik haar ook gezegd. En ze heeft me ook meteen de hare gezegd. Neen, die kom je niet te weten. We moeten het hier een beetje proper houden. Al valt er niets respectloos te zeggen over dat dametje, enkel dat het wel een speciale is.

– ‘Mei zeuster is celibaat in’t kluuster…’ Dat zegt ze zo maar ineens uit het niets. Of

– ‘Mijne noenkel is …..’

Ik ga hier niet te veel in detail gaan, want wie weet is er iemand tussen de lezers die linken legt, en dat vind ik niet zo plezant.

Op een keer zie ik haar weer in haar t-shirt zitten, maar deze keer zit ze binnen in de hal. Ze roept van ver mijn naam. Het is druk in de hal en alle mensen kijken me aan.

‘Kom ne kier bei mei!’

‘Seffens, ik ga eerst een sigaret roken.’

Ze protesteert niet.

Ik moet vervolgens maar een stap binnen zetten of het scenario herhaalt zich. Ze roept weer luid mijn naam en ik ga naar haar toe.

‘Ik em van die bubbelkes om mei veremelte. Zoukik HIV emme?

Oprecht, ik denk niet dat zij bij de risicopatiënten hoort, al weet een mens maar nooit. Maar ik kies er toch voor om haar gerust te stellen.

‘Maar neen, gij hebt zeker geen HIV. En als ge toch niet helemaal zeker zijt, vraag het dan eens aan de verpleegster op uw afdeling.’

Ze knikt en laat haar hoofd weer op haar borst zakken, haar gewone ontspannen houding. Ik hoor ze vandaag niet hoesten.

Een van de vorige ontmoetingen zat ze – zoals meestal – weer haar ritmisch geforceerde hoest te voorschijn te toveren. Er stonden wat mensen in het rokerstraliewerk. Een dame stoorde zich er duidelijk aan.

‘Zoude da niet stoppen?’ zei ze boos tot mijn vriendinneke. Maar die reageerde niet en zette haar uuh-uuh duchtig verder.

Blijkbaar ging die dame meer en meer in de stress, en ze herhaalde nog eens dat ze er moest mee stoppen. Maar alweer geen effect.

Ik kon er niet aan doen, maar ik moest er mij weer mee moeien. Ja, ik weet het, ik moet er meer op letten, maar dat is gelijk een automatisme dat eruit komt zonder dat ik daar zeggenschap over heb. Ik zeg:

‘Laat ze maar doen, want ze vindt dat plezant’.

Waarom de dame zich opnieuw tot mijn vriendinneke richt en zegt:

‘Gij kunt da messchien plezant vinde, moar wij vinde dat iel ambetant!’

Och ja. Vanaf daar is het me gelukt om mijn tong in te slikken. Wat baten kaars en bril als de uil niet zien ’n wil.

(wordt vervolgd….)

 

HET ZIEKENHUIS: Herstelling onder garantie – Deel 6

 

Olè…olè-olè-olè-olèèèèèè!!! Ontstekingswaarden weer gezakt. Ik moet weliswaar minimum tot na het weekend hier blijven, maar ik vind het allang goed dat het de goede richting uit gaat. Met een nog langer verblijf kunnen ze mij niet straffen. Het was erger toen ik op internaat in Tildonk zat op mijn 12 jaar, dan hier. ’t Is hier goed.

En ’t mag gezegd dat het ook wel eens plezant is om geen moer uit te voeren zo ganse dagen. En toch verveel ik me geen seconde. Boekje lezen, beetje schrijven, babbeltje slaan, beetje rusten, beetje eten,… En om dan helemaal het schaamrood op de wangen te krijgen komen ze ook nog eens vragen of alles goed gaat en of je nog iets nodig hebt.

Ik heb intussen al mijn sociale engagementen op pauze gezet. Heb even tijd nodig om mijn hele carrosserie weer in orde te laten zetten vooraleer ik me weer volop in de activiteiten kan smijten.

Ik postte op mijn Facebook: ‘Ik zit in de fleur van mijn slijtage’, wat dus een waarheid als een koe is. Want er is uiteraard flinke slijtage, dat kunnen we niet ontkennen. Maar het is ook een beetje fleur want uiteindelijk is het leven wel mooi als je al een stuk van de weg hebt afgelegd en je leven in balans is geraakt.

’t Was grappig dat er een man repliceerde op die post met ‘Ik vraag me af wie er met dergelijke onzin kan lachen’. Ik heb geantwoord dat het leven een stuk gemakkelijk is als je kan relativeren en wat humor inlassen. Ik kreeg van de slag meteen een heleboel ‘likes’. Heel leuk om te zien. Dank je wel, lieve vrienden en vriendinnen.

Ik heb gemerkt dat hij zijn opmerking er intussen heeft afgehaald. Ik hoop dat het gewoon eerlijke schaamte is geweest, of misschien nog beter: inzicht dat hij toch een beetje te veel zuurpruim is om vrolijk door het leven te kunnen gaan.

Mijn buurvrouw en ik hebben hier al ons verhaal gedaan tegen een paar mensen van de verpleging over die ene verpleegster die het niet nauw neemt met de patiënten. En wat horen wij: men weet met naam en toenaam over wie het gaat, het probleem is al een aantal jaren gekend. Maar dan komt de grote verrassing: er kan niets aan gedaan worden zolang er geen echte professionele fouten worden gemaakt. Men kan geen medewerkers sanctioneren omdat ze onvriendelijk – of in dit geval kortom bot – zijn. Dat is blijkbaar geen criterium. Tot hiertoe alle lof voor dit ziekenhuis, en deze afdeling in het bijzonder, maar waar het over dit criterium gaat: Shame On You, Sint-Lucas!!

En ik heb als afsluiter nog een paar lift-verhalen.

Het is hier sinds mijn laatste bezoek nog altijd niet veranderd: er liften hier nog altijd geesten mee.

Ik stap met een man in de lift op de vierde verdieping. We willen allebei naar het gelijkvloers. Toch stopt de lift op de derde verdieping en niemand staat te wachten om in te stappen. De man zegt:

– ‘allez, hoe komt dat nu dat die hier stopt?’

– ‘Dat zijn de onzichtbare geesten die mee willen. Dat is hier de gewoonte.’ zeg ik.

De deur sluit en we liften verder. Maar op de tweede verdieping hebben we weer prijs. De lift stopt. Deze keer stapt er wel een dame in, maar wat blijkt: ze duwt een rolstoel verder waar niemand inzit. Deze was te schoon om te laten liggen, dus ik zeg tegen mijn mee-lifter:

– ‘Ziet ge wel, er zijn ook geesten die niet meer zo goed te been zijn, en die moeten dan in zo’n karreke zitten’.

 

En dan was er die keer dat ik op het gelijkvloers stond en naar boven wilde. Ik zie dat de meneer die voor me staat op het pijltje naar beneden heeft gedrukt. Ik duw de pijl naar boven in en vraag aan de man:

– ‘Moet u naar beneden, Meneer?’

– ‘Neen, naar boven.’

– ‘Dan denk ik dat het beter is om op het pijltje naar boven te drukken’, zeg ik. (Annie, wanneer gaat ge nu eindelijk eens leren om u niet te moeien?)

Weet ge wat die man mij zegt?

– ‘Maar, Madam, die lift staat nu boven. Die moet toch naar beneden komen, zeker? Ik kom hier al 12 jaar, dus ik zal wel weten hoe het moet, hé?’

Ik heb wijselijk geknikt en in bij mezelf gedacht: ‘Gvd, Annie, laat de mensen doen. Zolang ge er zelf geen last van hebt, hou dan uwen bek’.

Ik zal mijn best doen.

(wordt vervolgd….)

 

Het Ziekenhuis: herstelling onder garantie – Deel 5

 

Ik mag hier een keer goed nieuws komen melden. De nieuwe antibiotica blijkt aan te slaan. Gelukkig, want dit is de hoogste in rang die men op de afdeling mag toedienen. Het spul bestaat alleen in intraveneuse vorm zodat ik hier nog een tijdje zal vastgebonden blijven aan mijn slangetjes. Het maakt me in dit stadium geen moer uit. Van mij mogen ze me hier een maand houden als ik maar van die ontstekingen af geraak. Ik heb hier toch al lang mijn tent opgezet. En ik weet ook intussen dat je hier een aardappelmesje moet mee hebben om fruit te schillen, dat het belsysteem al eens kan uitvallen, hoe ik de lift weer kan doen praten wanneer hij niet wil bewegen, hoe ik de TV kan herstellen wanneer die tilt slaat, ik weet wat de geplogenheden zijn, de uurplanning, de toffe en de minder toffe mensen.

Na mijn ontslag gaat de timer in voor 6 weken omdat het zaakje ‘moet afkoelen’. En dan onder het mes. Stukje stoute Annie eruit. Ik hoop dat ik er een beter mens zal van worden.

En wel heel erg vingers kruisen dat de ontsteking niet weer opsteekt gedurende die 6 weken afkoelingsrust, want dan wordt het ingewikkelder en lastiger. Ons Annie zal het dus hééééél rustig aan doen. ’t Is maar dat iedereen weet dat ik mogelijk neen zal zeggen als mij iets gevraagd wordt. En nog erger: het zou wel eens kunnen dat ik die goede gewoonte zal doorzetten erna.

Maar voorlopig ben ik onder dak en in goede handen. Mijn lijf past zich aan het ziekenhuisritme en de omstandigheden aan. Het was al zelfs zo ver dat ik tijdens dat ene nachtje thuis – toen ik wilde opstaan voor een plas – op zoek ging naar mijn stang met mijn chemische fabriek eraan en ze uiteraard niet vond. Jaja, ik weet het, het kan ook beginnende dementie zijn. Soit.

En mijn blog heeft hier toch al zeker één zichtbare vrucht afgeworpen: de ‘pousse ici’ is verdwenen en er hangt een mooie propere indicator boven het systeem: ‘deur openen’ met een pijltje naar onder. Perfect!

En ik leer hier zelfs meerdere dingen bij.

Zo zijn er de stagiaires die opgeleid worden en ik vrees dat ze mij graag uitkiezen als oefenmateriaal. Maar ’t is hun met plezier gegund. Op mij mogen ze hun onkunde botvieren, maar als het zeer doet gaan ze het geweten hebben, en als ze beginnen te prutsen moeten ze er kort spel mee maken. Maar verder ben ik een en al gewilligheid en haal ik mijn portie humor uit de kast om die jonge meiden gerust te stellen. En zo leer ik natuurlijk ook nog iets bij. Ik kan met gemak een baxter vervangen (al heb ik dat ooit 40 jaar geleden ook geleerd), en ik zet dat ding zelf dicht als er eentje is leeggelopen. De andere moet altijd blijven lopen, dag en nacht. Vind ik niet erg. ’t Is alleen wat vechten met die plastieken draden in bed, en al dat vocht dat ze in mijn lijf pompen moet er ook ergens uit, nietwaar?

Er was een stagiaire die moest tonen aan haar begeleidster dat ze in staat was om de ademhaling te tellen van mijn buurvrouw met longproblemen. Blijkbaar bestaan daar nog geen machientjes voor. Het is dus kwestie van op je horloge te kijken en te tellen hoe vaak iemand ademt.

Zegt die begeleidster: ‘maar het is natuurlijk wel een probleem wanneer een knap ogend studentje een man moet onderzoeken en zich over hem buigt om te tellen, want je kan er donder op zeggen dat die dan naar adem snakt, en dan is je telling om zeep. De kunst is om bij de mannen liefst iemand anders (lees: een man of een lelijke meid) de klus te laten klaren.

Maar ik krijg hier ook uitbreiding van mijn talenopleiding. Bij nader inzicht vond ik het wel heel interessant dat we indertijd Nederlands, Frans, Engels en Duits met bakken te zwelgen kregen, zowel in grammatica, dictee, historiek van de landen, literatuur, maar ook al die talen in handelscorrespondentie, steno en dactylo. Als talen zouden zichtbaar zijn, dan zou je mezelf en al mijn klasgenoten in een grote aura van kleuren zien rondgelopen hebben. Wij àdemden talen.

Maar dus bij nader inzicht had het Turks in deze tijden ook wel van pas gekomen. Ik heb intussen al wat straat-Turks mogen leren van die mensen, en dat is best wel leuk.

Want zeg nu zelf, het is toch vooral het taalverschil dat de basis vormt van de kloof tussen ons en de mensen die van elders komen (en allez ja, ook het gedrag van sommigen, ik geef toe). Beide partijen mogen nog zo vriendelijk en zo eerlijk en oprecht zijn, maar als je de taal niet spreekt kan je geen contact leggen, en als je geen contact kan leggen kan je ook weinig te weten komen van de geplogenheden, en dat maakt de integratie dan weer moeilijker.

Ik ben dus begonnen met het goede voorbeeld te geven. Volgende keer dat we elkaar ontmoeten zal je het in het Turks moeten doen. Grapje. Ik ken maar een paar woordjes. En ik moet eerst mijn Spaans onder de knie krijgen.

Ik heb ook geleerd dat sociale media onbewust beslag op je legt, en dat het een kwestie is van een gezond evenwicht te houden: je er niet laten door besturen, maar je moet het ook niet afzweren. Ik heb in elk geval mijn instellingen zodanig aangepast dat ik niet telkens een mail krijg wanneer iemand iets gepost heeft, en ik heb ook de geluidjes uit mijn gsm gehaald. Wat een rust en vrede!

Een mens moet waarlijk in een ziekenhuis belanden om tot dat inzicht te komen. Of misschien was dat inzicht er wel, maar drong het toch onvoldoende door om tot actie over te gaan. Is intussen gebeurd. Bank vooruit, Annie. Ik raad allen aan om mijn voorbeeld te volgen. Het doet deugd.

En ja, misschien moeten we wel in een ziekenhuis belanden om eens te bezinnen, om stil te staan en scherp te stellen. Zo zit ik al een tijdje mijn hersens te pijnigen waarom ik heb wat ik heb.

Immers, men zegt dat je de ziekte krijgt die je verdient. Amai, ik vind dat wel een straffe, maar je weet dat ik voor alles open sta. En als je leest hoe Freud daarover dacht, dan  is het niet slecht om er toch even blijven bij stil te staan. Blijkbaar geeft je ziekte de dingen die je onderbewuste geest verlangt. Want die onderbewuste geest die kijkt niet naar de manier waarop, niet naar het middel, enkel maar naar het doel: datgene wat het verlangt. Het zal je onderbewuste worst wezen dat je dat verlangen kan voldoen door een rotziekte.

Kijk, of het bovenstaande nu waarheid is of niet, ik vind het toch altijd de moeite om eens op onderzoek te gaan en me in dit geval af te vragen welke voordelen mijn ziekte mij opleveren.

En neen, ik ga jullie mijn diepste psyche niet uiteenzetten. Die is bovendien alles behalve interessant, of minstens gênant. Maar ik kan je wel verklappen dat ik vanaf nu mijn prioriteiten anders zal leggen, voor zover ik dat al niet deed in de voorbije dagen. Maar eigenlijk was ik daar al achter van voor mijn opname. Ik snap niet goed waarom mijn onderbewuste me dan toch nog daarvoor in het ziekenhuis moest sjotten. Ik zal nog wat verder moeten spitten, denk ik.

Om af te sluiten: ik zei al dat het soms risico’s inhoudt om te bloggen. Hier volgt er nog eentje.

De dame die zo lief is ’s ochtends mijn boterhammekes te roosteren zag me bezig met schrijven.

– ‘Aan ’t bloggen, Annie?’

– ‘Ja hoor’

– ‘Zie maar dat het positief is he, of ge zult er over vliegen met uw geroosterde boterhammekes.’

’t Was uiteraard om te grappen, en kijk, dat fleurt het ziekenhuisleven hier op als de verzorgenden je met humor benaderen. Leuke boel hier. Maar tussen ons gezegd en gezwegen: toch liever gezond thuis!

(wordt vervolgd…)

 

HET ZIEKENHUIS – herstelling onder garantie – Deel 4

Je kent dat liedje van Johan Verminnen: ‘ik voel me goed, ik voel me goe-oed…’

Wel ja, dat zat ik vanmorgen tot mijn eigen verbazing te neuriën. Ook al zou de dokter me straks komen vertellen dat de antibiotica niet aanslaat, ik geloof er geen moer van, want ik voel het verschil.

Vorige week hadden we het met een groepje vrienden nog over de definitie van geluk. De beste definitie die voorhanden is luidt: ‘geluk is de afwezigheid van ongeluk’. Bij deze kan ik dit zonder omstuit bevestigen. De afwezigheid van pijn en ziek zijn is voor mij op dit moment het summum van geluk. Laten we dit met zijn allen goed in onze hersenpan drukken voor de kleine baaldagen.

Vorige week vrijdag mocht ik dus naar huis. Mijn weekje ziekenhuis zat erop. Herman zou pas ’s avonds thuis komen van skireis, maar ons Annie kan haar plan trekken. Gewoon taxi genomen. Is maar 6 km tot thuis, dus kost geen fortuin.

Je weet hoe dat gaat als je na zo een weekje thuis komt, dan heb je meteen vanalles te doen. Was insteken en uithalen, droogkas opzetten, vaatwas leegmaken, sanitair wat opfrissen, de rondhangende rotzooi wat opruimen, snel naar de apotheker om de voorgeschreven antibiotica te halen….

En na een helse nacht heb ik maar weer eens de huisdokter gebeld. Bloedafname en analyse, en ja hoor, ga maar weer binnen. Het zit niet goed.

De was is nog niet gestreken, maar die moet dan maar zo in de valies. BALEN!!!

Maar deze keer kon ik nog op eigen pootjes staan om binnen te gaan. Dat was al iets.

Op de spoedafdeling voelde ik al meteen dat het infuus niet goed zat. De boel begon daar meer en meer pijn te doen. Maar een mens wil anderen niet tot last zijn, dus hield ik mijn mond. Eenmaal terug op mijn vertrouwde afdeling kon ik het toch niet meer houden en vroeg om het infuus te verplaatsen. Nu kan ik me best wel voorstellen dat ze voor zo een klus niet staan te springen, en ik heb wel een en ander uit de kast moeten halen om het toch gedaan te krijgen.

De verpleging op de afdeling waarover ik zoveel lof heb mogen uiten bleek toch ook hier en daar wat barstjes te hebben.

– ‘Dat kan niet verkeerd zitten, want het loopt’, zei een voor mij tot dan toe onbekende verpleegster.

Ja, dat kan wel zijn dat het loopt, maar het loopt blijkbaar toch niet allemaal waar het moet lopen, want mijn hand begint aardig te zwellen. Uiteindelijk kwamen twee verpleegsters dan toch de klus klaren.

Eerste prik: Auw verdorie, dat deed pijn. Knal, ader gesprongen. Dan maar tweede poging. Auw, weer foute boel. De andere verpleegster beslist om het ook eens te proberen aan de rechter kant. Knal, weer ader gesprongen. Het bloed sijpelt eruit. Komt er een derde verpleegster binnen die zelfzekerder is en de zaak in handen neemt. Maar neen hoor, weer mis.

Zeg eens, ik voelde me precies een stuk papier dat moest geklasseerd worden en waar je de gaatjes niet goed inkrijgt. Helemaal geperforeerd. Als ik een glas water zou gedronken hebben, dan zou het er langs de gaatjes zijn uitgelopen gelijk kleine fonteintjes.

Maar ik moet toegeven dat ik echt lek sloeg. Het potje was vol. Eerst de teleurstelling om weer binnen te moeten, de pijn, de angst voor een gecompliceerde operatie, en dan al de geprik in mijn lijf. Nu ben ik doorgaans niet zo’n huilebalk, maar deze keer kon ik het janken efkes niet tegenhouden.

Uiteindelijk hebben ze de spoed gebeld en is er een spoedverpleegster de zaak komen klaren. Prikje, en de naald gleed erin als een warm mes in boter. Fantastisch. Ik had het kind bijna een kus gegeven van contentement. Vijfde keer, goede keer.

Ja, verpleegsters, je hebt er van soorten.

Mijn buurvrouw – een hele lieve deze keer; ik vertel je straks nog over de vorige – wordt thuis in de home elke dag gewassen. Dus lijkt het mij normaal dat ze dat in het ziekenhuis ook doen. En dat gebeurt heel netjes, behalve door één verpleegster. Het menske was er het hart van in toen ze me vertelde dat ze als antwoord had gekregen van die ene verpleegster waar ik hier zonet over vertelde:

– ‘Niet kunnen, dat bestaat niet’.

Blijkbaar moet ze dan toch één keer een poging hebben gedaan om zich aan de klus te zetten, en halverwege de wasbeurt liet ze mijn buurvrouw gewoon zitten in de badkamer. Die heeft haar moeten bellen en toen ze tevoorschijn kwam zei ze:

– ‘Hewel, wat is er?’

Ik vind het erg voor mijn buurvrouwtje, maar ergens was ik ook wel een beetje blij om haar verhaal te horen, want ik dacht al dat het aan mij lag dat het mens zo mottig deed.

Ik maakte haar erop attent dat de ader waar fout gestoken was begon te ontsteken.

– ‘Dat kan niet ontstoken zijn’ kreeg ik als antwoord. ’t Is toch wel straf dat er verpleegsters rondlopen die beter kunnen voelen dan datgene wat jij voelt. Het deed gvd zéér!

Ik liet het voor wat het was en legde mijn probleem voor aan een tweede, jonge verpleegster die altijd heel vriendelijk en behulpzaam is. Zij beaamde wel mijn ongemak, maar zei dat het vanzelf wel zou overgaan. Ik ben een leek op dat vlak, dus ik neem het voor waarheid. Volgens mij wist ze zelf niet beter, want ik ben er zeker van dat ze zou geholpen hebben.

Maar tegen de avond begint die zooi daar hoger en hoger te ontsteken tot in mijn elleboog. Ik vertel het de nachtverpleegster, ook een hele lieve. Die zegt prompt:

– ‘O ja, dat is ontstoken en dat wordt altijd erger als je daar niets aan doet. Ik ga zalf halen.’

En tegen de ochtend was de pijn bijna helemaal weg. Zo simpel kan het leven zijn.

Dan schiet mij dat cabaret-liedje te binnen: ‘we zijn er om mekaar, om mekaar, te helpen nietwaar…..’

Het was diezelfde norse die naar me beet:

– ‘ge kunt maar zorgen dat ge genoeg beweegt hé, want ik heb gezien dat ge uw spuit hebt geweigerd. Het is op UW verantwoordelijkheid, he!’.

Ja zeg! Is het de bedoeling dat ik me een stout kindje voel?

En nog eentje om het af te leren: Alle verpleegster nemen steeds bloeddruk aan de arm waar je geen infuus hebt omdat het behoorlijk pijn doet als daar druk komt op te zitten. Die ene verpleegster veegde daar vierkant haar voeten aan. Toen ik ze zag afkomen vroeg ik haar of het niet aan de andere kant moest, waarop ze zei dat het allemaal gelijk was en gewoon verder deed. En het doet inderdaad verdorie geen deugd als ze die band oppompen. En alsof de duivel het erom deed, het duurde ook veel langer dan normaal.

Het doet me enorm denken aan het onderzoek dat mijn collega’s een flink aantal jaren terug gedaan hebben bij Albert Heijn in opdracht van hun directie.  Daaruit bleek dat de medewerkers er heel graag werkten. Alleen vonden ze de klanten er het lastigste aan.

Misschien is het met sommige verpleging ook zo: dat ze graag in het ziekenhuis werken, maar dat de patiënten er te veel aan zijn.

Tja, ik heb heel wat lof gezwaaid over dit ziekenhuis en de afdeling, en dat was ook terecht, maar nu en dan laten ze – zoals overal – wel eens steken vallen of lopen de dingen wat anders dan gehoopt. Maar ik moet eerlijkheidshalve zeggen dat ik hier intussen toch al weer door de meesten in de watten ben gelegd. Babbeltje slaan, met spoed zalfje besteld, heb je nog iets nodig? ga maar eerst eentje roken, ik kom straks wel langs, eet je wel goed? wil je iets anders om te eten?……

Ik had het de vorige keer over mijn buurvrouw en over het feit dat ik mijn oordeel niet te snel mocht maken. Ja man, ik was misschien toch nog zo mis niet die eerste keer.

De eerste dag dat die dame werd opgenomen was het allemaal nog te doen. Haar man en één van haar kinderen kwamen op bezoek. Niets abnormaals. Maar vanaf de volgende dag was het daar volle bak. ‘En moede gulle e kafeeken hemme? ‘k zal er goan oale!’ Een café zou er jaloers op geweest zijn met zoveel klanten. En dat gedurende de volle periode van de bezoekuren, zijnde van 14u tot 20u. En dan maar tetteren over Familie, over Thuis, over de hond, over de auto, over nonsens die je niet wil weten.

Op een avond vraagt buurvrouw me of ik geen last heb van haar bezoek. Ik antwoord haar beleefd en naar waarheid:

– ‘Ik werd er op het einde wel wat moe van, ja.’

Een beetje later zei ze dat ze haar man had gebeld om het hem te melden en dat ze er zouden op letten. Tof. Maar het was ijdele hoop. De volgende dag kwam er zelfs nog meer volk. Er zat altijd een minimum van 5 personen met een gemiddelde van 7 en een piek van 12.

Ja zeg, je bent dan al maar een wrak en doodmoe, dan lig je graag in een ziekenhuis en niet in een café, toch?

Zelfs een verpleegster die eens binnenkwam zei:

– ‘maar allez, madammeke, wat een lucht hier binnen met al dat volk. En gij hebt het aan uw longen? Dan moet ge zorgen voor zuurstof!’ waarop ze prompt de venster open gooide. Maar dat heeft niet lang geduurd, want ze vonden het snel te koud.

Ik passeerde mijn dagen meestal door op de bank in de gang, of beneden. Maar op een bepaald moment was ik zodanig moe dat ik dan toch maar in ‘het café’ op mijn bed ging liggen ondanks de vieze lucht en het lawaai. Ik lag er met mijn ogen dicht, maar van slapen kwam niet veel in huis.

Toch moet de buurvrouw gedacht hebben dat ik sliep want ik hoorde haar zeggen tegen haar bezoek:

– ‘Ze vindt zij mijn bezuuk lastig. Moar asse d’er nie tegen kan, dan moe ze moar een koamer apart vroagen, hé.’

Ik heb niet de moeite genomen om het er nog over te hebben, maar van mij heeft ze niet veel klank meer gekregen. Ik hou van mensen, maar ik kan niet tegen mensen met twee gezichten. Dan keer ik me zodanig dat ik geen van beide gezichten nog moet zien.

Ik lig nu op de kamer naast die van vorige week en ik heb gelukkig een hele lieve buurvrouw. Ze kwam zich meteen voorstellen toen ik aankwam en ze bood meteen aan dat ik haar hulp mocht inroepen als het nodig was.

En bij de vorige kreeg ik als kers op de taart na al het bezoek ook nog eens haar TV-programma’s kado. Van mij mogen mensen kijken naar wat ze willen, maar Familie, Blind Getrouwd en Top Chefs zijn aan mij niet besteed.

Nu staat die lichtbak minder aan en als hij aan staat dan is er het nieuws en al eens een programma over actualiteit. En een goed filmke zal ik ook niet versmaden.

Soort zoekt soort.

En nu is het genoeg met gezaag en tijd om het over iets anders te hebben.

Ik ging vanmorgen een sigaret roken, fris gewassen, met een gewassen-maar-niet-gestreken pyjama. Er zat maar één persoon, een dametje met mongolisme, vastgeketend aan een infuus dat veel ingewikkelder was dan het mijne. Ze rookte een gerolde sigaret, en ze stopte niet met hoesten. Ik merkte dat ze het erom deed, dat ze de hoest zelf opriep. Uuh-uuh…..uuh-uuh…..uuh-uuh…. altijd in hetzelfde ritme. Ik kijk haar aan zonder iets te zeggen.

– ‘Ik heb het aan mijn longen!’ zegt ze.

– ‘Ja, dat hoor ik. Is het dan wel slim om zo te roken?’

Ze hoort het niet, of wel, maar ze antwoordt in elk geval niet.

Na het aanhoudende artificiële gehoest kijkt ze me aan, en zegt:

‘Ik vind da plezant’

‘Ah ja? Ik denk dat dat niet zo goed is voor je longen als je dat zo uitlokt.’

waarop ik een luid en kordaat antwoord kreeg:

‘Ik doe mijn goesting!!’

Tja. Natuurlijk kan ze haar goesting doen. Ik moei er me niet mee. Ik heb genoeg aan mijn oren met mijn eigen stomme buik zonder mezelf op te dringen als goede fee voor de mongole (of hoe zeg je dat?) longpatiënten.

Hoewel ze mij hier in dat rookkot al ‘moeder Theresa’ hebben gedoopt. Dat kwam zo:

Toen ik eraan kwam waren er drie mannen van vreemde origine die elkaar kenden. Eén ervan stond recht en sprak een jong en tenger dametje aan die aan het roken was. Hij maakte een opmerking over de kamerjas die ze droeg omdat die een kap had in de vorm van een konijntje. Hoe het gesprek er uiteindelijk opgekomen is weet ik niet meer, maar op een bepaald moment deed ze haar kamerjas wat open om te tonen dat ze zwanger was. 8,5 maanden. Ze kreeg daar een sermoen van die man, dat het niet verantwoord was, en dat ze aan haar kindje moest denken. Ze pruttelde tegen en zei dat ze maar vier sigaretten per dag rookte.

En dat bleef daar maar doorgaan, dat sermoen en dat verwijt tot het kind tranen in de ogen kreeg. Ik kon het niet meer aanhoren en ben er tussen gekomen. Ik zei tegen die man dat hij haar stress bezorgde en dat hij ermee moest ophouden. Want van stress ga je als roker nog meer roken. Dat lachte hij weg en liet zich niet stoppen.

Maar die kende ons Annie nog niet.

Ja hoor, ik weet dat het niet goed is om te roken als je zwanger bent, maar uiteindelijk heeft onderzoek uitgewezen dat er enkel risico is op een prematuur, en dat het roken op zich niet schaadt aan de baby. En dat meiske zei dat de dokter gezegd had dat alles OK was met haar kindje en dat het al zwaar genoeg was.

Dus begin ik de tegenaanval door te zeggen dat ik ook drie gezonde kinderen op de wereld heb gezet, met gewicht van 3,300  kg tot 3,850 kg. Zonder te stoppen met roken (moet ik me nu doodschamen? Ben ik nu slecht? Ben ik minderwaardig? Vies?).En dat ze zich helemaal geen zorgen moest maken. Liever relax en een paar sigaretjes dan gestresst zonder.

En voilà, vanaf daar werd ik moeder Theresa. Ik vind het niet erg.

(wordt vervolgd….)

HET ZIEKENHUIS – herstelling onder garantie – deel 3

HET ZIEKENHUIS – herstelling onder garantie – deel 3

Je moet het niet voortvertellen, maar volgens mij zijn ze zich hier uit de naad aan het werken om een Michelin-ster te halen. Ik weet niet helemaal zeker of ze daar zullen in slagen, maar ze doen hun best.

Elke dag is er weer het overlopen van het menu, en je moet maar zeggen of het je zint, en anders stellen ze wel iets anders voor. Koffie smaakt niet? Zullen we dan een chocomelkske geven? En bij het afruimen wordt er netjes genoteerd wat je allemaal hebt doorgezwolgen. En pas op, het blijft niet bij de controle van het doorzwelgen, ze controleren ook nog eens of het er allemaal wel weer uit komt en op welke manier.

Nu moet ik zeggen dat mijn lijf intussen een oorlog is begonnen tegen alle medicatie, zodat ze hier al eens moeten nadenken hoe ze die troep er toch inkrijgen. Dus dan maar de zaak verdelen over een pilleke slikken en de rest in je aders, en vervolgens nog maar een pilleke bij om dat ander pilleke te laten passeren. Ik voel me intussen een wandelende chemische fabriek. Ik vrees dat ik binnenkort aan strenge veiligheidsvoorschriften zal moeten voldoen om nog op straat te mogen komen.

Enfin, door al die rommel in mijn lijf is mijn maag aan een protestmars begonnen en ik vrees zelfs dat ze nog in staking gaat als ik haar eisen niet inwillig. Ja, mijn maag heeft soms iets politieks.

Dus, dat betekent dat ik hier vragen krijg bij de controle van mijn inslag.

– ‘Was het niet lekker?’

– ‘Gewoon afkeer van eten.’

– ‘Zou je dan eens niet proberen met een geroosterd boterhammeke?’

– ‘Misschien is dat een idee voor morgenochtend, maar is dat weeral geen extra werk?’

– ‘Zal ik u nu al eentje roosteren? Je kan het eens proberen. Dat zal misschien wel beter smaken.’

Ja, zeg, op de duur kwam het kwijl al uit mijn mond, zo goed kon ze het aan de man brengen. Ik ben dus verkocht voor het geroosterde boterhammeke, en gesmaakt dat het heeft!

En als ik dan mijn appreciatie uit voor zoveel zorg en tegemoetkoming, weet je wat ik dan als antwoord krijg?

– ‘We zouden dikwijls nog meer willen doen, maar het is jammer dat we er niet altijd de tijd voor hebben.’

Er lopen hier echt schatten van mensen rond. En ik hoop dat ze op hun beurt op tijd en stond in de watten worden gelegd, want ze hebben het verdiend.

Maar als het gaat over taalkennis, dan gaan ze nog efkes moeten wachten op hun Michelin-ster. Je moet weten dat je hier niet zomaar binnen of buiten kan. Neeneen, ik lig niet op psychiatrie, al zou je bij het zien van sommige patiënten wel wat twijfel kunnen krijgen.

Je moet hier dus een code intikken om buiten te geraken, en als je binnen wil, dan moet je op een grote knop drukken om de dubbele deur open te maken. Bij het buiten gaan moet je wel wat behendigheid tonen, want het bakje waar je de code moet indrukken staat naast de deur, en als je gewonnen hebt, dan krijg je een groen lichtje en gaat de deur open. Soms krijg je een rood lichtje omdat je de cijfertjes niet snel genoeg na elkaar hebt ingetikt. Dan moet je even wachten als penalty en vervolgens herbeginnen.

Maar dat is nog niet zo ’n probleem. Het moeilijke ligt in het feit dat het bakje dus aan de rechter kant van de dubbele deur staat en dat die deur open draait naar de kant waar je staat. Dus moet je je dan haasten om van achter die deur te komen en erdoor te sprinten vooraleer ze weer dicht gaat. Als je zoals ik met zo’n staander door het leven gaat waar je je chemische grondstoffen mee vervoert, dan is dat niet vanzelfsprekend. Want je moet weten dat die wieltjes van dat ding ook niet altijd luisteren zoals het in onze tijd zou geweest zijn. Tegenwoordig moeten ze overal tegen wringen, zelfs de wieltjes.

Enfin, dit alles om iets duidelijk te maken over de taalkennis hier.

Aan de grote knop aan de buitenkant hangt een A-viertje met daarop:

“PUSH HERE

DUW HIER

POUSSE ICI”

Aiaiaaai. Eerst en vooral weet ik niet waarom er hier in Vlaanderen wordt voorrang gegeven aan de Engelse taal. Maar soit, daar kan ik mee leven. Ten tweede meen ik dat het correcter zou zijn om te schrijven ‘druk hier’ in de plaats van ‘duw hier’, maar daar wil ik geen polemiek over opzetten.

Alleen waar het gaat over die ‘pousse ici’, daar stel ik vast dat de taalkennis niet helemaal is wat ze zijn moet. In het Frans gebruiken we altijd de beleeftijdsvorm. Het moet dus zijn : ‘poussez ici’. We zouden ons als Vlaming ook niet echt gerespecteerd voelen moest er staan ‘ge mot hier ne keer stoempe’.

En – ik kan er niks aan doen – de klank dat die ‘pousse ici’ weergeeft doet me verdomd te veel denken aan de poesjes van Trump. ” Pussy? Si!”

Och Annie, ge moet zo de haarkliever niet uithangen!

Ondanks de vermaningen van Inge ga ik dus nog altijd tussendoor een poging doen om te roken. Toen ik daar vanmorgen zat was er een dame in het plat Gents haar verhaal aan het doen over haar opname. Ze was voorheen geopereerd geweest aan haar rug en daar hadden ze blijkbaar een ijzerwinkel in gestoken om die aaneen te houden. En dan vertelde ze:

– ” ‘k Woare op meine rugge gevall’n en ‘k voelden het geleik: mein veize zoate los. Nie die van meine kop zulle, die van meine rugge.’

Je ziet, lieve lezer, hoe gezonder je hier bent, hoe plezanter het wordt!

(wordt vervolgd…)

Het ziekenhuis: herstelling onder garantie – deel 2

Ik ben er nog altijd van overtuigd dat ik indertijd geen betere keuze kon maken dan studies Psychologie. Ik heb mijn job altijd met veel plezier gedaan. En wie had ooit gedacht dat ik mezelf nog eens onder handen zou moeten nemen?

Toen de spoedarts me vertelde dat hij me ten eerste nuchter zou houden (maar jong toch, ik kan geen eten riéken!), en ten tweede dat de chirurg dan de volgende ochtend zou kunnen beslissen wat er moest gedaan worden (wat zegt die nu? Ik wil helemaal geen chirurg!) dan begon zo stilaan het koude zweet langs mijn rug naar beneden te sijpelen.

Nu moet ge weten dat ze mij al bij vorige opnames verteld hadden dat een ingreep tijdens infectie betekent dat je voor 3 maanden een stoma krijgt. Maar allez zeg, neen, dat is voor mij echt het einde. Het doet me denken aan de hondenwandelaars die net de poep van hun hond hebben opgeraapt en hun wandeling verder zetten met dat zakje stank.

En tegen dat ik goed en wel op mijn kamer kwam, dan voelde ik hoe dat kippenvel kwam opzetten. O Godgeklaagd, ik herken die symptomen: op die manier komt een paniekaanval tot stand. Je wil dat echt niet weten hoe bangelijk dat is.

En dan denk ik: Annie, nu moet ge u maar eens inbeelden dat al die mensen die je ooit hebt begeleid naar je staan te kijken hoe jij het ervan afbrengt. Da’s ne  moeilijke, zulle! Maar het is me gelukt om het tij te keren. Ik fier. Daaraan zie je dat een mens begint kierewiet te worden. Eerst inbeelden dat er kijkers zijn, en vervolgens fier zijn. En dat allemaal in je dooie eentje. En midden in de nacht.

De volgende dag kreeg ik geen chirurg te zien en kreeg ik eten (dat ik weliswaar niet heb aangeraakt). Dat signaal stelde me gerust. Geen strontzak voor mij. Voorlopig niet, en over zes weken ook niet. Want dan gaan ze mij wel degelijk opensnijden en een stuk van mijn ingewanden wegnemen, maar ze naaien de twee uiteinden netjes aan mekaar. Ik zal speciaal vragen dat ze de kruiskessteek gebruiken, dat vind ik een mooie en die is ook stevig.

Ik vind het een rare gedachte. Wat gaan ze doen met dat stukske ‘mij’? Krijg ik dat mee in een potteke om op de schouw te zetten? (Maar neen, ik weet het, dat wordt heel secuur geregistreerd en onderzocht en na een heel parcours wordt dat uiteindelijk ergens mee in een kist gedumpt.) Stel je voor dat je zo stukje bij beetje steeds meer wegsnijdt uit een mens tot er bijna niets meer overblijft. Als je daar lang over nadenkt dan kom je in een filosofische mijmering terecht over ziel en hemel en zo.

Genoeg over dat soort onzin. Tijd voor andere onzin.

Je weet misschien nog dat mijn vader zei dat het een goed teken was wanneer een mens weer kan genieten van een saffie of – in zijn geval – van zijn pijp. Wel, ik doe mijn best om het elke dag eens uit te proberen, maar ik kan niet zeggen dat het echt smaakt. Neen, begin nu niet massaal te zeuren dat dit het uitgelezen moment is om te stoppen. Ik wéét het, en ik zeg het zelf al elke avond tegen mezelf, dus dat is voorlopig genoeg.

Bovendien ligt naast mij een dame van 74 die zich haar leven lang suf heeft gepaft en nu opgenomen is met ademhalingsproblemen. Het is alsof ze het er hierboven om doen en alle middelen inzetten om me met mijn neus erin te wrijven.

In elk geval rook ik dus weinig met als gevolg dat mijn geurzin zich begint te herstellen. Wat is me dat een tegenvaller, zeg! Niet alleen sigarettenrook of asbakken stinken, maar de hele wereld stinkt. De uitlaat van de taxi die staat te wachten aan de ingang, de walm die uit de cafetaria komt, de mensen in de lift, en dan spreek ik nog niet van de geur van het kleine kamertje. Ik denk dat ik me voortaan ga overspuiten met eau de toilette en me door het leven begeven in een wolk van mijn eigen geurenwereldje.

Of ik ga weer volle bak paffen van zodra ik op de been ben om mijn neus plat te leggen. (Neen, niet slagen hé!)

Maar jullie zitten natuurlijk niet op dat soort verhalen te wachten.

Laat me jullie vertellen over mijn domme kop en de domme kop van anderen.

De eerste dagen lag ik gelukkig alleen op de kamer, want als ik me ellendig voel dan moet ik liefst niemand in mijn buurt. Of toch: mijn halve trouwboek. Dat is alles. Onze verzekering dekt alleen tweepersoons, maar je weet dat ik dat sowieso zou verkiezen van zodra ik maar een klein beetje weer tot de mensheid behoor.

Na twee dagen krijg ik gezelschap. Een dame wordt binnengerold in een rolwagen, vergezeld van haar man. Ik schat hem meteen in als een heel zorgzame wanneer ik hem tegen de verpleegster hoor zeggen welke medicatie hij elke dag aan zijn vrouw geeft, terwijl ik haar toch niet helemaal dement of verlamd inschat. Wanneer hij vertrekt groet hij mij vriendelijk. En dan wordt het voor een tijdje stil in de kamer. Ik merk dat mijn nieuwe buurvrouw niet echt in pijn zit, dus na een tijdje begin ik me af te vragen of ik toch eens geen woordeke zou moeten placeren. Ik wacht en zit wat te rommelen op mijn GSM waarop ik zie dat mijn schoondochter fotootjes heeft geplaatst van de kindjes. Het was die dag de verjaardag van mijn oudste kleinkind. Ik zou die avond koken voor hen en een taart met vier kaarsjes voorzien. Het kadootje lag ingepakt klaar. Ik heb mijn zoon gevraagd om het kadootje op te halen en met begeleiding van een dikke zoen van oma te overhandigen. Voor het feestmaal en de taart moesten ze helaas zelf zorgen.

Dus… Ik vind dat een perfecte opener.

– ‘Heb jij kleinkinderen?’ vraag ik.

Ze drukt haar kin even naar voor ten teken dat ze me niet heeft verstaan. Ik herhaal mijn vraag, terwijl ik moet denken aan mijn vorige buurvrouw die zo doof was als een pot, en dacht: ‘toch niet weer!’

– ‘Of je kleinkinderen hebt?’

Ze knikt, maar ik krijg geen klank. En vervolgens gaat ze verder met haar bed te schikken. Ik geef het op en ik denk bij mezelf: ‘Dat wordt niks tussen ons’.

Maar intussen ben ik wijzer en vind ik mezelf een verdomde oen. Ik, die er zo prat op ga altijd vanuit een objectiviteit naar mensen te kijken, hen te aanvaarden met hun botte en scherpe kantjes, niet te oordelen op voorhand. Annie, gij kieken!

Het zal je zo meteen wel duidelijk worden waarom.

Eerst werd het nacht. Mijn buurvrouw slaapt het eerste, en ik niet lang erna. Midden in de nacht wordt ik wakker door stemmen. Ik hoor gebrabbel. En dan opnieuw gebrabbel. Ik open mijn ogen en zie buurvrouw in haar bed liggen, kijkend naar iemand aan het venster. Op het eerste zicht denk ik dat de buurvrouw brabbelt en dat een verpleegster haar tracht te helpen. Mis poes.

Ik open mijn ogen omdat de boel daar blijft brabbelen en dan zie ik dat er een oude man bij het venster staat. Hij heeft een looprek waar hij gebogen over staat en zijn stekkenbeentjes leiden naar een dikke pamper rond zijn billen. Hij brabbelt verder. Buurvrouw merkt dat ik intussen ook wakker ben en zegt: ‘Den dezen is hier op den dool’. We schateren het allebei uit en we bellen verpleging. Die komen met twee binnen gestormd met de melding dat ze al een tijdje naar hem op zoek waren. Volgens mij overkomen deze dingen me alleen maar omdat ik jullie zou kunnen animeren met dit soort verhalen.

En zo was het ijs gebroken tussen buurvrouw en mij. De volgende ochtend vertelde ze me dat één van haar drie kleinkinderen gestorven was aan botkanker. Zijzelf was genezen van darmkanker. Godjezusmina, zoals ik al zei, Annie stom kieken.

Ik heb weer geleerd om nog beter mijn best te doen te luisteren naar mensen en me nog minder snel een oordeel te vormen. Maar het is een vergif dat er insluipt zonder dat je er erg in hebt.

Dus, lieve lezer, laat ik afsluiten met deze wijze raad: ook al denk je dat het er vingerdik bovenop ligt, ook al ben je overtuigd van je eigen grote gelijk: probeer dieper te kijken en dieper te luisteren. Er is altijd een reden waarom mensen doen wat ze doen.

Wordt vervolgd….

 

HET ZIEKENHUIS: herstelling onder garantie – Deel 1

We zijn er weer. Zoals mijn lieve vriendin Chris zei: ‘misschien duwen ze jou van hierboven het ziekenhuis in om ons te entertainen met je blog’. Tja, dat brengt natuurlijk verplichtingen mee.

En die titel ‘onder garantie’, die heb ik ook gestolen. Van Johan. Toffe gast. Zo iemand die overal wel een humoristische noot weet bij te zetten. Hij vroeg me op FB of het niet zinvol was om eens navraag te doen in het ziekenhuis of ze geen garantie gaven op hun herstellingen. Ik vind dat een bijzonder fijne. En je kan er donder op zeggen dat ik hen dat hier nog eens zal vragen.

Ik moet hier eerst een dikke merci lanceren aan allen die mij zo’n lieve boodschappen hebben gezonden. Het gaf me courrage in die eerste slappe dagen. God, wat kunnen ze een mens toch neerslaan tot een hoopje pure ellende. Maar ik heb mijn hoofd terug boven water dank zij de goede zorg hier. Wat zijn we in België toch verwend met onze gezondheidszorg!

Nu ter zake. Ik heb hier heel dringend iets recht te zetten. Want weet je, bloggen kan heel riskant zijn.

Om te beginnen moest ik hier tot mijn verbazing vaststellen dat mijn naam hier niet ongekend is. Dat voelt wel wat bangelijk. Bij aanvang vond ik het prettig dat mensen mij hier op de dienst herkenden. Maar wanneer één van de verpleegsters zei dat ze mijn naam op de lijst had zien staan en meteen wist wie ik was, namelijk ‘de blogster’, dan zag je boven mijn hoofd zo een tekstballonneke verschijnen met daarin een groot vraagteken. Tot daar aan toe, dat was nog niet zo erg.

Er komt een dokter bij me. Hij herkent me, ik herken hem. Fijne mens, leuke babbel en kennis van zaken. Hij zegt dat hij meteen zal vragen aan de chirurg om even langs te komen. Ik hoor hem zeggen aan de telefoon: ‘Ik heb hier een patiënte die recidiveert. Haar naam? Annie Van Mulders….’ en dan worden er aan de andere kant dingen gezegd die ik niet kan horen, maar ik zie de dokter naar mij kijken en zijn wenkbrauwen hoog optrekken.

Kijk, als ze zoiets doen, dan voel ik me direct schuldig. Dan begint mijn harde schijf op hoog toerental te draaien op zoek naar mogelijke wandaden in mijn verleden. En ja hoor, ik vond ze: ik had geen nieuwe afspraak gemaakt met die chirurg de vorige keer.

Ik wacht niet tot hij klaar is met bellen en raas er meteen door: ‘die afspraak werd door het ziekenhuis zelf geannuleerd omdat de chirurg naar een congres moest….’

‘O, daar gaat het niet over. Het gaat over uw blog.’ Slik. Ik vind het heel plezant dat mijn blog gelezen wordt, maar ik moet toegeven dat het ook iets benauwends heeft. Want – ah ja – dan begint mijn harde schijf weer te draaien op zoek naar wat voor blunders ik daarin zou kunnen gemaakt hebben. En ja hoor, alweer prijs.

Wanneer hij klaar was met zijn gesprek zegt die dokter: ‘Blijkbaar zou je ook over mij geschreven hebben.’

Geen idee. Is dat zo? Zou kunnen. Ik weet het niet meer. Ik zou kunnen zeggen dat het beginnende dementie is, maar dat is het niet, want zelfs op de middelbare school kon ik me – echt waar – soms niet herinneren of ik mijn huiswerk al dan niet had gemaakt. Gelukkig was ik een ordelijke en zaten mijn huiswerken altijd in hetzelfde mapje. Maar daar ging het nu niet over.

Die dokter was nog niet de deur uit of ik zat al meteen op internet om naar mijn schrijfsels te zoeken. Nu heb ik nooit iemand met naam en toenaam genoemd (dank u wel, God, voor deze helderheid van geest die je mij soms geeft), maar ik ben dan wel zo stom om te vergeten dat er wel meer namen beginnen met een M, of met een P, of met een gelijk welke letter.

Dus…

De naam van de dokter die ik dus echt wel weet te appreciëren, die leuk is en geduldig al mijn vragen beantwoordt, en die net mijn kamer uit was begint met een M. Nu wil het toch niet lukken zeker dat er hier wel meer dokters hun naam met een M begint, en ik heb toevallig een M vermeld in mijn vorige blog als zijnde een wervelwind die weinig tijd had. Maar dat was dus een andere.

Ons moeder zou zeggen: ‘Ziet ge nu wel wat ge weeral hebt uitgestoken!’ Ons moeder die vond maar zelden goed wat ik deed, vooral als het iets te maken had met sociale contacten. Waarschijnlijk omdat ze daar zelf niet zo een kei in was terwijl ik pas echt in mijn sas was, zwemmend in het zwembad van die sociale contacten.

Nu heb ik de neiging om te schrijven dat alle dokters goede dokters zijn. Maar dat ga ik nu eens niet doen, zie. Ik ben er zeker van dat elke dokter hier terecht die naam draagt omdat hij of zij toch wel de kennis heeft vergaard en dus kundig is, maar ze hebben natuurlijk allemaal hun menselijke eigenschappen en hun persoonlijke eigenaardigheden. En zoals het buiten het ziekenhuis ook beter klikt met de ene dan met de andere, zo is dat hier niet anders. Dat weten jullie even goed als ik.

En het is wel waar dat de overgrote meerderheid hier toch wel heel tegemoetkomend is, zowel wat betreft dokters als verpleging.

Dus, nu dat dit is rechtgezet kan ik beginnen te vertellen over mijn avontuur. Hoewel het nu en dan wel een beetje op een ‘déjà vu’ begint te gelijken. En ik krijg ook geen uitleg meer bij opname over hoe de dingen hier werken of hoe de aanpak is. Dat is een veeg teken, nietwaar?

Laat ons beginnen bij het begin: de spoed. Herman heeft me op zaterdagavond binnengebracht rond 10.30u. ’t Was nodig. Voor mij mochten ze me in coma spuiten. O melodrama! Maar dat hebben ze niet gedaan en ik ben blij dat ik intussen weer tot de levenden behoor.

Om middernacht heb ik mijn eega naar huis gestuurd want alles was al gepakt en klaar gemaakt om op skireis te vertrekken met de kinderen. En neen, ik wilde niet dat hij voor mij zou thuisblijven. Ik was in goede handen en intussen al helemaal gedrogeerd, zelfs in die mate dat het mij weinig kon schelen dat er daar op de gang geroepen en getierd werd. Ik hoorde een man amok maken en luid roepen: ‘c’est urgent’, waarop een assertieve verpleegster repliceerde: ‘oui, pour vous, mais pas pour nous.’ Ik weet nog dat ik dacht: 1-0 voor de verpleegster!

Om 3.30u in de ochtend belandde ik eindelijk in mijn kamer. Van mijn kant alle begrip en alle appreciatie, hoor, maar ‘De Spoed’, daar zouden ze toch eens een andere naam moeten voor bedenken. De ‘we-haasten-ons-maar-kunnen-niet-toveren’, of ‘spoed-u-niet-want-ge-moet-hier-toch-wachten’ of ‘haast-en-spoed-is-zelden-goed’. Hoewel dat te veel anti-reclame zou zijn.

Maar vooraleer ik op mijn kamer kwam wilde mijn blaas dat ik een toilet opzocht. ’t Was een beetje een sukkelpasje waardoor een lieve dame die er een familielid bezocht me liet voorgaan. Met mijn suffe kop heb ik niet gekeken van achter welk gordijntje ik gekropen was bij het verlaten van mijn hokje, dus doolde ik daar maar wat rond van hot naar her, en kwam voorbij twee agenten – vraag me niet wat die daar stonden te doen, ze waren er alleszins niet voor mij – die me bezig zagen. ‘

– ‘Zijt ge uw kotteke kwijt, madam?’

– ‘Ja, ik weet niet meer welk van mij was.’

– ‘Kiest er u anders maar eentje uit en legt u op da bedde.’

De Politie, Uw Vriend. Toffe mannen.

 

Jongskes, voor nu is het efkes alles. Morgen krijg je meer blog.

HET ALLEDAAGSE LEVEN….

 

SAMSUNG

Als een mens gezond is, dan is het juiste ogenblik aangebroken om weer met volle teugen te genieten van het leven. En daar kan zo nu en dan ook eens een blogje over geschreven worden.

We gingen vorige zaterdag op bezoek bij een hele lieve vriendin die momenteel herstelt van een zware enkelbreuk. Het mens moest zo 6 weken stil zitten, en nu revalideren. En dat allemaal door nog snel even het gras te willen maaien.

Zij heeft enkele jaren terug een windhond laten afkomen van Spanje. Je weet wel, die beestjes die daar gebruikt worden voor races en vervolgens gedumpt worden. In het begin was het een schuw en mager diertje, maar intussen is hij helemaal in zijn sas en hij installeert zich graag onder de tafel bij het gezelschap.

We zaten dus aan tafel heerlijk te kletsen en te smullen van de lekkere kaasschotel, toen mijn neus ineens alarm sloeg.

‘Ofwel heeft hier iemand ene gelost, ofwel is dat de hond.’ zei ik.

‘Och,’ zei onze vriendin, ‘dat is inderdaad de hond. Ze doet dat wel meer… Tja, ’t is niet voor niets een windhond hé!’.

Men weze bij deze verwittigd: windhonden schaden de reukorganen!

En na die fijne avond waren er nog dagen zat om leuke dingen te doen want we kregen zomaar een lang weekend cadeau.

Wij dus een dagje Limburgs Holland. Hotelletje geboekt en wandelschoenen ingepakt.

Man, wat hebben ze daar mooie bossen! Ik waande me een beetje Alice in Wonderland toen we daar door liepen. En hoewel ze zeggen dat daar everzwijnen, eekhoorns, bevers, rare kikkers, slangen en ander tuig rondwaart, was het gelukkig niet onze bedoeling om die beestjes te ontdekken, want veel hebben we daar niet van gezien. Maar het bos op zich was voor ons meer dan genoeg. En Herman krijgt daar altijd gratis een lachbui bij omdat ik voortdurend mijn Noorden kwijt ben.

Echt jong, ik heb nul komma nul richtingsgevoel. Het is een talent dat mij niet gegeven is. Als ik een winkel binnenstap, dan sla ik bij het buitenkomen gegarandeerd de foute richting in. Hetzelfde met toiletten, ja zelfs na vijf keer naar de hotelkamer te zijn geweest slaagde ik er nog niet in om rechtaan rechtdoor naar de juiste deur te gaan.

Ik zit er niet mee. Ik heb andere gaven gekregen, denk ik dan. En als Herman te veel lacht, dan vraag ik hem waarom hij niet kan schilderen of piano spelen, want dat vind ik even raar.

Een mens moet zijn mondje weten te roeren in het leven.

Enfin, wij dus content met de wandeling en content met het hotelletje. Hoewel….

Bij de receptie kregen we daar een rits van instructies alsof we werden ingelijfd in het leger.

‘U mag vooral de sleutel niet op de binnenkant van de deur laten zitten, want dan moeten we het slot openbreken en dan krijgt u daar de kosten van aangerekend.’

‘Jawel, er is een balkon, maar wanneer u er beiden op gaat en u laat de deur dichtvallen, dan kan u er niet meer af. U kan dus maar beter apart op het balkon gaan.’

‘Ja, mevrouw, ik zal u meteen uitleg geven over de wandelingen, maar eerst nog even mijn instructies afmaken….’

Amai Gerard! Die is vast naar de kadettenschool geweest.

Nu was het wel een mooi hotel, mooie kamer, mooi restaurant, maar…..

De deur van het balkon leek geen probleem te zijn in verband met het dicht slagen, want uiteindelijk bleek die rotdeur zelfs niet te sluiten zodat het verdomd om te bevriezen was op die kamer.

En toen we ons installeerden in dat sfeervolle restaurant met de mooi gedekte tafels, viel ons oog op een wijnglas waar al uit gedronken was.

Geen probleem, we krijgen meteen een proper glas, vergezeld van excuses.

En dan zien we dat onze lievelingswijn aangeprezen staat. Dat is een meevaller. Bestellen dus. Even later komt dat meiske terug: ‘Die wijn is jammer genoeg niet meer in voorraad.’

En wachten, wachten, wachten op dat eten. Maar het was wel lekker.

‘Zullen we in de bar onze koffie nemen?’ Ja, goed idee. Maar we worden tegengehouden door een dame die zegt dat we eerst een handtekening moeten zetten. Dat is Herman zijn afdeling, dus ik ga alvast door naar de bar.

‘En? Klopte die rekening?’

‘Neen, ze hadden er al meteen koffie bij gezet. Maar dat hebben ze dus rechtgezet. Met excuses.’

Amai, amai, amai. Vier sterren hebben die mannen gekregen. Ik vroeg me af waarom. Maar nu weet ik het.

Toen we het hotel verlieten rekenden we af. Allez, ’t is te zeggen, zoals al aangestipt is dat Herman zijn afdeling.

‘En schat, klopte de rekening?’

Neen, ze hebben de koffie en de biertjes van de bar niet aangerekend, terwijl de ticketjes ervan wel degelijk aan de factuur vastgeniet waren.’

Daarom is dat daar vier sterren!

Maar ik ga er toch niet terug.

 

 

 

HET ZIEKENHUIS: VERLENGING WEGENS SUCCES – deel 5 en einde.

Het zit erop, mensen. Deze middag ga ik naar huis. Ik heb er een dubbel gevoel bij, want die rotpijn steekt soms nog met vlagen op en dan heb ik goesting om te vloeken en te roepen dat ze nu eens gvd goed moeten kijken wat er daar binnen verkeerd zit. Maar ik ben bij de nonnen opgevoed en ik heb geleerd mij te gedragen. Ik zal maar vertrouwen op de wetenschap en geduldig afwachten of die kanjers van pillen hun werk naar behoren doen.

Het is wel fijn om weer naar huis te kunnen. Bij mijne lieve Herman. En jammer genoeg niet bij Bo. Op die momenten is het toch altijd nog efkes slikken.

Maar allez, Annie, we gingen het hier plezant houden hé, en nu gaat ge hier beginnen chagrijnig doen gelijk een oud wijf. En dat terwijl er zoveel leuke dingen zijn.

Gisteren kwam mijn lieve schoondochter met onze twee kleinzoontjes op bezoek. Ze stormden op me af wanneer die deur open ging. Man, daar word ik zo week van.

En ik had snoepjes gehaald in het winkeltje. Ze installeerden zich allebei op mijn bed met hun snoepjes in de hand en dan maar kijken naar Nick Jr.

Stef, de jongste is nu twee en hij zit in een periode dat alles ‘van mij’ is. Ik zeg hem: ‘Oh, kijk wat een leuk hondje op TV’

‘Is van mij’, zegt hij heel serieus.

Ik zou ze opeten, mijn kleinkinderen.

 

Mijn nieuwe buurvrouw is echt wel een super tof mens. Maar ze heeft het behoorlijk moeilijk na het zware onderzoek van gisteren. Ik hoop voor haar dat het snel betert, want zij en haar man hebben blijkbaar al een serieus miserie-traject doorlopen.

Maar ik had nog wat vertelsels achter de hand over de vorige kamergenote.

Zoals ik al zei was het dametje bij wijlen flink verward. Maar ze was wel bij de pinken waar het om haar pillen of het eten ging. De TV kon ze niet aanzetten, maar het knopje van het belletje wist ze daarentegen heel goed staan.

En ook daar begon ik het ritueel goed te kennen.

Ze drukt op het belletje. Vervolgens stapt ze uit haar bed of zetel en gaat in het deurgat staan. En dan begint ze te roepen:

‘Menée’ …… ‘Menée’……’Menée’….. zodat de hele verdieping het kon horen.

Alsof alle verpleging hier mannelijk zou zijn. Of misschien had ze toch een minuscuul zwakje voor het mannelijk geslacht?

 

Als haar aanwezigheid dan al zijn kleine kantjes had, dan was er toch altijd de grappige kant die de dingen weer goed maakte.

Ik had met haar toch wel een issue als het om plassen ging.

Kijk, ik heb er niks op tegen dat mensen zuinig willen zijn, en je hoort wel meer dat mensen het verkwisting vinden om het toilet door te spoelen na een plas, maar ik heb het nooit een appetijtelijke zaak gevonden om te moeten plassen bovenop een oude plas. Ik spoel garantie door voordat ik aan de klus begin.

Mijn buurvrouwtje hoorde bij het type niet-sjassers. Soit, daar heb ik dus een remedie voor. Maar toen ik in de mot kreeg dat er ook nooit geen toiletpapier in die pot lag, dan viel mijn frank.

Nu snapte ik waarom de strenge schoondochter zei: ‘Ik heb uw vers ondergoed in de kast gelegd, maar ge moet er een beetje zuinig op zijn hé!’

Ik hoop dat mijn schoondochters mij nooit bevelen om zuinig te zijn op mijn onderbroeken. Ik vind het geen vrolijke gedachte.

Maar ik weet nog altijd niet goed wie nu oorzaak was van die penetrante urinegeur in onze kamer. Op een ochtend ontwaak ik en ruik ik verdorie een stank waar ik niet van hou, ondanks het feit dat het venster een ganse nacht had open gestaan.

Ik zie het dametje naar de badkamer gaan met een verse onderbroek, dus ik denk: ‘dat komt hier in orde’. En even later komt ze inderdaad naar buiten met een bolletje vuil onderbroek in haar vuist en steekt het in haar waszak.

Maar de stank blijft hangen…. en hangen….en hangen….

Verpleegster komt binnen: ‘Hebt ge u al gewassen, mevrouw?’

‘Wa zeide?’

‘Of dat ge u al gewassen hebt?’

idem, idem, idem, idem…

‘Joak, ben gewassen.’

Mijn beurt dus om de badkamer te bezetten. Zie ik een kurkdroge lavabo met kurkdroge washandjes.

Ik ben geen klikspaan, maar ik heb daar toch de eerste de beste verpleger aangesproken en gezegd dat ze dat menske eens een wasbeurt moesten geven volgens de definitie van wasbeurt.

En – behulpzaam als ze hier zijn – werd daar inderdaad gevolg aan gegeven.

En dan roefelt die verpleger in haar kast, en hij blijft maar roefelen.

‘Ze heeft hier blijkbaar geen proper onderbroeken meer’….

 

Schoondochter zal toch nog eens een wasmachientje moeten draaien, vrees ik, of investeren in een dozijn onderbroeken voor schoonma.

 

Lieve vrienden, ik kuis hier mijn schop af. ‘k Ben d’er mee weg. Ik zend jullie allen mijn welgemeende dank voor de support en zoveel warme vriendschap.

Ik beloof dat ik nog wel eens zal bloggen. En hopelijk ook eens zonder ziekenhuisverhalen.

God bless you. (en Amerika ook een beetje want die zullen het daar nodig hebben).

 

HET ZIEKENHUIS: VERLENGING WEGENS SUCCES – deel 4

Als ik de commentaren hier zo lees en hoor, dan zouden we met zijn allen massaal een gezamenlijke blog moeten schrijven over ziekenhuizen. Daar gebeuren echt wel grappige dingen, zo te zien.

Ze hebben hier intussen een nieuwe kamergenote binnengesmeten. Het is een raar fenomeen tussen de mensheid, maar waarschijnlijk hebben jullie dat ook wel dat je bij de eerste aanblik al voelt of het al dan niet klikt.

Hewel, het is een klikker, of hoe moet ik dat zeggen? Niet iemand die verklikt, maar iemand waarmee het klikt. Vraag me niet waarom. Ook al is mijn buik gehavend, hij vertelt me nog altijd de juiste dingen. Aan die kant nog altijd geen dementie te bespeuren. De rest laat ik in het midden.

Ze hebben haar al meteen afgevoerd voor een onderzoek onder narcose. Ik kan er dus nog niet veel over zeggen. Maar ik heb nog een paar bladzijden reserve over de vorige.

Maar eerst nog eens iets over die lift waarvan het gebruik me blijft fascineren. Hoe meer ik erop let, hoe meer mensen ik zie die op het foute knopje drukken. Ik zeg dan niets, maar geef gewoon een duw op het juiste knopje. Sommigen bekijken me dan heel verontwaardigd en ik zie ze denken dat ik degene ben die niet goed wijs is. Nu, dan staan we quite, want ik denk hetzelfde.

En die lift, dat is komiek, maar regelmatig haalt die ook eens spoken op. Dan stopt hij op de eerste verdieping. Geen ziel te bekennen en niemand stapt uit. Vervolgens stopt hij op de derde verdieping. Weer geen ziel te bespeuren en weer niemand die uitstapt. Dan zegt mijn logica dat er gewoon een spook is ingestapt op het eerste en er weer uit op het derde. Volgens mij lijkt het niet onmogelijk dat hier veel spoken rondwaren, echte en onechte. In mijn hoofd spookt het soms ook wanneer ik pijn voel die er niet mag zijn. Maar we gingen het plezant houden.

Mijn vorige kamergenote dus.

De eerste ochtend dat ik hier ontwaakte wist ik al direct hoe laat het was. Behalve de informatie dat ze doof was had ik nog niet echt kennis gemaakt, maar dat was rap verholpen.

Roept ze plots uit het niets:

‘Meugde nor uis?’

Ik schud neen alsof mijn hoofd er los op staat.

‘Meugde nog nie nor uis?’

Ik schud weer heftig neen.

Stilte.

Ik ga naar het toilet en kom terug.

‘Meugde na nor uis?’

Ik zal het hier niet helemaal vertellen, want anders zit ik al ras aan zeven bladzijden, maar ik heb hier dus tot treurens toe met mijn hoofd geschud.

 

‘Keiktegij nor thuis?’

Schudden, Annie.

‘Meugekik keike nor thuis?’

Ja schudden, Annie.

En dan staat die TV uren ervoor al op. Ze kijkt naar het nieuws. De verpleegster is de ondertiteling komen opzetten. Toen wist ik nog niet – en die verpleegster duidelijk ook niet – dat het menske niet kon lezen.

En dan valt ze in slaap en staat die TV aan.

Ik hoef niet op mijn tenen te lopen om haar niet wakker te maken. Het heeft ook zo zijn positieve kanten, dat mag gezegd. En zo neem ik stiekem dat bakje en zet de TV uit.

Een half uur later wordt ze wakker.

‘Den televies is uit’

Ik knik heftig ja en wijs me schuldig op de borst.

‘Hedde gij den televies uit gedoan?’

Schuldig.

‘Ja, maar ge waart in ’t slaap gevallen’ en ik leg mijn hoofd schuin op mijn twee handen. Je weet wel, het universele gebaar voor slapen.

‘Neje, ik sloap nie’

Jawel.

‘Zettegij den televies weer oan?’

Neen. Ik wijs op mijn horloge. ’t Is tijd om te slapen.

‘Zette gij mijnen televies oan?’

Neen schudden.

‘Den televies es uit’

Op den duur deed ik of ik het niet meer hoorde. Dan stond ze op en ging ze in de deur staan, op wacht naar verpleging. Maar die kwam niet opdagen. Uiteindelijk zag ik ze bokkig in haar bed kruipen en na een seconde sliep ze alweer.

Volgende dag komt schoondochter op bezoek. Zo’n madam met kl… aan haar lijf. Het was al meteen duidelijk dat zij de plak zwaaide waar ze zich ook maar bevond.

Buurvrouw bekijkt haar niet.

‘Hewel’ zegt de schoondochter, ‘uuk ne goeiendag, hé!’ en dan tegen mij: ‘ge komt hier binnen en dan bekijkt ze u nog niet.’

Maar blijkbaar waren dat de normale geplogenheden in die relatie, want na een tijdje begonnen zij min of meer te converseren. Daar stond ik van versteld en zij het haar: ‘Amai zeg, gij verstaat haar wel goed hé.’

‘Ja maar dat komt omdat ze weet dat ze tegen mij geen komedie moet spelen. Ik ben een strenge, zulle.’

Ja, dat had ik al in de mot.

En dan ging hun conversatie – zij het wel met wat haken en knopen – verder. Ik verstond geen moer van wat mijn buurvrouw zat te roepen met haar nasale stem, maar plots wendde de schoondochter zich tot mij:

‘Hebt gij gisteren haren TV uitgezet.’

Ik pleit schuldig.

‘Ha’, zegt ze, ‘daarom is ze kwaad op u. Maar dat gaat direct over, zulle.’

Kijk, op zo’n momenten dan voel ik me dus echt een slecht mens. Ik ben nooit meer aan haar TV gekomen. Al moet ik wel bekennen dat ik gevraagd heb aan de verpleging om het geluid af te zetten met de melding: ‘ze hoort er toch geen fluit van’.  Wat inderdaad het geval was.

Wordt vervolgd….

 

HET ZIEKENHUIS: VERLENGING WEGENS SUCCES – deel 3

Ik heb het al eens eerder gezegd: geen Yin zonder Yang. Ze hebben mij gisteren ontkoppeld van de slangetjes. De prijs die ik ervoor moet betalen zijn twee maal twee dikke kanjers van pillen die ik door mijn strot moet wringen, maar dat heb ik er graag voor over.

Man, man, wat voelt het toch heerlijk. Toch zot dat een mens daar in zijn dagelijkse leven nooit bij stil staat. Of heb ik het mis? Staan jullie elke dag op met de blije gedachte dat je niet aan de slangetjes hangt? Ik in elk geval niet. Maar dat begint toch stilaan te veranderen tussen mijn oren.

Het was dus een heerlijke nacht zonder hinder van plastieken buisjes, en – niet te vergeten – zonder buurvrouw. Maar ’t is wel stillekes zo alleen in een kamer. Al was er natuurlijk niet veel conversatie, maar als ze iets zei, dan kon je het aan de andere kant van het ziekenhuis horen.

Zo had ze de gewoonte om al een half uur voor het ontbijt, een half uur voor het middageten, een half uur voor de koffie, enz.. aan haar tafeltje te gaan zitten wachten. Gewoon wachten. Niks meer.

En op de duur kon ik het voorspellen: wanneer ze haar eten kreeg voorgeschoteld, dan stond ze na een paar tellen op en liep ze naar de deur waar ze weer gewoon bleef staan wachten tot de eerste de beste mens met een witte schort passeerde. En dan – ik kon het op den duur met haar in koor zeggen, maar dat heb ik uiteraard niet gedaan – riep ze met die nazale schriepende stem: ‘Mein pèllenn!’

En dan sta je toch te kijken van het geduld van de verpleging hier!

‘Ze zijn er mee op komst, met uw pillen’

Madammeke blijft hem of haar wezenloos aankijken en herhaalt: ‘Mein pèllen!’

‘Ja, mijn collega is er mee onderweg. Ge krijgt ze subiet. Eet maar.’

Stilte. Kijken…. ‘Mein pèllen!’

En dan nog maar eens harder: ‘Subiet! Nog efkes wachten!’

‘Ah ja’. En dan keerde ze zich om en ging aan het eten.

Och weet je, op den duur dan begint dat bij het ritueel te horen en zou je het bijna gaan missen als ze het niet zou doen.

Maar die keer dat er voor haar een onderzoek stond gepland waarbij ze nuchter moest blijven, dan was het goed mis.

Ze zat alweer een halfuur te vroeg aan haar tafel, en dan brengen ze mijn ontbijt binnen, maar het hare niet. Eerst reageert ze niet, maar dan plots zegt ze: ‘hèn kik al geete?’

Weet je, ik had er de dood van op mijn lijf dat ze mij een vraag stelde. Niet dat mensen mij geen vragen mogen stellen, maar het was toch altijd zo een kalvarieberg om een antwoord in haar hoofd te persen.

‘Neen, ge hebt nog niet gegeten, maar ge moet nuchter blijven voor een onderzoek.’

Terwijl ik het zei wist ik dat ik niet moest hopen dat ze daar een woord van verstaan had. Maar terwijl ik daar al mijn krachten aan het bundelen was kwam een verpleger binnen aan wie ze het nog eens vroeg: ‘Meukik nie eten?’

Ik hoef het hier niet te schrijven, je weet al hoe die verpleger zijn best deed om de zaken klaar te krijgen.

Oef. Ze heeft het begrepen. Stilte. De verpleger vertrekt en twee minuten later staat ze op en gaat ze aan de deur staan wachten tot er weer iemand voorbij komt en roept dan:

‘Main pèllen!’

Kijk, op die momenten begin ik hier dan te schokken van het lachen. Ik kan het echt niet helpen. Dat heeft niks te maken met respect, zulle, dat is gewoon zuiver en oprecht lachen zonder de miserie van anderen te willen minimaliseren.

’t Zal je maar overkomen om doof te zijn en op de koop toe niet kunnen lezen of schrijven. Dan wordt de muur rondom je heen wel erg hoog. En het gaat ook om hele simpele dingen.

Hier in Hotel Sint-Lucas komt een hele lieve mevrouw elke ochtend langs om te vragen of het dagmenu van de volgende dag je wel bevalt en kijkt ze samen waar er wijzigingen moeten gebeuren. ‘En er is gelei voorzien, maar als je liever een confituurke wilt, dan moet ge het zeggen hé’.

Ja, geef me dan maar een confituurke.

‘En hebt ge graag nog een yorhurtje of liever een platte kaasje of een vlaatje?’

Neen, de yoghurt komt mijn oren uit. Ik àdem yoghurt tegenwoordig.

Ik schaam me dood met zoveel jol onder mijn gat, maar ik maak er wel heel dankbaar gebruik van. Het geeft het leven hier wat kleur, en ik betrap er mij op dat ik gelijk de oude mensen (ge pijst toch niet dat ge nog jong zijt hé Annie!)  soms uitkijk naar het avondeten. En daar moet ge hier niet lang op wachten, want dat is er al om 17u. Gevolg is dat je tegen 20u alweer honger hebt natuurlijk. Maar ook daar passen ze hier een mouw aan. Geen enkele vraag is te veel.

Maar aan mijn buurvrouwke vroegen ze niet wat ze wilde eten. Geen beginnen aan. Dat versta ik honderd percent want ik geloof dat die dame er een dagtaak aan zou overhouden, en een hese stem er bovenop.

 

Wordt vervolgd….

 

HET ZIEKENHUIS: VERLENGING WEGENS SUCCES – deel 2

Het goede nieuws is dat ik zin heb in een glas wijn. En dat betekent dat ik echt wel aan de beterhand ben.

Het slechte nieuws is dat ik zin heb in een glas wijn. En dat betekent dat ik me afvraag of ik zo stilaan niet te veel verknocht begin te raken aan dat spul.

Maar voorlopig moet ik er nog een flinke tijd afblijven, want in combinatie met de zware antibiotica die ze hier in mijn aders pompen is dat niet OK. En uit ervaring weet ik dat ze me bij het naar huis gaan een ander soort antibiotica of dergelijks zullen meegeven waarvan algemeen geweten is dat je er kotsmisselijk van wordt als je nog maar naar een glas alcohol durft kijken. Zet het dus maar uit je hoofd, Annie.

Gelukkig is er genoeg animatie rondom om een mens zijn gedachten te verzetten. En het is bovendien leerrijk. Ik versta elke dag meer en meer van dat plat Gents.

Drie rokende oude mannen die ter plekke aan het kennismaken waren haalden gezamenlijke herinneringen op aan de merken sigaretten die ze ooit hadden gerookt. Aan de mij onbekende namen te horen moeten die gasten héél oud geweest zijn. Nu, ’t was er eigenlijk ook wel een beetje aan te zien.

En aangezien de sigaretten alsmaar duurder worden ging het gesprek in hun sappige taaltje al snel over op de kommer en kwel van de levensduurte. Zegt die ene:

‘Oazzekik de facteur zien koume, dan tert ik het an. Dan peizek in mijn eigen, kzal vandenoavond wel es keike.

Dat is ook een manier om de realiteit te benaderen natuurlijk. Ieder zijn eigen gebruiksaanwijzing, denk ik dan.

 

Mijn buurvrouwke is net opgehaald door haar zoon en schoondochter om naar huis te gaan.

Zoals je weet heb ik nogal wat kamergenotes versleten, maar deze heeft toch echt wel de trofee gewonnen.

Ik werd zaterdag om 2 uur ’s nachts in mijn kamer gereden. Vensterkant. Dus passeerden we langs een slapende oudere dame. Ik fluisterde nog één of andere vraag aan de verpleging, en die antwoordde behoorlijk luid:

‘Ge moet niet stil zijn, dat madammeke is zo doof als een pot.’

Op dat moment stond mijn hoofd er niet naar om daar lang blijven bij stil te staan, maar wanneer ik de volgende dag weer bij zinnen was maakte ik me de bedenking dat ik met haar wel kon converseren via het geschreven woord.

Ja, vergeet het.

Madammeke was analfabeet. En verward, verward, verward!

Kijk, ik denk dat ik een redelijk verdraagzaam mens ben, maar ik moet toegeven dat ik me nu en dan toch wel eens heb geërgerd. Misschien dat een mens al wat meer sjikaneurig wordt als hij niet goed is. Ik hoop dat het daaraan ligt.

Maar ik heb toch ook gelachen, echt vree gelachen.

Madammeke hoorde dus geen fluit, maar elke ochtend stak ze garantie haar twee hoorapparaten in. Niet dat het een moer hielp, maar het zal haar een goed gevoel gegeven hebben, veronderstel ik.

Probleem was dat ze die dingen niet kon regelen en soms begon het daar te fluiten dat je er zelf doof van zou worden. En dan begon dat ritueel waar je een toneel zou kunnen over schrijven.

Ik doe haar teken door naar mijn eigen oor te wijzen en een lelijke smoel te trekken zodat ze zou begrijpen dat het ding lawaai maakt. Dat heeft ze redelijk rap door, dus ze haalt het spul van haar oor, morrelt eraan zodat het ding plots op alle toonaarden begint te piepen, te fluiten en te zingen, en dan steekt ze het weer in.

Dan kijkt ze me met een brede smile aan en roept met een schelle, nasale stem: ‘Est gedoan?’

Wanneer ik neen schud met mijn hoofd moet ze eerst haar bril opzetten, want ze kan niet zien wat ik doe. En die bril moest ze uiteraard afzetten om aan haar hoorapparaat te kunnen.

Ik schud nog eens heftig neen.

En avant la musique. Dan beginnen we maar weer van voor af aan: bril af, hoorapparaat uit, morrelen en fluiten, piepen….aiaiai mijn oren… en dan weer: ‘Est noa gedoan?’

Neen. Bril opzetten, kijken naar mijn schuddend hoofd…

Na een paar herhalingen van hetzelfde heb ik op mijn belletje gedrukt. Ge weet dat ik geen beller ben, maar er zijn toch limieten hé.

Het leuke was dat die verpleger meteen zei: ‘ik ken daar ook niks van. Dat is de eerste keer dat ik zoiets in mijn handen heb’. Kunt ge het hem kwalijk nemen? Die mensen moeten echt wel voor vanalles inspringen, zelfs voor het afstellen van hoorapparaten. Er zijn inderdaad limieten.

Maar het is hem gelukt. En ik veronderstel dat die verpleging zich altijd respectvol moet gedragen, maar ik zag dat hij alle moeite had om het niet uit te proesten. Zijn glimlach stond op barsten.

 

HET ZIEKENHUIS: VERLENGING WEGENS SUCCES – deel 1

Op algemene vraag zet ik me nog eens aan het bloggen, want hoe gek het ook moge zijn, mensen leggen het nieuws van mijn opname blijkbaar meteen in verband met een blog. Wat niet onlogisch is natuurlijk. En dat is ook wel een beetje leuk want dat betekent dat mijn onzin wel gelezen wordt.

Vandaag dag vijf en eindelijk begint die kl..pijn wat op de achtergrond te verdwijnen en ik voel al direct hoe mijn vat energie weer wordt bijgetankt. ’t Is nog gene ‘plain’, maar dat komt nog wel. In elk geval is er genoeg fuel om wat te schrijven.

En ja, hier zijn we weer. Voor de derde keer. Laat ons zeggen dat ik mijn abonnement heb verlengd. En er komt nog een staartje aan, hebben ze me gezegd want na een herstelperiode (en nog een reisje tussendoor) zal het mes er aan te pas moeten komen. Ze willen een stuk uit mijn beenhouwerij halen omdat het daar altijd ontsteekt. Niet dat ik daar vrolijk van word. Maar als ik daarmee eindelijk van dat abonnement af geraak, dan moet dat maar.

En eerlijk, als ik dan de verhalen hoor rondom mij van mensen met hersenbloedingen, kanker, kleine zieke kindjes…. dan vind ik dat ik niet het recht heb om te zaniken en ik zal proberen om dat ook niet te doen.

Het voordeel van herhaaldelijk voor dezelfde kwaal in het ziekenhuis betekent dat je op dezelfde afdeling terecht komt waar dokters en verpleging je kennen. Het voelt bijna een beetje als thuis komen. Al geloof ik nu zelf niet wat ik hier zit te schrijven.  Ik wil naar huis en het liefst zo snel mogelijk.

Maar het blijft een feit dat de verpleging hier super vriendelijk en super gedienstig is. Volgens mij zijn ze hier vriendelijker en hulpvaardiger dan de vroegere nonnen die scholen en ziekenhuizen bestierden. Die konden best wel chagrijnig zijn in al hun vroomheid, en ik kan het weten want ik ben er bij opgevoed in de kostschool en ik ben er drie keer bij bevallen.

Nu ben ik zelf niet zo’n ‘beller’. Maar ik zie dat die mensen hier van hot naar her lopen voor de gekste vragen van patiënten.

‘Ik kan mijnen TV niet aandoen’, of  ‘ik heb koude handen’, of ‘ik heb geen onderbroeken meer’ zijn zo een paar voorbeelden.

Maar soms kunnen die verpleegsters bijna je gedachten lezen. Zo legde een verpleegster een paar boterhammen in mijn koelkastje omdat ik ’s avonds wel eens een hongertje heb. Mijn hart maakte een sprongetje toen ik die koelkast open trok. Het geluk zit in een klein hoekje. En het wordt vooral gemaakt door de mensen om ons heen.

En nu wordt het tijd dat ik nog eens iets vertel over de rariteiten des werelds die hier in het ziekenhuis worden bijeen gebracht.

Zoals iedereen weet hoor ik bij degenen die zelfs op hun sterfbed nog een saffie zouden opsteken, dus het zal je niet verbazen dat ik met of zonder pijn en met of zonder slangetjes toch altijd  de weg weet te vinden naar de rookruimte. Dat is bovendien ‘the place to be’ als je iets wil horen of beleven. Zeg nu zelf, het leven zou saai zijn zonder rookruimtes.

Herman was bij me toen we de lift terug naar boven wilden nemen. Er stond een jonge blonde vrouw te wachten die iemand in een rolstoel bij zich had. Ik zag dat ze op het pijltje naar beneden had gedrukt, dus zei mijn logica dat die mensen naar -1 moesten. Ik druk dus op het pijltje naar boven want ik ben gehuisvest op het vierde verdiep.

De lift stopt en ik vraag aan die dame: ‘jullie gaan zeker eerst naar beneden?’

Neen hoor, zegt ze, wij moeten naar boven!

Ha, maar je had wel op het knopje naar beneden gedrukt.

Ja, zegt ze met haar neusje in de lucht, dat moet zo als je wil dat de lift naar beneden komt. Vroeger duwde ik altijd op allebei de knopjes, zowel naar boven als naar beneden, maar een verpleegster heeft me eens gezegd dat het zo niet hoort.

Nadat ze uitgestapt was op het eerste verdiep keken Herman en ik mekaar lachend aan en zeiden synchroon: ‘dom blondje’. Met een grote sorry naar alle blonde dames. We doelden veeleer op de grappen die erover gaan.

Het vierde verdiep is het hoogste. Daar staat dus enkel een knopje met een pijltje naar beneden.

Kijk, zegt Herman, hier kan je nooit de lift naar boven halen!

Weet je, het rare is dat ik er de volgende keren ben gaan op letten en blijkbaar zijn er wel meer mensen die op het foute knopje drukken. Ik vraag me alleen af hoe die mensen nu in godsnaam kunnen weten of die lift naar boven of naar beneden moet komen. Ze kunnen toch niet zien waar die zich in die koker bevindt?

Ik heb er nooit bij stilgestaan dat niet iedereen dezelfde logica heeft, maar het voorval heeft me geïnspireerd om verder te kijken. Zo vraag ik me nu bijvoorbeeld af of de mensen die aan de ingang van de rookruimte blijven staan om te roken misschien denken dat ze daar moeten staan omdat daar ook het plaatje met de sigaret hangt.

Ik blijf het in het oog houden.

Wordt vervolgd……

HET ZIEKENHUIS: EEN AVONTUUR – deel 10 Einde.

SAMSUNG

Zelfs de politiek bleef niet ongemoeid in de apenkooi. En nu moet ik zeggen dat ik daar toch een schoon staalke van moraalpreek heb gehoord dat ik wel kon appreciëren.

Er zaten daar twee mensen waarvan de ene zeker een Turk was, en de andere was minder gedefinieerd, maar hij sprak evengoed dat taaltje waar ik niks van begrijp. In elk geval schakelden die mannen over op het Nederlands, en dat maakte het voor mij al een stuk minder saai.

De Turk poneerde dat hij Erdogan erg wist te appreciëren want die man had veel goede dingen gedaan in zijn land. De ongedefinieerde was het daar niet mee eens. Heel bedaard, maar overtuigend zei hij tot zijn vriend:

– ‘Jij woont in Gent. Je leeft in onze gemeenschap, onze gemeenschap geeft jou elke maand geld en je krijgt hier de beste zorgen die je maar kunt wensen. Dat heb je nu genoeg ondervonden. Dan is het maar normaal dat je loyaal bent aan deze gemeenschap. En Erdogan kan in zijn land doen wat hij wil, maar hij moet onze regels hier niet met de voeten komen treden en oproer zaaien tussen de mensen die hier leven en waar wij voor zorgen.’

De Turk liet het bezinken en knikte.

– Ja, dat is waar.’ zei hij.

Kijk, dat vind ik nu schoon zie, dat mensen hun ei leggen waar het hoort.

En – om een beetje in de politieke sfeer te blijven – ik heb me daar dikwijls afgevraagd of terroristen niet op andere gedachten zouden komen mochten ze zo een weekje flink ziek in het ziekenhuis belanden. Een mens heeft in die omstandigheden vaak niet veel overtuigingskracht nodig om anders beginnen te denken.

Net zoals de meeste mensen noem ik mezelf geen racist. Hoewel – ik geef het toe – mijn buik wel eens een andere mening geeft wanneer ik het gedrag van sommigen zie. Zouden die zich daar echt niet van bewust zijn?

Zo kon je er donder op zeggen dat – wanneer er zo een groep vreemdelingen in of rond de apenkooi zat – er sigaretten werden gebietst. Niet ééntje, maar vele.

Het kan een Belg ook overkomen om eens zonder te zitten, en soms zal die ook wel eens nederig een saffie afbedelen, maar dat is eerder uitzonderlijk.

En luidruchtig dat die mensen zijn. Om te beginnen voegen ze zich meestal in zwermen samen, en dan moet er ook altijd geroepen worden. Waarom weet ik niet. Zitten doen ze liefst op de leuningen van de banken met hun voeten op het zitgedeelte. En peuken gooien ze bij voorkeur op de grond in plaats van in de asbak.

Ik begrijp daar dus niks van. Ik kan me ook niet voorstellen dat ze dat doen om hun wereld te koeioneren. Maar kunnen we hen dan bij aankomst niet gewoon eens uitleggen wat hier de geplogenheden zijn? Of klinkt dat te naïef?

’t Is waar eigenlijk. Want als je zou zeggen dat ze zo niet in zwermen moeten klitten, of dat ze wat minder luid moeten roepen (en al zeker niet in een ziekenhuis) of hun peuken niet op de grond gooien als er een asbak staat, dan hebben ze alle reden om ons te wijzen op de vele Belgen die hetzelfde doen.

Laat ons zeggen dat ik racist ben tegenover alle mensen van gelijk welk ras of kleur die zich niet weten te gedragen. Is dat toegelaten of kan ik daarvoor ook een boete krijgen?

Enfin, ik heb me ginder niet geroepen gevoeld om daar verandering in te brengen, dat geef ik toe.

Maar ter compensatie heb ik nu en dan wel eens mijn rugzak bovengehaald om de een of de ander een duwke in de juiste richting te geven. Zo ook dat jonge moedertje wiens baby van 7 maanden opgenomen was omdat ze een trauma had opgelopen en niet meer durfde eten. Ze stond daar huilend haar verhaal te doen dat ze gezegd hadden dat de kleine en zei evengoed naar een psychiater moest gaan. Moest ik wel eens om lachen. Baby van 7 maanden bij psychiater?

Schrijnender was de verpleegster die het kind met geweld een fles in de mond duwde en zei: – ‘ze zal bij mij wel eten, want ze weet nog niet met wie ze te doen heeft’.

Een mens krijgt daar zeer van aan zijn hart als hij zulke verhalen hoort.

De meeste verpleegsters zijn engelen, maar hier en daar zit er ook een duvelke tussen.

Zo vertelde een dame me dat ze de verpleging vroeg om te helpen bij het uittrekken van haar steunkousen. Zei die verpleegster:

– ‘Doe dat maar zelf, ge hebt toch niks anders te doen.’

Ach, het zijn uitzonderingen, dus laat ons maar focussen op de goede dingen die daar gebeuren.

En zo heb ik ontdekt dat er ook les wordt gegeven, zei het wel in dubieuze praktijken.

Ik hoorde daar een gast vertellen dat zijn kameraad lege vuilniszakken in brand stak om er vervolgens de giftige dampen van in te ademen om high te worden. Dat was nieuw voor mij. Niet dat ik van plan ben om zoiets te proberen. Ik heb genoeg aan mijn sigaret.

Het ziekenhuis, het is een wereld apart. En ik weet dat ik nog eens terug moet voor een paar onderzoeken, maar daarna hoop ik dat het afgelopen is. Het is boeiend geweest, maar het is er toch niet mijn biotoop.

Ik ben dankbaar dat ziekenhuizen bestaan, en ik ben dankbaar om ons systeem van gezondheidszorg. Men weze verwittigd: bij mij moet ge niet komen zagen over de belastingen die we te veel betalen.

En ik ben dankbaar voor de vriendelijke en professionele equipe die mijn lijf en leden weer tot de levenden hebben gewekt.

Maar vooral ben ik dankbaar voor die welhaast honderd berichtjes en telefoontjes van vrienden met wensen voor beterschap. Het heeft duidelijk geholpen.

En mocht je zelf ooit in het ziekenhuis belanden, probeer dan ook eens naar die boeiende wereld te kijken. Het verzacht de pijn en de zinnen.

Blij dat ik weer thuis ben in ons warme nest.

EINDE

 

HET ZIEKENHUIS: EEN AVONTUUR – deel 9

Geen Yin zonder Yang. Ik sta deze dagen goedgeluimd en dankbaar op, ’t mag pijpenstelen regenen, maar ik ben gelukkig want ik voel elke dag weer meer energie opborrelen. En dan weet ik dat mijn ouwe ‘ik’ weer stilaan tot leven komt.

Mensen die hier in begeleiding kwamen zeiden me vaak dat ik zo’n uitzonderlijk rustig persoon was. Die wisten niet dat ze me in mijn jongere jaren ooit ‘Annie TGV’ noemden. En die rust, dat is niet moeilijk, hoor. Mij kunt ge onvoorstelbaar stil houden als iets mij boeit, en zeg nu zelf: wat is er boeiender dan een mens? Want hoewel we erg op elkaar gelijken, zijn we allemaal bijzonder verschillend. Neen, niet zomaar een beetje verschillend, écht anders. En dat is zo mooi. Net alsof je een vlinderboom vol vlinders ziet en daar zit geen enkele dezelfde tussen. Prachtig toch!

En ik durf hier zonder blozen te beweren dat ik niet op zoek ga naar het kwade in de mens. Ik zie hoogstens onvolmaaktheden, en het is zo mooi wanneer mensen die zelf zien en daaraan willen werken.

Maar soms zijn er ook dingen die mij wel eens verontrusten.

Zo zat ik weer eens in die ‘apenkooi’, waar een groepje jongere mensen vertoefde die ik er al eens eerder had gezien. Jonge mensen zijn wat luidruchtiger, maar daar zijn ze jonge mensen voor. Wanneer mature mensen dat beginnen te doen, dan trek ik wel eens mijn wenkbrauwen.

Ik installeer me en schik mijn uitlopers zodat ik er niet in verward geraak bij het roken. En dan geboeid mee luisteren naar hun conversatie:

– ‘Maar neen, wat weet gij daar nu van’ zei het blonde meisje tegen een jongen ‘de ramadam, dat is helemaal geen vasten.’

– ‘Ik vind het moeilijkste aan die periode het niet eten en niet roken’ zei een jongen.

Ik keek nog eens goed om te zien of ik het wel juist had gezien. Neen, dit waren geen mensen met een kleurke, dit waren rasechte jonge Belgen. Nu heb ik in mijn praktijk ook ooit wel eens een Belg gehad die moslim was geworden, maar dat snapte ik, want die was in zo’n buurt opgegroeid en was ook met een moslima getrouwd. Maar ik had nog nooit zo’n zwerm gezien. Ofwel ben ik een beetje wereldvreemd aan het worden op mijn leeftijd. Maar ik geef eerlijk toe dat het me toch een beetje verontrust.

En nog meer wanneer dat meisje begon mee te zingen met liedjes op haar ipod in dat taaltje dat zeker niet haar moedertaal was. Het mag dan wel boeiend zijn om die mensen bezig te zien, maar ik moet toegeven dat ik dat toch liever niet zou zien.

Geef mij dan maar die jonge deerne die ook graag zong en die iedereen wilde laten meegenieten. Al begon het op de duur wel een beetje pijn aan mijn oren te doen. En blijkbaar was ik niet de enige. Er was een oudere vrouw die zei:

– ‘Het zou wel mooi zijn moest ge zo hees niet zijn.’

– ‘Maar dat is helemaal niet hees.’ zei het meisje zonder verpinken, en ze zette haar gekweel vrolijk verder en gaf nog wat meer gas bij zodat het meer op roepen dan op zingen begon te gelijken.

En ook iemand van haar clubje moet een opmerkingen gegeven hebben, want toen zei ze:

– ‘Ik volg zangles, hoort ge dat dan niet?’

Neen, eerlijk, ik kon het niet horen. En ik vrees dat die zangleraar er nog veel werk zal aan hebben. Maar dat is goed, dat houdt de economie in stand.

De apenkooi, het was er minstens even boeiend als binnen in het gebouw.

Zo belandde ik eens midden in een discussie over de koopwoede van vrouwen. Kijk, ik maak daar geen geheim van, ik ben niet anders dan een gemiddelde vrouw. De meeste vrouwen zijn allemaal verhangen aan kleren. En sommige vrouwen focussen zich daarnaast op handtassen of op sjaaltjes. Bij mij zijn dat schoenen. En dat schikt, want mijn vriendin, die heeft dezelfde afwijking. Wij gaan wel eens samen shoppen en dan spreken we af dat we elkaar zullen afhouden van de etalages van schoenwinkels. Maar ge gelooft toch niet dat twee verhangen vrouwen dan effectief ook de daad bij het woord gaan voeren, zeker?

En nu hebben wij gelukkig allebei een echtgenoot wie het niets kan schelen hoeveel paar schoenen wij verzamelen, maar die ene keer, dan zei mijn vriendin toch:

‘Dees paar ga ‘k nu toch naar binnen smokkelen, zie’. Niet dat hij het niet mocht weten, maar er zijn grenzen aan iemand zijn schaamteloosheid.

Nu zijn dat dingen die ik niet vertel wanneer ik midden in zo’n discussie beland. Ik beperk me wijselijk tot geboeide luisteraar die nu en dan eens glimlacht of humt.

Maar er was wel een andere dame die zich met volle kracht in de verdediging duwde door te vertellen over haar man, zijn ziel ruste al verschillende jaren in vrede, maar je zag dat ze zich in gedachten nog altijd ergerde aan zijn gewoonte om dassen te vergaren. Bleek dat die een hele bonte verzameling had. Maar dat was niet de clou van het verhaal.

– ‘En te zeggen dat hij tot het einde van zijn dagen nooit geleerd heeft om een das te knopen!’ zei ze. ‘Hij koos elke ochtend zorgvuldig een das uit en dan nam hij die mee naar het werk om zijn collega te vragen hem te knopen.’

Neen, je denkt hetzelfde als ik, maar die man liet de knopen er nooit inzitten. Elke avond haalde hij de knoop eruit om het gedragen exemplaar weer mooi naast de andere tussen het rijtje te hangen.

Och ja. We hebben allemaal recht op onze eigen afwijking. Ik heb daar geen probleem mee.

 

(wordt vervolgd….)

 

 

HET ZIEKENHUIS: EEN AVONTUUR – deel 8

Drie dagen niet kunnen roken in dat ziekenhuis. Ik dacht er zelfs niet aan. Had andere prioriteiten op dat moment. Perfecte start voor een rookstop. Neen hoor, ons Annie gaat weer van voor af aan leren hoe je die slechte smaak kan overwinnen. En ’t is gelukt. Zeg nu zelf dat rokers geen doorzettingsvermogen hebben?!

Ik weet het, ik ben geen voorbeeld. Maar ik blijf erbij dat ik dank zij het roken veel interessante gesprekken heb gevoerd en opgevangen. Geen enkele plaats geeft je meer informatie dan het rookkot.

En mijn pa – die nu 91 is en het kan weten want heel zijn leven een fervent pijproker – die ik opbelde toen ik net mijn eerste sigaret weer had opgestoken, zei:

– ‘Dat is een goed teken dat ge kunt roken. Dan zijt ge op de goede weg!’

Ik heb niet meer aanmoediging nodig dan dat en dan ga ik ervoor.

Zoals je al kunt indenken: ik dus regelmatig naar beneden. Zo ook die nacht dat ik weeral eens niet kon slapen. Ik ging naar de nachtverpleegster om te horen of dat wel een optie was, en die zei:

– ‘Maar natuurlijk, er zijn er velen die dat doen.’

Ik dus om drie uur ’s nachts naar buiten. Geen probleem. De draaideur staat wel stil, maar er is een schuifdeur die automatisch opengaat. Gerustgesteld zet ik mij in donkere eenzaamheid in dat getraliede rookkot dat er een beetje uitziet als een apenkooi en het ook bij wijlen wel een beetje is. Voldaan zet ik weer richting bed in, maar wat blijkt? Inderdaad, die automatische deur laat je wel buiten, maar niet binnen. Stond ik daar in mijn pyjama te blinken midden in de nacht.

Oef, opluchting, hier hangt een bel. Zouden ze mij horen? Jawel, meneer de nachtwaker zet de draaideur aan en de prinses in nachtgewaad kan binnentreden.

Stel je voor dat je daar een hele nacht voor die deur moet staan wachten tot de vogels beginnen te fluiten. Dat wil je toch niet meemaken.

Het was dus veiliger om overdag eens in die kooi de aap te gaan uithangen. Neen, neen, ik heb me daar echt wel gedragen zoals het hoort. Het leuke was dat je dat van anderen niet altijd kon zeggen, en dat heeft me uiteraard weer stof opgeleverd om jullie dooie momenten mee op te vullen.

Ze stonden hierboven een beetje aan mijn kant, want het heeft mijn hele opnametijd geregend. Ik heb dus geen zon moeten missen. En toen er weer eens zo’n plensbui naar beneden viel, dan hoorde ik daar eentje in de gietende regen uit volle borst zingen: ‘I’m singing in the rain…’ Drijfnat. En echt, hij zag er voor de rest nochtans helemaal niet kierewiet uit. Zeg nu zelf, daar wordt een mens toch vrolijk van.

Er waren daar een paar ‘habitués’ in dat rookkot die ik – laat ons zeggen – minstens een beetje speciaal vond. Tot ik hen hoorde vertellen over een sleutel. Toen werd het duidelijk. Iemand zei dat de poetsvrouw per ongeluk de sleutel op de deur had laten zitten en dat werd gezegd alsof het een vreselijke doodzonde was. Maar naarmate het verhaal vorderde begon het me te dagen. Die mannen zaten in psychiatrie en daar mag je niet zomaar in en uit. Blijkbaar zit iedereen daar de eerste drie dagen honkvast. Daarom hebben ze per uitzondering ook een rookruimte op de afdeling. Luxe. Maar blijkbaar vonden ze het toch veel fijner om beneden in het apenkot te roken, en dat was een privilege, want niet iedereen van de afdeling mocht dat. Maar ik was blij dat ik stiekem mocht meeluisteren naar hun sappige taaltje, al moet ik toegeven dat ik dat plat Gents niet altijd goed kon verstaan. Ik heb stukken moeten missen. Maar het was wel grappig wanneer ze hun psychische kwalen begonnen op te noemen tegen elkaar in dat taaltje. Het leek wel of je een trofee kreeg als je de raarste etiketten op je hoofd had gekregen.

Het deed me denken aan mijn moeder. Zij groeide op in een boerengezin met zeven kinderen en één van de broers moet blijkbaar graag een pint gedronken hebben. Mijn moeder zei dat de dokter voor hem was moeten komen – een heel evenement in die tijd – en dat haar broer een ‘trilium tremels’ had. Als kind wist ik niet beter dan dat dit de juiste benaming was, tot ik er achter kwam dat het ging om een ‘Delerium Tremens’. Ach, het is allemaal niet zo belangrijk. Iedereen doet zijn best om zich verstaanbaar te maken.

Ik was niet alleen een nachtelijke bezoeker van dat plekje, maar ik was er ’s morgens ook behoorlijk vroeg bij. Vaak kwamen verpleegsters of andere medewerkers nog gauw eentje roken voordat ze aan hun shift begonnen.

Zo zat er op een ochtend ook een jonge vrouw en ik vroeg haar:

– ‘Nog eentje voor je begint?’

– ‘Neen, eentje voor het naar huis gaan. Ik ben met de brommer.’

– ‘O nachtverpleegster? Op welke dienst?’

– ‘Oncologie’

– ‘Allez jong, en nog niet overtuigd om te stoppen met roken?’

– ”t Is me te moeilijk. Ik zie vreselijke dingen, maar toch kan ik het niet laten.’ zei ze.

Ik dacht: Kijk, dat is er nu eentje zoals ik. Ik geloof dat het bij mijn ook niet genoeg impact zou hebben. Hoewel, we weten het niet, natuurlijk. En we zullen het ook nooit weten want ik zal nooit of nimmer een job uitoefenen als verpleegster op Oncologie. Zoveel is wel zeker.

En die dame die me in paniek vertelde dat ze onverwacht was opgenomen die dag en dat ze maar één pakje sigaretten bij zich had. Ik heb haar gerustgesteld, want een mens rookt daar bijlange niet zoveel als thuis. En bovendien zag ze er niet zo verschrikkelijk ziek uit. Dus die mocht zeker naar huis voordat haar pakje leeg was.

(wordt vervolgd…..)

 

 

HET ZIEKENHUIS: EEN AVONTUUR – deel 7

SAMSUNG

Als je zo een paar keer onverwacht het ziekenhuis wordt ingekatapulteerd, dan zou je denken dat je je lesje wel geleerd hebt, maar neen hoor, Annie niet.

Zo ben ik eens in bikini op spoed beland, nog net een flinterdun kleedje over aangetrokken. Gelukkig. En de andere keer stond ik daar al gereed in pyjama. Geef toe, als dan het moment aangebroken is dat je naar huis mag, dan valt je plots te binnen dat je niet in bikini de straat op kan als buiten de regen met bakken uit de lucht valt en er een gure wind staat. Of ook niet in pyjama.

Maar ’t heeft ook zijn plezante kanten. Op die momenten dan wordt eindelijk eens duidelijk wie er thuis eigenlijk het huishouden bestiert. Niet dat ge mij hoort klagen, want als ik de eerste in bevel ben – over het huishouden welteverstaan – dan wil dat ook zeggen dat ik degene ben die kan bepalen wat er onder andere op tafel komt.

Maar ’t heeft wel wat om het lijf als je van op afstand of via SMS moet beschrijven waar je lieve halve trouwboek een paar onderbroeken voor je kan vinden in huis. En dat viel nog redelijk mee. Maar het wordt anders als je om een pincetje vraagt, of de lader van je GSM. Om niet te spreken over één welbepaalde pyjama. Om dan vervolgens te constateren dat hij wel de juiste pyjamabroek mee heeft, maar daarbij een ander pyjamavestje.

Och, ge hoort mij hier geen kwaad woord zeggen over mijn lieve schat. Hij heeft voor mij een week verlof opgeofferd. Zeg nu zelf, is dat geen onvoorwaardelijke liefde?

En nog liever de mijne dan die vriend van mijn buurvrouw. Zij was bang om hem iets te vragen. Niet dat hij dat niet met plezier meebracht voor haar, maar hij moest altijd overdrijven. Ze vroeg hem om twee potjes Yoghurt van haar speciale merk mee te brengen, komt hij aanzetten met een hele berg. Boekje nodig? Hij koopt gewoon de kiosk leeg.

Zo’n verblijfje, dat heeft wel impact op een mens. Je ontdekt niet alleen een andere wereld, maar je ontdekt ook een heel ander stukje van jezelf. En daar stond ik nu en dan wel eens van te kijken.

Die eerste dagen, dan telde ik niet mee op deze aardkloot, dan mocht alles aan mij voorbijgaan, ik had er geen oog voor. Maar wanneer ik langzaam uit mijn lethargie begon te ontwaken kregen de dingen om me heen meer kleur.

Zo was er dat infuus dat me voortdurend in de weg zat bij alles wat ik deed. Probeer je maar eens te wassen of te slapen met zo’n aantal slierten aan je lijf. En naar gelang ik beter werd had ik Herman gevraagd om mijn PC mee te brengen (daar moest hij niet zo erg naar zoeken). Maar je hebt er geen idee van wat een tijdverspilling het is om je eigen draden en die van PC en muis uit elkaar te houden. Ik moet soms op een ware elektriciteitskast geleken hebben daar op dat bed. En nog meer ergernis wanneer je merkt dat de Wifi in dat ziekenhuis voortdurend overbelast is.

Maar tegelijk kon ik er ook van genieten om een PC bij de hand te hebben. Daar stond ik thuis nooit meer bij stil. En ik genoot ervan om boekskes uit te wisselen met mijn buurvrouw. Alleen voor de ‘Dag Allemaal’ heb ik vriendelijk bedankt. Ik heb daar niks op tegen, maar echt, het is aan mij niet besteed.

En ik kon verwonderd kijken naar alle nieuwe snufjes die de verpleging ter beschikking had om de zieke mensheid bij te staan.

Temperatuur meten? Gewoon met een pistool in je oor schieten en klaar is kees. Saturatie van Mevrouw Van Mulders? Zet een wasknijper op haar vinger en je weet het meteen. Gewicht? Zet je even op de stoel en verheug je: op een week twee kilo afgevallen. Daar moet ik thuis veel meer moeite voor doen.

Hoewel die verpleegsters ginder wel een boom konden opzetten over die vernuftige dingen. De technisch directeur zou hen vooraf gezegd hebben dat dit wonderding de verpleging op termijn zou vervangen. Tja, zoiets moet je tegen een verpleegster zeggen, natuurlijk.

En dan de verwondering over de accurate aanpak in het ziekenhuis. Elke keer dat er een verpleegster voor gelijk welke kleine interventie ook je kamer binnen komt, dan vraagt ze je naam en geboortedatum. Mijn buurvrouw dacht eerst dat ze dat deden om te zien of je nog altijd voldoende bij je verstand was. Kan ook zijn, natuurlijk.

Maar ook de verwondering over mijn eigen gedrag.

Weet je, een mens begint zich algauw te vervelen als hij zich wat beter voelt. Dan maar eens wat rondtoeren met de staf in de hand. Kijk, ik ben niet iemand die in de lift naar de grond zit te kijken omdat ik de mensen niet durf aankijken, maar ginder kon ik het me niet laten om tegen gelijk wie iets te zeggen. Neen, geen verhalen vertellen, dat doe ik niet, maar wel wat commentaar geven.

Zo was er dat oudere koppel dat naar het labo moest. Madam drukt op het knopje van het tweede verdiep. Meneer drukt op het knopje van het eerste verdiep. Zegt zei: ‘Maar allez, schat, het is toch niet op het eerste!’ waarop hij snel op het derde knopje drukt. Voor ik het wist hoorde ik mezelf zeggen: ‘Bah ja, maak er hier maar nen omnibus van!’

Of die keer dat ik net het nieuws had gekregen dat die nieuwe antibiotica eindelijk hun werk begonnen te doen en dat ik me alleen in de lift bevond. Mijn moraal was ineens een meter gestegen en ik hoorde mezelf in de lift zingen van ‘Hoe schoon op de wereld, de zomerse hei’. Ik schrok er zelf van, want ten eerste is het niet van mijn gewoonte om op openbare plaatsen beginnen te zingen (komaan jong, ik stond wel alleen in die lift, hé), maar ten tweede was dat een liedje dat ik op de lagere school had geleerd en allang vergeten was. Dat kwam zomaar ineens op-poppen. Het menselijk brein blijft een mysterie.

En dan heb ik een nog een meer verontrustend voorbeeld van mijn eigen gedrag.

In die lange gang beneden stelde ik vast dat de meeste mensen er de regels van het verkeer aanhielden, dus doorgaans ging iedereen aan de rechter kant lopen voor een goede doorstroom. Maar ik had geen behoefte aan een goede doorstroom. Ik had alle tijd van de wereld. Ja, je hebt het geraden: ik ging gewoon links lopen. Hoe tegendraads kan je zijn!

In psychologie noemen ze dat het ‘lucifer-effect’ wat wil zeggen dat ieder mens in zich een demon heeft die in welbepaalde omstandigheden naar boven kan komen. Die van mij blijkt nog enige humor te hebben.

Het is inderdaad zo dat wij onszelf niet kennen. Want wat doen we wanneer we onszelf moeten beschrijven? We doen dat in de omstandigheden die we leven. We gaan onszelf niet beschrijven zoals we ons zouden voelen en gedragen wanneer we ons op een ondergaande Titanic bevinden.

De toepassingen van de psychologie tot in het ziekenhuis. ’t Komt altijd van pas.

(wordt vervolgd…)

 

HET ZIEKENHUIS: EEN AVONTUUR – deel 6

Als je meer dan eens wordt opgenomen, dan heb je het voordeel dat er wat afwisseling in zit. Zo heb ik in een volledig nieuwe en moderne kamer mogen vertoeven met inclusief een inloopdouche, of in een vernieuwde kamer die weliswaar klein maar netjes oogde maar dan zonder inloopdouche. Daarvoor moest je de gang op. Voor mij geen probleem. Als je genoeg wandelt, dat scheelt een prik in je buik tegen flebitis. En ik ga voor de minder prikken, dat weet ge. Niet dat ik bang ben van een prik, maar ik heb liever dat ze er dingen mee uithalen dan dat ze er dingen mee inpompen.

Van bloed trekken, daar weet ik alles van. Tot hiertoe heeft mijn huisarts de hoogste score. Man, die kan goed prikken. Daar voel je zo van ver een prikje en voor de rest laat dat geen seconde getuigenissen na.

En in het ziekenhuis, daar heb je van soorten. Van mij mogen de stagiaires gerust hun beroep leren op mijn lijf. Ik heb daar geen enkel probleem mee. Maar ze moeten het wel een beetje proper houden.

En dan was er die verpleger van het labo waarvan je zou denken dat die het toch wel gewoon is om vloeistof uit de mensen te tappen. Die maakte er bij mij echt wel een knoeiboel van. Ik voelde al gelijk dat het mis zat van het moment dat hij mijn arm bestudeerde op zoek naar een ader. Ik dacht: ‘Allez jong, mijn ogen moeten toch wel wreed achteruit gegaan zijn, want die ziet een ader waar ik het niet zie.’ Maar uiteindelijk geloof ik dat hij maar op goed geluk zijn naald in mijn arm heeft geboord.

Enfin, ik bijt dus maar eens op mijn lip, want een mens moet niet kleinzerig doen als hij in het ziekenhuis ligt. Het schijnt daar toch allemaal voor uw eigen goed te zijn, dus leg ik mijn hele wezen en mijn vertrouwen in handen van alles wat een witte schort draagt.

Ik vond het goed dat het allemaal wel rap ging bij die gast, al vond ik die snelheid terzelfdertijd een klein beetje verontrustend. Hij plopt dus een plakker op mijn arm en weg was hij.

Een tel later voel ik daar toch een pijntje, en zie ik dat er een hele dikke bubbel op mijn ader zit. Deze keer zou niemand moeten zoeken naar die ader, zelfs ik niet met mijn ogen die niet meer zijn wat ze geweest zijn. Hij was duidelijk goed zichtbaar. Ik duw op dat mini-plakkertje….Miljaar, begon dat daar bloed te pissen dat het niet schoon meer was. Ik uit dat bed met mijn staf in de hand naar de verpleging met mijn handen vol bloed. Maar ze maken daar geen spel van hoor. Beetje op blijven duwen, nieuwe plakker erop en klaar is kees.

Kijk, dat heb ik nu graag zie, dat ze daar zo mee omgaan alsof het een pluisje is dat ze van hun truitje halen. Dat stelt een mens gerust.

Mijn armen zijn nu nog altijd mooie landschappen in alle tinten blauw en geel, maar de sporen van die laborant krijgen de trofee.

Ik vraag me af wat ze doen met dat bloed wanneer ze te weten zijn gekomen wat ze wilden weten. Kieperen ze dat in het toilet zoals ik dat doe met de overschot soep als die er twee dagen blijft staan? Of voederen ze dat aan de proefdieren? Of misschien halen ze er de bruikbare stukken uit om bij een ander in te spuiten? Dat lijkt me een medische vorm van recyclage waar wat voor te zeggen valt. Ze hebben blijkbaar toch te weinig donors. Waarom dan goeie dingen weggooien?

Ja, ‘k weet het. Ik ken het antwoord: Dat is te gevaarlijk, blablabla…

Maar eigenlijk had ik het over die kamers willen hebben. Ik lijk af te wijken. Dat krijg je met ouder worden. Ons moeder was daar ook altijd een kei in. Als die iets begon te vertellen dan nam ze zoveel zijstraatjes dat ze op de duur zelf niet meer wist op welke weg ze ergens begonnen was en waarom ze dat nu allemaal zo zat te vertellen. Dat is voor de luisteraar een anti-climax natuurlijk, want je mist altijd de clou van het verhaal.

De kamers, dus.

Ik heb ook het voorrecht gehad om eens aan het venster te liggen, of eens niet aan het venster. ’t Heeft allemaal zijn voor- en nadelen. Wie aan de vensterkant ligt is meester over het al dan niet openen van het raam en de gordijnen. Maar dat houdt tevens in dat je soms ook de opdrachten krijgt om ze open of dicht te doen. Ge kunt niet alles hebben.

Mijn buurvrouw, die dus aan de andere kant haar bed had, kreeg de zenuwen als ze iets uit haar kast moest halen. Want haar kastje zat helemaal in de hoek, en voor die kast stond die lompe zetel waar nooit iemand in zit. En die valt niet zomaar een beetje op te schuiven, want die zit tussen het bed en kast geperst. Er staat dus niets anders op dan dat hele gevaarte achteruit te trekken om toegang te krijgen.

Ik zei haar dat ik de vorige keer toen ik zelf aan zo’n kant lag die stoel gewoon verhuisd heb naar de andere kant. Maar zo assertief was zij niet. Ze durfde niet. Tja, eigen schuld, dikke bult. Sleur dan maar verder.

Maar ze kon er zelf mee lachen wanneer ze na veel labeur eindelijk haar verse kleren had vergaard en de boel weer netjes op zijn plaats had gezet toen ze zich realiseerde dat ze een slip vergeten was.

Tja, je hebt op dat moment de keuze: ofwel herbegin je het ritueel van verhuis, ofwel beslis je om zonder slip rond te lopen. Ze koos de eerste optie, wat begrijpelijk is.

En we hadden ook het comfort van een kleine koelkast. Probleem was dat die in de kast zat. En daar stopt het hindernislopen nog niet, want de kast van de deur gaat naar links open, en vervolgens gaat de deur van de frigo rechts open. ’t Is gelijk die Babouchkas, of hoe noem je die Russissche poppetjes die je kan open doen en dan zit er weer een nieuw en kleiner poppetje in dat ook weer opengemaakt kan worden.

Als mijn buurvrouw dan eindelijk opgelapt en fris gewassen met slip en al uit de badkamer kwam, dan kon ze weer beginnen verhuizen om iets uit haar koelkast te halen.

Kortom, ik durf wedden dat die spieren heeft gekweekt in dat ziekenhuis.

(wordt vervolgd….)

 

HET ZIEKENHUIS: EEN AVONTUUR – deel 4-5

HET ZIEKENHUIS: EEN AVONTUUR – deel 4

In de periode van een aantal opnames heb ik natuurlijk meerdere buurvrouwen gehad. ’t Had interessant geweest om ook eens een buurman te hebben, maar dat hoort blijkbaar niet tot de geplogenheden. Denk niet verkeerd, er is geen half haar op mijn hoofd dat goesting heeft om iets te beginnen met gelijk wie. Mijn wederhelft is mijn alles. Maar het mannelijke brein en gedrag zijn toch weer iets anders en dus alweer boeiend.

Soit, de vrouwen waren dat ook. En onrechtstreeks kreeg ik ook met hun mannen te maken en dat vult natuurlijk ook al een stukje van de leemte.

Zo was er dat madammeke wiens echtgenoot op bezoek kwam om 14u en dan bleef hangen tot einde bezoekuur, zijnde 20u. Die zette de koers aan op TV en plantte zich naast haar in de zetel. Tussendoor viel hij eens in slaap. Ik keek er met verwondering naar en vroeg me af of dat madammeke dat nu echt wel leuk vond. Ikzelf althans niet, maar ik nam me voor om mijn verdraagzaamheid te oefenen. Daar was het de goede gelegenheid voor.

De volgende dag hadden mijn buurvrouwke en ik wat nader kennis gemaakt, en in een ziekenhuis gaat dat blijkbaar sneller dan in het gewone leven. Normaal gaat een mens niet na een dag al ontboezemingen doen tegen een wildvreemde. En wees gerust, ik zwijg angstvallig over mijn beroep in dergelijke situaties, dus daar kan het ook niet aan liggen.

Ze zuchtte zwaar en zei dat ze er tegen op zag dat haar man weer in de namiddag zou komen naar de koers kijken. ‘En dan blijft hij nog zo lang hangen ook’, klaagde ze. Je kan mijn antwoord al raden. Ja, ik vroeg haar waarom ze hem dat dan niet gewoon zegde.

– ‘Maar dat durf ik niet. ’t Is gene gemakkelijke, zulle!’

Kijk, normaal gesproken zou ik nooit dergelijke dingen van iemand overnemen. Ik help mensen hun problemen zelf op te lossen. Ik los ze niet voor hen op. Maar in dit geval was de tijd te kort, dus zei ik:

– ‘Ik zal het eens voorzichtig zeggen in jouw plaats’ zei ik, ‘tenslotte ben ik evenmin een fan van de koers.’

Zo gezegd, zo gedaan. Volgende dag komt meneer om stipt 14u binnen en installeert zich. Buurvrouw houdt weer wijselijk haar mond. Ik zeg:

– ‘Allez jong, dat is toch wel straf dat ge hier met twee zieke madammen zit die een hekel hebben aan de koers en gij komt hier een hele namiddag dat ding aanzetten.’

– ‘O, maar ik zal het geluid stil zetten.’ zei hij en veegde daarmee elk argument van tafel.

Ik heb het daar maar bij gelaten, maar achter zijn rug hadden mijn buurvrouw en ik wel pret. Ze vertelde me nog veel meer en ik heb haar de steun geboden die ik nog in mijn valies had. Ik ga het hier allemaal niet vertellen want dat is naar mijn aanvoelen een brug te ver.

Ik ben bij die toenmalige opname ontslagen wanneer zij er nog een tijdje moest uitzitten. De koers zal daarna wel gestopt zijn, maar ik vrees dat er dan wel weer ergens een andere sport op TV zal geweest zijn om haar verder het leven onaangenaam te maken, naast de rest van de perikelen.

Ze vond het zo spijtig dat ik weg ging. Ik vond het voor haar misschien ook een beetje spijtig, maar ik moet toegeven dat mijn vreugde toch groter was dan mijn spijt, want ziekenhuizen mogen dan wel boeiend zijn, maar ik zit toch liever gezond in mijn eigen kot.

(wordt vervolgd….)

 

HET ZIEKENHUIS: EEN AVONTUUR – deel 5

De plezantste buurvrouw die ik heb gehad in het ziekenhuis was een heel pront madammeke van een paar jaar ouder dan ik. Een ongelooflijk fijn en leuk mens. Wij lagen daar zo ongeveer met dezelfde kwaal en dus dezelfde symptomen. Ik kan je zweren dat zoiets het leven ginder een stuk gemakkelijker maakt, vooral als het probleem zich in je darmen voordoet. Ik moet daar geen tekeningske bij maken. Wij hebben daar wat afgelachen. Niet zozeer in het begin van onze opname, maar naarmate de dagen vorderden en we ons dus beter voelden stroomde de lol uit onze kamerdeur de gang in. De verpleegsters wisten er gauw van.

We hadden lol met onze eigen miserie, maar we hadden ook lol met de gekke toestanden die we daar meemaakten.

Kijk, ik wil niemand met de vinger wijzen want ik zei al dat ik alleen maar lof heb voor de verpleging ginder, maar er werden daar toch ook wel kemels geschoten. Een geluk dat wij de leeftijd van dementie nog niet hadden bereikt want het feit dat we zelf een beetje alert bleven kon voorkomen dat die kemels geen gevolgen hadden.

Zo vroeg ik – omwille van al die chemische troep die ze niet alleen in mijn aders duwden maar waarvan ik ook nog eens een deel door mijn keelgat in mijn lijf moest krijgen – een yoghurt om mijn maag een beetje te kalmeren.  En vriendelijk als ze daar waren werd ik op mijn wenken bediend. Ik zet dat potje op mijn nachtkastje omdat ik een half uur erna die portie rotzooi te slikken zou krijgen.

En dan neem ik die yoghurt van mijn nachtkastje en scheur er het dekseltje af, maar dat ging zo verdacht gemakkelijk dat ik toch even een blik wierp op dat potje. Bleek dat ding half leeg te zijn. Ik weet niet uit welke kamer en van welk nachtkastje ze dat potje hebben genomen, maar indien iemand die dit leest zich afvroeg waar zijn half potje naartoe is gegaan, dan is het mysterie bij deze opgelost.

Een beetje meer verontrustend was het voorval met de pillen van mijn buurvrouw. Al bij haar opname bleek er toch een en ander niet te kloppen van de informatie in die vernuftige computers van het ziekenhuis, maar dat waren maar details die de verpleegster snel even heeft aangepast.

Maar algauw bleek dat er meer aan de hand was, want toen ze om meer water vroeg, dan bleek dat niet te mogen volgens de computer. Hoe dan? Was het niet de bedoeling dat ze veel zou drinken?

Het werd pas duidelijk toen we onze maaltijden kregen die voor haar heel verschillend waren dan de mijne. Bleek dat die computer hardnekkig vasthield aan het dieet dat ze bij een opname van vorig jaar voorgeschreven kreeg. Maar dat was voor een heel andere kwaal dan deze die ze nu had. Na een paar dagen lachen met de troep die ze moest binnen wurgen, werd dat euvel recht gezet.

Alleen met die pillen bleef het mis gaan bij haar. Ze kreeg niet alleen de pillen die ze voor deze kwaal moest nemen, maar elke keer opnieuw moest ze de zaak nakijken en elke keer opnieuw vond ze pillen die ze allang niet meer moest nemen. Geduldig nam de verpleging die dingen altijd weer mee, maar elke dag kwamen ze weer aandraven met diezelfde pillen.

Computers zijn handige dingen, maar het is toch wel belangrijk – en al zeker in een ziekenhuis – dat je de gegevens een beetje up to date houdt. Dat ze nog altijd genoteerd stond als gehuwd met haar man die al 25 jaar geleden overleed is behalve een beetje genant niet echt gevaarlijk. Maar met pillen vind ik het een beetje eng worden.

En die computers, dat zijn ook echt wel dwingelanden. Dat heb ik zelf ondervonden.

Kijk, intussen is wel duidelijk dat ik geen fan ben van medicatie, dus vond ik het ook niet nodig om bij een klein beetje pijn een kanjer van een pijnstiller in mijn lijf te pompen. En die dokter had blijkbaar mijn gebruiksaanwijzing goed ingeschat want hij had laten noteren dat ik de toelating had om bepaalde geneesmiddelen te weigeren, behalve welbepaalde die dan ook met naam en toenaam in mijn dossier werden vermeld.

Overdag was dat geen enkel probleem. Wanneer ze kwamen aandraven met alweer zo’n klein zakje dan vroeg ik telkens wat erin zat en als het weer zo’n pijnstiller was, dan konden ze voor mijn part terug naar af.

Maar ’s nachts was het een ander verhaal. Ik ben ’s ochtends verschillende keren wakker geworden en tot de ontdekking gekomen dat er alweer een leeg zakje rotzooi aan mijn Sinterklaas-staf hing te bengelen. Kak of gene kak, de pot op. Zo voelt dat een beetje.

Maar vaak had ik ook wel geluk bij een ongeluk. Zowel mijn buurvrouw als ik hadden alle moeite om te slapen. Wat wilt ge? Een mens voert daar geen moer uit een ganse dag. Je krijgt ontbijt aan bed, ze komen je vragen wat je de volgende dag wil eten, de kamer wordt elke dag gepoetst, je moet maar op een knopje duwen en er staat meteen iemand aan je bed om je te bedienen. Het heeft – allez, toch van ver dan – een beetje weg van onze vakantiehotelletjes. Een mens wordt daar niet moe, en het gevolg is dat je niet kan slapen.

Maar aangezien we met twee waren dan vertelden wij wat tegen elkaar. En lachen natuurlijk.

Zo vertelde ze me dat ze de gewoonte had om ook de was van haar alleenstaande broer te doen. En toen ze naar die broer belde om te zeggen dat ze opgenomen was in het ziekenhuis, was zijn reactie:

– ‘Ach zo, dan moet ik mijne was niet brengen, zeker?’

We hebben daar heel vaak om gegierd.

En dan, in de late uurtjes, gebruikten we uiteindelijk ons verstand:

– ‘Kom, nu gaan we nog eens proberen te slapen hé.’

– ‘Ja, we zullen dat gordijntje tussen ons beiden dicht trekken, dat helpt misschien een beetje.’

– ‘Slaapwel.’

– ‘Slaapwel.’

En na een uur draaien sta je op om te plassen, kom je voorbij dat gordijntje en hoor je zeggen in het donker:

– ‘Ha, gij slaapt ook nog altijd niet!’

(wordt vervolgd….)

 

HET ZIEKENHUIS: EEN AVONTUUR – deel 1-2-3

SAMSUNG

HET ZIEKENHUIS: EEN AVONTUUR – deel 1

Ik heb me de laatste maanden toegelegd op het uitbreiden van mijn sociale contacten. Niet dat ik bewust op zoek was naar nieuwe vrienden of dat ik me na mijn vervroegd pensioen geïsoleerd begon te voelen. Verre van dat. Het is eerder een speling van het lot geweest dat ik mij heb ingewerkt in de sociale wereld van de gezondheidszorg. Een boeiende ervaring is het minste wat ik ervan kan zeggen.

Niet dat ziekenhuizen mij compleet vreemd waren, want – wat velen niet weten – is dat ik in een vorig leven toen de dieren nog spraken, ooit de studies van verpleegkunde heb aangevat. Niet dat ik dat beroep ooit een centimeter heb aangevoeld als een roeping, verre van. Maar mijn ouders vonden dat ik na mijn middelbare studies al genoeg geld had gekost en dat ik maar moest gaan werken. Ik had al mijn zinnen gezet op psychiatrie, maar daar hebben ze thuis heel smakelijk om gelachen. In mijn koppigheid heb ik echter een job gezocht in de horeca in de ijdele hoop dat ik daarmee wel mijn studies zou kunnen betalen. Mijn ouders vonden het uiteindelijk toch maar een beetje een louche bedoening dat ik pas thuis kwam wanneer de vogeltjes al begonnen te fluiten, en dus stelden ze een compromis voor. Ik moest dan maar voor psychiatrische verpleegster gaan. Dat was maar drie jaar kosten voor hen tegenover 8 jaar medicijnen en nog eens drie jaar specialisatie. Hun portemonee zou er minder pijn van hebben.

Kortom, ik heb dus ooit stages gelopen in een ziekenhuis en hoewel ik de inhoudelijke materie echt wel interessant vond, waren er te veel factoren die me dwars zaten. Om te beginnen werd mijn stagebegeleidster op slag verliefd op me en kon me geen minuut gerust laten. Ik barricadeerde de deur van mijn kamer op peda, deed alsof ik niet aanwezig was, ontglipte haar waar ik maar kon, maar een stagebegeleidster kan je niet zomaar blijven uit de weg gaan, tenzij je wegloopt. En ik beken mijn onschuldige naïviteit, want ik ging er heel lang van uit dat het een jonge vrouw was die alleen maar dringend op zoek was naar een goede vriendin. Tot die dag dat ze mijn hand nam en die niet meer wilde loslaten. Ze wist nochtans dat ik daar al een tijdje een nieuw lief had opgescharreld.

Enfin, aangezien er daarnaast nog een berg andere redenen waren, viel de beslissing om de boel de boel te laten me uiteindelijk niet zo zwaar. Een voorbeeld van zo een reden was toen ik op pediatrie stond bij de kindjes tussen 2 en 12 jaar met leukemie. Ik moest boterhammen ronddelen en een manneke van 12 jaar – Eric noemde hij – zei dat hij geen honger had en vroeg of ik efkes bij hem op bed wilde komen zitten in plaats van de boterhammen. Hij had bloederige wattenwiekjes in zijn neus en oren en was helemaal uitgemergeld.

– ‘Weet je’, zei hij ‘ik ga heel binnenkort sterven. Dit is de laatste keer dat ik opgenomen wordt en dan mag ik voorgoed naar huis want er is toch niets meer aan te doen.’

Man, man! Toen ik even later uit die kamer kwam had ik een keel als een rioolput en de vijvers in mijn ogen kreeg ik niet opgedroogd. Toen ik in de verpleegstersruimte kwam kreeg ik daar een verschrikkelijke schelding over mijn hoofd.

– ‘Waar hebt gij gezeten? Denkt gij dat ge hier niks anders te doen hebt dan een beetje bij de patiëntjes te zitten kletsen?’

En de dienst oncologie vrouwen bleek alleen maar bemand door oude vrijsters die allemaal al jaren verliefd uitkeken naar de eerste de beste dokter die ze aan de haak konden slagen, maar blijkbaar waren ze al te lang op zoek, want ze waren duidelijk allemaal al serieus aan het verwelken.

Wil het dan gvd toch niet gebeuren dat een verpleegster me op een blauwe maandag kwam zeggen dat er iemand aan de balie naar mij vroeg. Ik kon in de verste verte niet denken wie daar naar mij zou komen vragen. Surprise.

De jongeman waarmee ik die ochtend in de lift had gestaan had mijn naamkaartje van mijn witte schort gelezen en gezien waar ik uitstapte. Hij moet een ‘coup de foudre’ gehad hebben, want hij kwam me vragen om iets met hem te gaan drinken. Wist ik veel dat het een laatstejaars in de medicijnen was. Kreeg ik natuurlijk de haat van de hele crew door te zwelgen.

En neen, die dokter dat heeft niet lang geduurd, want dat was een arrogant ventje. Op een keer vroeg hij me om af te spreken in het cafeetje op de hoek want hij wilde iets met mij bespreken. Toen ik binnenkwam zat hij daar met opengevouwen plannen. Het was het bouwplan van zijn huis en praktijk. Hij wees me waar zijn kabinet zou komen, en waar de wachtzaal.

– ‘En hier komt jouw keuken.’

Hallo? Ik deed het bijna in mijn broek van het schrikken.

– ‘Maar ik wil helemaal geen keuken in jouw huis!’ riep ik uit.

Hij kreeg een kleur als een tomaat, vouwde zijn plannen woest dicht en stond op. Terwijl hij naar buiten liep schreeuwde hij me toe:

– ‘Gij zijt een hoer!’

En heel het café naar mij kijken….

Maar ik was een optimist, en vaak liep ik te neuriën bij het werk. En op een keer had ik de eerste prijs gewonnen bij een talentenjacht van de studenten, een dubbele elpee van Boudewijn De Groot, mijn favoriet indertijd. Ik kende zijn liedjes vanbuiten en zong ze dan ook hele dagen.

Zo kwam ik eens zingend de spoelkamer binnen waar twee van die oude vrijsters stonden te fezelen tegen mekaar. Laten we ze X en Y noemen, want ik ken allang hun namen niet meer. Ik maakte dat ik gauw terug buiten was, want wilde niet storen bij hun ontboezemingen.

Een tel later komt een van beiden, Y, mij achterna en vraagt:

– ‘Hoe wist je dat?’

– ‘Hoe wist ik wat?’

– ‘Van X haar zwangerschap.’

– ‘Van X haar zwangerschap? Bah neen, daar weet ik niks van. Dat mens is toch niet getrouwd?’

– ‘Waarom zong je dat liedje dan?’

Liedje???? Toen schoot me te binnen dat ik net aan die strofe van Boudewijn De Groot zat die luidt ‘Als ik jouw kind was, lieve schat, dan werd ik liever niet geboren, dan liet ik niets meer van me horen, dan bleef ik zitten waar ik zat…..’  Ja zeg, als je al niet meer mag zingen omdat er misschien ergens iemand is die daar iets achter zoekt. Mijn oren.

Enfin, om het kort te houden, ik heb dat verpleegstersavontuur wijselijk achter mij gelaten en ben gaan werken volgens de regels die mij thuis werden opgelegd. Veel later heb ik dan maar mijn eigen studies psychologie bekostigt en ik heb er nooit een centimeter spijt van gehad. Daar lag mijn roeping.

Dat dus om aan te geven dat de wereld van ziekenhuizen mij inderdaad toch niet algeheel vreemd is. Maar nu ik oud en wijs ben geworden en nu die wereld toch ook een ferm stuk is veranderd, heb ik die omgeving weer op een heel andere manier leren kennen. En ik wil u mijn wedervaren niet onthouden.

Zet je neer en verwonder jezelf bij deze lectuur.

(wordt vervolgd……)

 

HET ZIEKENHUIS: EEN AVONTUUR – deel 2

Ik had het dus over de sociale contacten. Die waren er in lagen en in alle kleuren.

Vooreerst heb je de categorie dokters en specialisten. Er was dokter M., dokter B., dokter P., de assistente van dokter P., en uiteraard de spoeddokters. En ge zoudt zeggen: het zijn toch allemaal dokters, maar daar zit toch een serieuze nuance op.

Die dokter M., die wil sneller zijn dan zijn schaduw, dus zie je inderdaad maar een schaduw van hem voorbij komen en voordat je je mond hebt open gedaan om een vraag te stellen is hij alweer verdwenen. En volgens mij heeft zijn snelheid ook al impact op zijn denken, of ligt het aan de organisatie van het ziekenhuis, maar ik vond het wel heel verwarrend toen hij me zei bij mijn ontslag (een van de vorige opnames..tja, ‘k heb er meerdere gehad, maar dat moest wel om een serieuze blog te kunnen schrijven):

– ‘U eet de eerste twee weken geen groenten en geen fruit. En u komt terug binnen voor een volgend onderzoek op 6 september.’

Ik moest hem naroepen want hij stond al in de deur:

– ‘En wat als ik dan niet meer naar ’t hoekske kan?’

– ‘Heu…..tja, dan wel, misschien.’ was zijn antwoord.

Jamaar, jamaar! Ik heb in dat ziekenhuis een hele week normaal eten gekregen, en thuis moet ik dan ineens drastisch groenten en fruit schrappen. Maar dat kon ik niet meer aankaarten want hij was al lang zijn schaduw weer achterna.

Evenmin kon ik hem zeggen dat 6 september voor hem misschien wel schikte maar dat mijn agenda andere prioriteiten had. Als de Heer het ons gunt, dan zitten wij op dat moment in ons geboekte hotelletje in het Zuiden van Frankrijk.

Thuis gekomen ging mijn lieve wederhelft nog even een boodschap doen terwijl ik de ziekenhuiswas vergaarde. Toen hij terug kwam zei hij dat de dokter hem gebeld had om te zeggen dat hij vergeten was om nog bepaalde documenten mee te geven en dat we die nog maar eens moesten komen afhalen op de dienst. Allez zeg.

Dus vind ik het toch maar prettiger om te vertellen over dokter P.  Mocht die gast in mijn jonge jaren mijn pad zijn gekruist dan had ik hem niet links laten liggen. Toffe pee, duidelijke uitleg, vraag maar op, glimlach, handje schudden, spontaan, komt er gewoon bij zitten op bed. Aaaaah, mochten alle dokters zo zijn, ik zou mijn abonnement nog eens verlengen.

En vervolgens heb je dan de categorie verpleegsters. Zie, je gaat me geen kwaad woord horen zeggen over die hele equipe, of over alle equipes die ik het laatste jaar al heb leren kennen. Ze zijn een voor een juweeltjes: vriendelijk, gedienstig, aangenaam, professioneel, menselijk, geduldig… Wat een verademing in vergelijking met de tijd van de oude vrijsters.

Ik kan ze hier niet allemaal beschrijven, maar mijn lof over dat ene verpleegstertje moet ik toch even luidkeels zingen, want dat kind heeft me een hele nacht bijgestaan toen ik zo ziek was als een hond. En neen, ik ga niet in details treden want het moet hier een beetje plezant blijven, maar die had een engelengeduld en zelfs toen ik haar voor de achtendertigste keer nodig had verdween die glimlach nog niet op haar gezicht. En ze stond al aan mijn bed voordat mijn belletje had gerinkeld. Zo’n lieve poppemie. En toen ze een paar dagen later weer dienst had was ik al lang weer de normale Annie, en dan hebben we samen zitten lachen om die vreselijke nacht.

En dan was er – zoals in elke groep op deze wereld, zeker – die ene die er dan in slaagt om de troep om zeep te helpen. Die – in tegenstelling tot de anderen – zou zeker niet misstaan hebben in de equipe toen ik stage liep. Luister.

Ik liep dus met zo van die darmkes in mijn armen die dan ergens hun einde vinden aan een paar zakjes die moeten leeg lopen in je lijf, en om een beetje mobiel te blijven krijg je dan zo’n staf gelijk sinterklaas – maar dan wel op wieltjes – waar ze die zakken aanhangen.

Op een dag had een of andere verpleegster om een of andere reden die staf weggezet en die zakjes aan mijn bed bevestigd. Dat betekende voor mij dus immobiliteit. Maar een mens moet tussendoor ook eens een plas, en al zeker als ze voortdurend van dat water in je lijf laten lopen via je aders. Ik bel dus en vraag de verpleegster of ze mijn staf kan teruggeven omdat ik moet plassen.

– ‘Moet je plassen? Ik zal u een bedpan halen.’

– ‘Ja maar, ik wil niet op een bedpan plassen!’ maar dat mens was al weg. Ze kwam terug met zo’n koud metalen ding, drukte op een knopje zodat ik gewild of ongewild kwam recht te zitten en duwde die pot onder mijn warme billen. Eerlijk, op dat moment schiet mijn plas verschrikt weg en duurt het zeker een kwartier voor die bereid is om los te laten.

Achteraf maakte ik me de stoute bedenking dat ik naast die bedpan had moeten plassen om haar te koeioneren. Dan had ze mijn hele bed mogen verschonen.  Maar ach, blijkbaar zit ik toch niet zo in mekaar.

Gelukkig kreeg ik bij de volgende plas-oproep een andere verpleegster die mij mijn gehate staf terug gaf. Maar ik was content dat ik hem had.

Tot mijn grote schrik kreeg ik daarna nog eens te maken met dat mens nadat ik de ganse nacht ziek was geweest en ook de dag erna geen hap door mijn keel kreeg. De dokter had blijkbaar opdracht gegeven om me iets heel licht te eten te geven, dus werd mij een tomatensoepje en twee beschuiten gebracht. Maar ik moest er nog maar naar kijken of ik werd weer mottig. Een tijd later kwam een verpleegster mijn maten opnemen (je weet wel, temperatuur, bloeddruk, ….) en ze vroeg of ze het eten kon wegnemen. Van mij mocht dat, maar ik vroeg haar om de twee beschuitjes te laten liggen in de ijdele hoop dat ik alsnog honger zou krijgen. Dat deed ze dus ook heel vriendelijk.

Nog geen half uur later komt miss donderwolk binnen die zegt:

– ‘Ik ga die beschuiten meenemen, zulle.’

– ‘Neen,’ zeg ik, ‘laat ze maar liggen.’

En met een resoluut gebaar neemt ze mijn beschuiten weg en orakelt overtuigd:

– ‘Ge gaat die toch niet meer opeten!’

Weet ge, ik moest denken aan de oude mensjes in sommige tehuizen. Je hoort soms ook verhalen dat ze daar behandeld worden als kleine kinderen die geen eigen wil meer hebben en die moeten leren luisteren. Net alsof men daar vergeet dat elke oude mens ooit een jong leven heeft gehad, vaak voor vele anderen heeft gezorgd, voor zichzelf een weg heeft opgebouwd en alle respect heeft verdiend en nog altijd verdient.

Ik kan me voorstellen dat het een verschrikking is, want bij mij moeten ze ook niet afkomen met ‘madammeke’, of ze moeten me ook niet behandelen alsof ik geen Vlaams versta. En als ze het plezant vinden om jargon te gebruiken, dan vraag ik hen om me dat te vertalen in mensentaal. En als ze dan moeilijk doen dan kan ik ze ook wel eens de loef afsteken met mijn jargon, want ik kan ze alle ongewenste psychische afwijkingen toeschrijven waar ze van schrikken dat ze in hun graf nog liggen na te rillen.

Maar gelukkig zijn de zuurpruimen onder de verpleegsters een uitzondering. Er was een andere verpleegster van de nacht die ze volgens mij zouden moeten filmen en op elke verpleegsterschool laten zien hoe het moet. Die kwam elke avond bij het begin van haar shift elke kamer langs om even te groeten en te horen hoe het was. En je kon haar nooit iets misvragen. Zelfs wanneer mensen maar even een half woord iets zegden over wat ze niet prettig vonden, dan stond zij daar al om het euvel op te lossen.

Ik zag ze op een nacht sleuren met grote zakken die ze niet kon opheffen en keek haar verwonderd aan. ‘Och ja,’ zei ze ‘ik kan niet verdragen dat de mensen die van intensieve op die speciale oncomfortabele matrassen moeten blijven liggen. Ik heb dat dus maar snel even veranderd.’

Pijntje aan mijn arm na het uithalen van mijn infuus? De dokter zegt: ‘Dat is niks madammeke, die ader is wat ontstoken maar dat gaat over een paar dagen wel over. Of misschien ook niet. Het kan zijn dat daar een harde plek blijft bestaan.’ De nachtverpleegster zegt: ‘Kom, ik ga daar een verbandje met alcohol opdoen voor deze nacht, dat trekt de zwelling weg en dan heb je daar minder last van.’

Ziet ge het verschil?

(wordt vervolgd…..)

 

HET ZIEKENHUIS: EEN AVONTUUR – deel 3

Na het schetsen van de categorie dokters en de categorie verpleegsters komt het meest interessante deel: de tijdelijke bevolking. In het ziekenhuis krijg je een perfecte doorsnee van de maatschappij. Of toch bijna. Ik kan me voorstellen dat de iets oudere mensen al wat sneller last krijgen van een kwaal, maar daar stopt dan ook de afwijking. Van de hoogste tot de laagste in rang, ziek zijn kan ons allemaal overkomen en je rijkdom of je afkomst zullen daar niks aan veranderen.

Bij mijn laatste opname was ik niet genoeg bij zinnen om me iets aan te trekken van de dame bij wie ik werd ondergebracht op de tweepersoonskamer. Onze hospitalisatie dekt geen eenpersoonskamer en bovendien zou ik de sappige ervaringen voor geen geld willen missen.

Ik lag daar dus ziek en suf te wezen, volgestouwd met alle soorten pijnstillers en andere troep. En dan voelde ik een nachtelijke plas de kop opsteken, maar ik hoorde dat mijn buurvrouw in de badkamer was, dus bracht ik het nodige geduld op. Maar dat duurde daar letterlijk uren zodat ik uiteindelijk toch een verpleger belde die me op een onbezette kamer liet plassen. Lieve gast.

Om vijf uur ’s morgens zat mijn blaas alweer vol, maar deze keer had ik geluk. Mevrouw zat fris gewassen op haar bed te wachten op het ontbijt van 7.30u. Ik liet het aan me voorbijgaan in al mijn sufte.

In de ochtend sprak ze me aan.

– ‘Ze hadden uw spullen hier gewoon neergezet. Ik heb ze in de kasten geschikt.’

Hé? Wat zegt dat mens nu? Droom ik hier? Maar het ging van kwaad naar erger, van droom naar nachtmerrie toen ze zei:

– ‘Ik zal mijn handen goed wassen en dan zal ik u wassen want met zo een baxter is dat niet gemakkelijk.’

In al mijn rampzalige miserie ben ik toch beginnen te lachen want ik kon mijn oren niet geloven.

– ‘Neen, bedankt, ge gaat mij hier zeker en vast niet wassen.’

Uiteindelijk had ik het geluk dat ze die dag zelf nog naar huis mocht. Blijkbaar wist ze het zelf niet, al kan ik me niet voorstellen dat men haar dat de dag ervoor niet zou gezegd hebben. Volgens mij was er nog werk aan dat menske buiten haar fysische kwaal die ze zal gehad hebben.

Enfin, ik content dat ik daar mijn hele verblijf niet moest bij doorbrengen. Niet dat ik zo’n moeilijke ben als het over gelijk welk soort mensen gaat, maar trop is teveel.

(wordt vervolgd…)

BOOSHEID, WOEDE EN GEWELD – WAT MOET IK ERMEE?

PROVENCE JUNI 2008 019

Als het leven je voor de wind gaat, wanneer je kalm en tevreden bent, dan heb je vanzelfsprekend niet de neiging om snel uit te barsten wanneer er een akkefietje mis gaat. Maar wanneer er een heleboel akkefietjes zich opstapelen, dan zit het anders.

Stel, je hebt ’s ochtends de post opengemaakt en je merkt dat er een boete bij zit voor te snel rijden. Vervolgens ga je naar je werk en zegt je baas dat de strategie is veranderd en dat je die hele klus die eindelijk af was weer van voor af aan mag herbeginnen. ’s Middags dringt het tot je door dat je vergeten bent om boterhammen mee te nemen, dus maar snel naar de broodjeszaak waar een hele lange rij staat waardoor je riskeert om te laat weer op het werk te zijn. En omdat je dat broodje te snel naar binnen hebt gewerkt krijg je een zeurende pijn aan je maag die de ganse namiddag aanhoudt. Bij het naar huis rijden is er een ongeluk gebeurd en sta je een half uur in de file waardoor je flink onder je voeten krijgt in de kribbe omdat ze daar door jouw schuld overuren moesten maken. Dan kom je thuis en dan zie je dat manlief zijn krant zit te lezen en je zoon net een broodje smos heeft gemaakt waardoor de hele keuken smos is geworden. En dat terwijl er nog avondeten moet gekookt worden.

EN DAN BARST DE BOM!

Je kan je daar allerlei scenario’s bij inbeelden. Dat hoef ik niet in je plaats te doen. Misschien herken je het allemaal zelf wel.

Je woede op dat moment is eigenlijk niets anders dan onbewuste vreugde omdat je eindelijk een mogelijkheid hebt gevonden om je rotgevoel bot te vieren. Om eens eindelijk de emmer leeg te maken. Je wil het kwijt. En je hebt gelukkig een situatie, een reden en een slachtoffer gevonden. Eureka!

Hoe kan je dit voorkomen?

Heel eenvoudig door je emmer niet vol te laten lopen.

Bij de bekeuring is het een kwestie van te relativeren, er vrede mee nemen en jezelf een domkop noemen. En vervolgens het voornemen maken om wat minder snel te rijden. En daarmee is de kous af.

Tegen je baas zeg je dat je best wel opnieuw wil beginnen, maar dat het langer zal duren dan de eerste keer. Of je vraagt of iemand anders de klus kan klaren.

De files: beschouw ze als verplichte pauze. Even lekker niets doen en wegdromen, of plannen maken voor volgende vakantie.  Je kan er toch niets aan veranderen, waarom je dan druk maken?

Te laat op het werk? Ach wat, ik denk niet ze je daarom zullen ontslaan. Trekken ze een vies gezicht? Hun probleem.

Thuis komen en dingen zien die je liever niet ziet? Zeg gewoon dat je het niet fijn vindt en maak afspraken voor de volgende keer.

 

Het is belangrijk om voldoende assertief te zijn en om te relativeren. Soms komen er ongelukken van. Soms loopt het helemaal uit de hand.

Ik denk dat het hele verhaal van terrorisme tot bovenstaande te herleiden is. Mensen lopen gefrustreerd omdat ze geen job vinden, omdat ze geld tekort hebben, omdat ze slecht behandeld worden door politie of andere instanties. Het stapelt en het stapelt. En ze vinden mekaar in hun boosheid en hun frustratie en wakkeren het nog meer aan.

Vervolgens krijgen ze een situatie, een reden en een slachtoffer op een presenteerblaadje: het geloof!

Want het geloof zegt dat je al die losbandige schepsels van de kaart mag vegen en dat je er nog zal om beloond worden ook.

Is er een oplossing? Waarschijnlijk wel, maar er zal nog een flinke mentaliteitsverandering nodig zijn om alle culturen in vrede met elkaar te laten leven. Of misschien moeten we toch maar iedereen op zijn eigen plekje laten zijn wie hij is, zonder vermenging van rassen en culturen?

Wanneer een conflict op het werk of elders is geëscaleerd, dan valt er ook niets anders te doen dan mensen uit elkaar te halen.

Maar dat is een naïeve gedachte. Ik weet het wel. En waarschijnlijk klinkt het te onvriendelijk, hoewel ik met gelijk wie kan opschieten, zolang mensen zich maar gedragen. Het maakt niet uit of dat een Belg of een ander is.

MEMOIRES VAN EEN HOND – deel 14 – EINDE

SAMSUNG

 

Het wordt zo stilaan tijd dat ik ga afsluiten, want ze beginnen hier met zijn allen aan mijn staart en aan mijn oren te trekken omdat ze vinden dat het lang genoeg heeft geduurd dat ik de luierik uithang. Ik moet hier blijkbaar taken gaan opnemen.

Ik werp dus nog een laatste blik op mijn heerlijke aardse bestaan dat nu achter mij ligt, en ik neem de mooie herinneringen mee in mijn zielke. Want uiteindelijk is dat alles wat je kan meenemen als je ginder vertrekt: de liefde die je hebt gegeven en gekregen, de warme vriendschap en de energie die je kreeg wanneer je goede dingen deed voor anderen.

Ook al zou je het op het eerste zicht niet zo denken, toch heb ik dingen aan mensen kunnen leren, zij het soms ook wel eens onrechtstreeks. Ik leg het uit.

Mijn bazinneke, die had mensen in begeleiding die wat ‘strop’ zaten in hun leven, en dan hielp ze hen om de doorgang weer vrij te krijgen zodat ze hun dagen weer normaal konden verder zetten.

En dan kwam ik heel vaak ter spraken omdat het blijkbaar gemakkelijk is om van honden iets te leren dat voor mensen ook van toepassing is.

Bijvoorbeeld, wanneer een mama er moeite mee had dat oma haar kinderen altijd zo verwende. Dat is een gemakkelijke. Daar moest mijn bazinneke alleen maar vertellen dat kinderen minstens even slim zijn als honden, en dat honden heel goed weten in welk huis ze in de zetel mogen, bij welke mensen ze een hapje van tafel krijgen, enz. Dus kinderen weten maar al te best welke regels in welk huis gelden, en daar hoeft men zich verder niet te veel zorgen over te maken.

En hetzelfde als het over opvoeding gaat. Het toverwoord is daar ‘consistentie’. Kinderen zijn net als honden experts in het doordrammen. Ze blijven zagen tot ze hun goesting krijgen.

Als een hond bedelt aan tafel en je zegt hem tien keer dat hij moet ophouden, maar de elfde keer geef je hem een stukje om er vanaf te zijn, dan heb je hem geleerd dat hij vooral moet volhouden want dat er uiteindelijk wel een brokje van tafel valt. Met kinderen is dat juist hetzelfde.

Enfin, dat zijn dus de dingetjes die ik hier allemaal in mijn rugzak heb steken. Net zoals die momenten dat ik trouw mijn bazinneke bleef gezelschap houden wanneer ze in de tuin aan het werken was, of wanneer ze eens een dutje deed. Dan zou ik nooit aangedrongen hebben dat het al vier uur was en etenstijd voor mij. Dan bleef ik geduldig wachten.

En ik neem de blije herinneringen mee aan mijn uurtjes dat ik aan de poort de wereld lag te aanschouwen en van lieve voorbijgangers een aai over mijn bol kreeg, of soms zelfs een koekje van de man in de straat die altijd met zijn leuke zwarte hond voorbij kwam.

En de fijne momenten dat mijn bazinneke thuis kwam na het winkelen. Ik rook heel goed naar welke winkel ze was geweest. En als ze iets mee had uit de dierenwinkel, dan was het kot te klein, want dan wilde ik wel graag iets lekkers uit die zak.

En ik neem de dankbaarheid mee voor de goede zorgen, zoals toen mijn bazinneke mijn bloedend pootje heeft verzorgd wanneer ik in dat glas was getrapt bij het dollen op onze wandeling. Stomme mensen die glasscherven laten liggen, maar ja, er moeten er van soorten zijn, net als honden.

Zo, lieve mensen allemaal, bedankt dat jullie naar mijn verhaal hebben willen luisteren. Zoals je nu weet wat ik een gelukkig beest en was mijn bazinneke gelukkig met mij. En als ze ooit de reis naar hier maakt, dan zal ik op haar wachten aan de poort en haar de weg tonen.

Het gaat jullie goed, daar beneden, en zorg goed voor elkander!

 

EINDE

 

 

MEMOIRES VAN EEN HOND – deel 13

Ik had het de laatste keer over het feit dat ik zo goed ben gesoigneerd tijdens mijn leven. Ik kan daar het een en het ander van vertellen dat uw oren ervan tuuten.

Het wandelen, daar heb ik het al over gehad. Maar aangezien dat zoveel wandelingen waren, zijn er ook evenveel verhalen. Ik zal u niet lastig vallen met alles wat ik heb beleefd, want dan zitten we hier volgend jaar nog. Maar ik pluk er hier en daar iets uit.

En het ‘pluk’ is hier ook van pas in een andere betekenis, namelijk in de betekenis van plukken haar.

Toen ik voor de eerste keer echt aan het ruien sloeg, dan dacht mijn bazinneke dat het niet slecht zou zijn dat ik eens een flinke douche zou krijgen. Ik was bovendien een hond die heel graag zwom. We moesten geen water voorbijkomen, of ik sprong erin.  Nu en dan kwam ik daar dan ook eens stinkend uit. En het was wel prettig om iedereen te horen krijsen wanneer ik me zo eens afschudde en alle mensen rondom mij een gratis regenbui gaf.

Maar in de zee kregen ze mij niet in. Ik vond die golven vervaarlijke dingen waar je niet kon op rekenen. Ik troostte me op het strand met achter de meeuwen aan te lopen. Dat was ook prettig om zo’n hele zwermen de lucht in te jagen.

Enfin, ik dus voor de eerste keer onder de douche. Dat was nog eens een festijn! Lekker ingewreven worden met shampoo – speciaal voor honden, welteverstaan, want ik moest van die stinkende mensenzeep toch niet echt weten – en dan daarna heerlijk met die sproeier over mijn hele lijf. Alleen mijn kop moest ze droog houden, want dat vond ik niet prettig.

Vanaf die dag moesten ze tegen mij alleen maar het woord ‘douche’ uitspreken, en ik stond er al!

Behalve die ene keer dat ik bleef staan voor de douche en mijn bazinneke maar aandringen om er in te stappen. Maar ik wilde voor mijn kop niet in die douche. Ik dacht bij mezelf: ‘maar allez, mens, ziet ge dat dan niet?’, en ik maar wachten en kijken naar die douche. Tot ze het eindelijk door had. Ze was vergeten een badhanddoek op de bodem van de douche te leggen zodat ik niet zou uitglijden. En toen ze het eindelijk begrepen had, kon het feest weer doorgaan.

Maar ik had het dus over de eerste keer. En dan was ik eindelijk wat opgedroogd in de zon en gingen we wandelen. Toen we terugkeerden moest mijn bazinneke denken aan het sprookje van klein duimpje. Over de ganse weg waar we gegaan waren lagen mijn plukken haar te dansen in de wind. We zouden onze weg zeker niet kwijt geraken op die manier.

Er werd niet alleen voor mij gezorgd met wandelingen, maar soms moest ik mijn bazinneke wel eens een duwke in de goede richting geven.

Toen we pas verhuisd waren naar ons nieuwe huis, dan had mijn bazinneke haar bed beneden geïnstalleerd, en dat vond ik super, want ik legde me naast haar op de grond en je hoorde mij niet meer. Ik hield een oogje in het zeil.

Maar die bepaalde nacht dan moest ik echt actie ondernemen. Ik wekte mijn bazinneke door met mijn voorpoot aan haar voorpoot te trekken. Ze vond het niet zo direct plezant en dacht dat ik gewoon genoeg had van slapen. Maar ik was best nog wel moe hoor, daar ging het niet over. En ik maar aandringen en trekken aan haar, tot ze eindelijk rechtop ging zitten in bed, het toverknopje indrukte waarmee mensen het meteen dag kunnen maken of weer nacht, en naar me keek.

En dan moest ik mijn tweede stap in creatieve strategie naar boven halen om haar de dingen duidelijk te maken. Ik schudde met mijn kop zodat mijn oren op en neer flapten, en dat bleef ik zo lang mogelijk doen tot ze door had dat ze in mijn oren moest kijken.

En voilà: ze had direct gezien dat de boel daar ontstoken zat en heeft er dan meteen zal in gedaan. En zo konden we beiden rustig onze nacht verder zetten.

 

(wordt vervolgd….)

 

MEMOIRES VAN EEN HOND – deel 12

Ik had het hier de laatste keer over mijn wandelingen, en daar wil ik nog wel een woordje over kwijt. Want wandelen betekent meer dan wandelen, maar dat weten de meeste mensen niet. Pff….de tekortkomingen van mensen beginnen hier een heel lijstje te worden.

Als jonge hond kon ik niet genoeg krijgen van wandelen. Voor mijn part was een hele dag stappen in de Ardennen een groot feest. Behalve die ene keer dat ik zo raar begon te doen, en toen zag mijn bazinneke dat mijn leiband ineens zo spande rond mijn nek. Had er mij blijkbaar een teek te pakken gekregen in mijn nek waardoor die helemaal opzwol. Maar dat is snel goed gekomen mits de goede zorgen die ik kreeg.

En het is ook in de Ardennen dat ik mijn bazinneke en mijn baasje liet verstaan dat ik een dagje ouder werd en dat die lange wandelingen wel een beetje mochten ingekort worden. Na een uurtje stappen ging ik halverwege gewoon liggen. Tja, aangezien mensen nog altijd niet in staat zijn om ons, honden, te verstaan, moest ik het wel op die manier uitleggen, hé.

Maar ik wist dus niet dat wij halverwege de wandeling waren. Ik kan niet in hun hoofden kijken, nietwaar. Al moet ik zeggen dat het van hieruit een heel stuk beter gaat. Dat is heel interessant, maar daar wilde ik het nu niet over hebben.

Dus ik dacht: ‘ik wil terug! Laat ons rechtsomkeer maken!’ En dus ging ik ook liggen in de richting van waar we kwamen zodat ze het konden snappen. Maar zij bleven maar aandringen dat ik in de andere richting verder moest. En ik hield poot bij stuk dat ik niet verder wilde. Dus stonden we daar zo een goed kwartier met onze eigen kop te spelen.

Uiteindelijk heb ik maar toegegeven. Er moet toch iemand de slimste zijn, hé. En uiteindelijk was ik na dat kwartier toch ook al een beetje uitgerust.

Maar ze hebben het wel verstaan, mijn bazinneke en mijn baasje. Ze hebben me voortaan niet meer zo’n hele dag op sleeptouw genomen, maar de wandelingen wat ingekort.

En dan wil ik het ook nog eens hebben over de leiband. Hoe is het toch mogelijk dat mensen daar zo fout over denken. Ze denken dat een leiband iets is waarmee ze hun hond vasthouden zodat hij niet kan weglopen.

Nu moet ik beamen dat het wel geldt in sommige gevallen. Had ik geen leiband aan gehad, dan zou ik wel eens meer achter een kat aangelopen zijn, en ik weet ook wel dat daar vodden van komen. Maar het was sterker dan mezelf. In mensentaal zouden ze dat ‘onweerstaanbare drang’ noemen.

Maar voor een hond is een leiband vooral een prima middel om zich verbonden te voelen met degene die mee wandelt. Wanneer mijn bazinneke met mij ging wandelen, dan was het heel handig wanneer ik die leiband aanhad, want dan wist ik tenminste dat ze in de buurt bleef. Want wanneer ze mij liet los lopen, dan moest ik om de halve minuut omkijken om te zien of ze nog wel mee was. Dat is behoorlijk arbeidsintensief, en dat stoort bij het snuffelen.

En het voelt inderdaad als een soort verbondenheid. Niet iedereen moest proberen om mij mijn leiband aan te doen en met mij de straat op te gaan. Wat dachten ze wel? Ik koos zelf wel mijn gezelschap uit.

En hoe ouder ik werd – dat moet ik schaamtevol toegeven – hoe kieskeuriger ik daarin werd. Ik vond het nog wel OK om met mijn baasje te gaan wandelen, maar alleen als mijn bazinneke ook mee kwam. Hij stond daar dan uitnodigend met mijn leiband aan de voordeur te zwaaien, en dan keek ik eens of mijn bazinneke haar andere vacht al aanhad en of ze het niet te druk had. Als ze niet mee kon, dan bleef ik ook liggen waar ik lag.

Tja, oud worden… Het is zo een beetje als bij mensen. Die worden ook wat eigenzinniger met de jaren. En die staan ook veel meer op hun strepen. Ik ook. Ik ben altijd een heel meegaand type geweest, en ik kon me bij elke beslissing en bij elke situatie neerleggen, maar hoe ouder ik werd, hoe meer ik mijn rechten ging opeisen. Hoe zou je zelf zijn?

’s Ochtends ging ik naast mijn baasje in de weg liggen bij het ontbijt, want ik riskeerde niet dat hij zou vergeten om me zijn laatste stukje boterham met kaas te geven.

En bij het avondeten installeerde ik me naast mijn bazinneke – ook goed in de weg natuurlijk – en dan wachtte ik heel geduldig af tot ze gedaan hadden met eten. Dat kon ik heel goed horen want dan legden ze hun bestek op een bepaalde manier in hun bord en dat was dus het heilige signaal dat het ritueel kon beginnen.

Dan stonden ze recht en begonnen ze de tafel af te ruimen. Vanaf dan begon ik te blaffen, want op dat moment werd het pas echt belangrijk. Ik kreeg dan mijn dessert onder de vorm van een been voor mijn tanden.

En een groot geluk dat ik dat elke dag heb volgehouden, want uiteindelijk had ik na veertien levensjaren nog altijd een prima gebit. Maar mogelijk komt dat ook doordat ik nooit van die droge voeding heb moeten eten. Ik ben honden tegengekomen op mijn wandelingen die me vertelden dat ik een gelukzak was met zo’n gaaf gebit, maar dat zij harder moesten kauwen en dus meer sleet hadden.

Och ja, ik weet het, ze hebben me goed gesoigneerd tijdens mijn leven. Merci, bazinneke!

(wordt vervolgd….)

MEMOIRES VAN EEN HOND – deel 11

 

BO MET EMIEL

Ik zit hier weer de handen van mijn bazinneke tegen te houden. Ah ja, je dacht toch niet dat ik van hieruit die tekst op internet kan toveren, zeker. Ge moet niet te naïef zijn, hé.

Ik kan die gedachten wel in haar hoofd blazen en dan moet zij dat maar ‘materialiseren’ op de computer. Zo werkt dat.

Toen ik nog op aarde vertoefde dan was zij ook dikwijls op haar computer bezig, en dan kwam ik bij haar liggen, meestal goed in hare weg onder haar stoel zodat ze die niet meer kon verzetten. Zo voelde ze tenminste dat ik er was, vond ik.

Ik heb altijd van die strategische plaatsen weten te vinden. Wanneer ze aan het eten begon, dan ging ik voor het fornuis liggen. Wanneer ze de ontbijttafel afruimde dan ging ik voor de koelkast liggen. Wanneer ze boodschappen moest binnenhalen, dan lag ik in het deurgat waar ze door moest. Wanneer ze aan tafel zat, dan legde ik me aan haar voeten.

En voor de rest was ik haar schaduw. Ik volgde haar in de tuin, in de serre, en overal in huis waar ik ze in het oog kon houden. Vanzelfsprekend, want ik moest haar toch bewaken, hé. En ze deed ook altijd interessante dingen, dus dat maakte mijn leven ook een beetje boeiend.

Want als hond kan je daar toch ook niet een ganse dag alleen maar liggen. Daarom was wandelen ook altijd zo een plezante afwisseling. Niet alleen omwille van de beweging – want het is natuurlijk wel leuk om je poten eens te strekken – maar vooral ook om alles op te snuiven.

Mensen hebben er geen idee van hoe plezant het is om zoveel dingen te zien passeren langs je neus. Je ruikt dat er een hond met een slecht karakter is voorbij gekomen, of je ruikt dat er ergens een kat in een tuin zit, of ergens zijn ze iets lekkers aan het bakken of hebben ze de overschot van de vis in de vuilbak gedaan.

Je zou het kunnen vergelijken met wat mensen doen als ze op een terrasje zitten. Die doen dan het spelletje ‘mensen kijken’. Hewel, dat ruiken, dat is een beetje hetzelfde.

En mijn wandelingen, die waren heilig. Ik heb heel mijn leven minstens twee wandelingen per dag nodig gehad. Mijn bazinneke die stond daar een bepaalde periode heel vroeg voor op. Dan was het nog donker en dan trok ze gewoon haar training over haar pyjama en wij weg.

Ik heb haar zo eens in de struiken getrokken omdat ik daar ineens een kat zag zitten. Plots stond mijn bazinneke daar midden in al dat prikkende groen en wij keken mekaar allebei heel verbaasd aan. Ze was content dat het nog donker was en dat er niemand op straat was, want het was toch wel een koddig zicht, wij twee daar in die bushes.

En ik stond echt wel op regelmaat. Ik had serieus wat structuur in mijn lijf. Bij mij is etenstijd ook etenstijd. Ze moeten daar een beetje consistent in zijn, want zeg nu zelf, de ene keer om drie uur, de andere keer om vijf uur, dat trekt op niks.

Ik kreeg mijn eten de laatste jaren om vier uur. Vroeger was dat om zes uur, maar dat ging niet anders omdat mijn bazinneke moest werken.

En voor mij is vier uur dan ook vier uur. Ik moest daarvoor niet op de klok kijken, maar mijn bazinneke wel. Tja, ik zei het al, mensen hebben veel beperkingen. Dus wanneer zij om vier uur stipt nog bleef voort tokkelen op haar computer, dan ging ik naar haar toe en dan stak ik mijn snuit onder haar arm zodat ze niet meer verder kon typen. En dan zei ze vaak: ‘maar allez, dien hond kan echt wel de klok lezen, hé.’ Mensen zijn echt sukkels in hun redeneringen.

Ze hebben hier net weer een paar nieuwtjes onthaald. Ik moet mee zorgen voor de opvang. Er is een zielke dat vroeger een konijntje was en dat Tupie noemde. Tof ding! Ze moeten daar beneden wel verdriet hebben dat ze zo’n lief maatje moeten missen.

En Filloud is hier ook aangekomen. Die was ook hond zoals ik, toen hij nog op aarde was. Toffe makker is dat. Ik ga nu een potje ravotten met hem,  samen met Casper.

(wordt vervolgd…)

 

MEMOIRES VAN EEN HOND – deel 10

Het wordt tijd dat ik nog wat vertel over mijn aardse leven. Want ‘memoires’ dat betekent eigenlijk een terugblik op wat je hebt meegemaakt, terwijl ik hier al boze blikken begin te krijgen omdat ik te veel relaas breng over mijn huidige situatie. Blijkbaar is het niet de bedoeling dat men daar op aarde al te veel kijk op krijgt. Weet ik veel.

Ik zal eens vertellen over mijn werken van barmhartigheid. Misschien kom ik hier dan weer op een beter blaadje te staan als ze daaraan herinnerd worden.

In mijn leven zijn er kinderen en mensen voorbij gekomen wiens leven ik een heel klein beetje ten goede heb mogen veranderen.

Zo was er Victor. Nu is dat een hele knaap geworden, maar toen hij nog klein was kwam hij met zijn ouders bij ons op bezoek. Maar dat kind was bang van honden dat het geen naam had. Ik had er zowaar compassie mee. Die hield bijna een kilometer afstand van mij en hij verstopte zich achter de rokken van zijn moeder. Trillen deed dat kind.

En ge gelooft het of niet, maar er zijn bewijzen van want de mama van Victor heeft er foto’s van genomen, Victor en ik lagen tegen het eind van de dag samen te rollebollen in de zetel. Feest!

En dan waren er nog Sebastien en Thibault. Dat was nog straffer, want die wilden zelfs niet door het poortje komen. Die bleven daar maar op straat hangen want ik geloof dat in mij het monster van Lochness zagen. Man, man, wat waren die bang! En alweer hetzelfde verhaal. Aan het einde van de dag was het samen spelen en ravotten van jewelste. Nog eens feest!

Maar het waren niet alleen kinderen die ik op andere gedachten heb weten te brengen. Zo waren er vrienden van mijn bazinneke en mijn baasje en die waren wel bereid om op mij te passen zodat mijn bazinneke en baasje ook eens op vakantie konden, maar dat madammeke was eigenlijk bang van honden. En dus hadden ze afgesproken om eens samen naar hun huis op bezoek te gaan.

Dat madammeke stond in de keuken te koken en ze had niet gezien dat ik daar gewoon naast haar braaf stond te wezen, en bijna zonder dat ze het zelf besefte streelde ze me over mijn dikke kop. Dat was gelijk liefde op het eerste gezicht. Dus ben ik daar verscheidene keren op vakantie mogen gaan. En dat was ook altijd een feest voor mij, want hun zoon dat was ook zo een knuffelbeer, dus we hadden gemeenschappelijke interesses, en dan klikt het altijd hé.

Zo ziet ge maar dat het toch jammer is dat de mensen ergens onderweg hun intuïtie verloren zijn, want anders zouden ze best vooraf geweten hebben dat ze niet bang moesten zijn.

Oh, wat zijn honden toch veel beter toegerust dan mensen!

 

(wordt vervolgd…)

 

 

MEMOIRES VAN EEN HOND – deel 9

Goedemorgen, wereld!

OOOh, wat is dat mooi om van hieruit het ochtendgloren te ontwaren. Wat de mensen dag en nacht noemen, dat is van hieruit precies een dekentje dat over de wereld ligt, maar wel een dekentje dat te klein is om de hele wereld te bedekken. En dat dekentje schuift voortdurend op zodat er telkens een deel van de aarde onder de wol kan en een deel moet dan wakker worden. Schoooooon!

En ’t is zot dat ik het hier vertel, maar ik heb daar nooit zo bij stil gestaan dat de grootste activiteit van de mensheid erin bestaat om massaal naar die stoel met dat gat te lopen.

Dat is niet om te lachen, dat is een serieuze kwestie, want als daar iets mis mee is, dan is het echt miserie. Mijn bazinneke die lag eens in het ziekenhuis waar ze een kamer deelde met een oud madammeke, en ze hadden allebei dolle pret wanneer ze eindelijk eens naar dat plaatske hadden kunnen gaan. Ze lachten ermee dat zoiets banaals hen gelukkig kon maken. Maar  ze vonden het er toch eentje om te onthouden. Jaja, dat is de manier waarop men dingen leert relativeren.

En nu ik hier zit heb ik begrepen dat het iets heel belangrijks is dat je moet leren terwijl je nog leeft. Ik weet niet of ik al de geheimen van de andere kant van de regenboog mag vertellen aan de mensheid, maar ik riskeer het toch maar om een klein tipje van de sluier weg te halen.

Ik ben hier opgevangen door twee toffe madammen. Ik kende die niet, maar ze vertelden me dat het de engelbewaarders zijn van mijn bazinneke. En toen ze dat zeiden toen herinnerde ik me dat ik die schimmen wel eens had gezien tijdens mijn aardse bestaan. Wij honden hebben een oog daarvoor; mensen allang niet meer. Maar ik heb er toen weinig aandacht aan besteed omdat het goede schimmen waren die geen kwaad in hun zin hadden.

En die madammen hebben mij hier al een kleine rondleiding gegeven. Er valt nog veel meer te ontdekken, maar ze vinden dat ik het maar met stukjes moet doen want dat het anders te veel wordt om te bevatten.

En inderdaad, het was echt wel schrikken toen er zo flarden rode wolken op ons af kwamen. En het werden er altijd maar meer, tot ik een beetje verder zag van waar die rode wolken vandaan kwamen. Er was een groepje mensenzielen die allemaal boos waren op elkaar en net zoals ze op aarde boze woorden naar mekaar roepen, zo produceerden die zielen rode wolken die ze naar mekaar spuwden. Ze zaten daar met zijn allen in een grote rode wolk te stikken, en ze hadden het niet in de mot dat ze die wolk zelf maakten. En dat bleef maar duren en duren en het zal blijven duren tot in de eeuwigheid. En dat is dus wat je een hel kan noemen. Maar hopelijk mogen ze ooit nog eens terug naar de aarde om daar eindelijk te leren dat er andere manieren zijn dan rode wolken maken.

Het is eigenlijk wel opvallend dat wij honden toch veel beter zijn in het herkennen van goede of slechte bedoelingen, van juiste of foute honden. En dan kan je ook gewoon recht voor de raap reageren. Het is allemaal zo simpel en ik snap niet waarom de mensen het zo ingewikkeld maken.

Kijk, er waren in mijn buurt best wel leuke honden die ik goed kon pruimen. Er waren er zelfs twee waar ik af en toe ontzettend verliefd op was. Dat waren die perioden dat ik van zonsopgang tot zonsondergang voor de poort ging liggen wachten tot ze voorbij kwam. Ik at niet en ik had geen interesse in spelen of rollebollen. Ik moest haar zien en daar had ik al mijn tijd voor over. En als ze dan voorbij kwam, dan kon mijn dag niet meer kapot.

Maar er waren ook honden waarvan ik meteen rook dat ze foute honden waren. In onze buurt woonde een hond waarvan ik intuïtief wist dat hij niet te vertrouwen was. Hij had al zijn bazinneke gebeten en hij luisterde niet naar haar. Hij kon heel wild tekeer gaan en ze kon hem niet intomen bij het wandelen, hoewel het zeker geen grote hond was. En telkens hij voorbij mijn erf kwam dan blafte ik hem toe dat hij zijn manieren moest houden want dat hij een leeghanger was. Maar in plaats van te luisteren naar mijn wijze woorden, blafte hij woedend terug dat ik me met mijn eigen zaken moest bemoeien.

Hij moet hier intussen ook ergens rondhangen aan de andere kant van de regenboog, maar ik ben hem nog niet tegengekomen. Ik ben in elk geval niet van plan om me te laten meeslepen in zo’n rode wolk. Zo slim ben ik wel.

 

(wordt vervolgd…..)

MEMOIRES VAN EEN HOND – deel 8

Sinds ik hier aan de andere kant van de regenboog zit is me veel heel duidelijk geworden. En daarom heb ik via deze weg toch ook nog een belangrijke boodschap voor de mensheid en in het bijzonder voor mijn bazinneke.

Dat hele gedoe over hemel en hel, dat hebben mensen goed mis. Ik denk dat het veel te maken heeft met het te grote ego van degenen die aan het hoofd staan van een godsdienst, ’t is al gelijk dewelke. Maar die gasten hebben zodanig veel geïnterpreteerd, en ze hebben zodanig veel dingen naar hun hand gezet omdat ze er zelf wel wat voordeel bij hadden, dat het maar van ver meer gelijkt op de simpele werkelijkheid.

Hemel en hel. Het bestaat wel, hoor, maar heel anders dan mensen denken. En het bestaat niet alleen aan de andere kant van de regenboog, maar het bestaat ook op aarde. Dat laatste hebben sommige mensen al gesnapt. Alleen zijn er maar weinigen die beseffen dat ze hun eigen hel maken. En let op, mensen doen dat niet met opzet.

Ik zal je eens mijn eigen ervaring uitleggen.

Ik heb altijd heel graag gegeten. Ooooh, ik vond eten toch zo’n zaligheid. En mij kon je met heel veel plezieren hoor. Mijn mondje vond meestal alles wel een feest. Een stuk vlees? Heerlijk! Maar een stuk vis? Nog veel heerlijker. Maar geen krab. Manlief, dat is smerig! Krab, dat is niet te begrijpen waarom mensen dat graag eten. Mijn bazinneke en baaske vonden lekker en ze aten dat nu en dan. Maar mij konden ze er niet mee plezieren. ’t Is gelijk of je de vuilbak van de zee zit leeg te eten. Neen, bedankt. Voor mij geen krab.

Maar fruit dat ging nog wel, al was het niet mijn favoriet. Bananen en appelen kon ik wel pruimen, en ook kersen vond ik lekker. Al was het wel even foeteren met tong en tanden om vervolgens dat pitje uit te spuwen. Mijn omgeving vond dat een gek zicht wanneer ik dat deed. Maar waarom is dat zo gek? Zij spuwen die steentjes toch ook uit?

Kortom, ik wilde eigenlijk alleen maar zeggen dat ik dolgraag heb gegeten tijdens mijn leven. En hoewel het mij hier aan de andere kant best wel zint, voel ik ook een heel klein beetje hel wanneer het gaat om eten. Want ik ben nog altijd zot van eten, maar ik heb verdorie geen lijf meer om het in te proppen. Dat is afkicken, jong!

Dus vandaar dat ik toch maar een boodschap wil brengen aan al degenen die zo verknocht zijn aan dingen, want als je hier zit, dan blijf je wel verlangen, maar je hebt niets meer om het te grijpen.

Verzamelaars, materialisten, verslaafden…  Dit is dus een doordenkertje voor jullie.

Jaja, bazinneke, waar ga je die sigaretten steken als je alleen nog maar een zwevend zielke zijt?

(wordt vervolgd…)

MEMOIRES VAN EEN HOND – deel 7

 

SAMSUNG

Die verhuis naar Evergem, dat was gelijk de zaligheid van de hemel. Je vrij voelen, open lucht, geen geraas van auto’s en luide muziek, geen tram die in de vroege ochtend voorbij dendert en je uit je slaap haalt. Het begin van een heerlijk nieuw leven.

Het was zo’n beetje een gevoel als de plek waar ik nu zit. Dezelfde vrijheid, de openheid, het begrip van alle andere wezens hier rond mij, geen haat en geen angsten, gewoon jezelf kunnen zijn en genieten.

Mensen op aarde hebben het zo moeilijk met dat genieten. Ze zouden wel willen, maar tegelijkertijd zitten ze te piekeren en zich zorgen te maken om dingen die ze niet kunnen veranderen of waarvan ze denken dat ze die niet kunnen veranderen. Altijd maar kijken naar het verleden of naar de toekomst, in plaats van gewoon te kijken naar die mooie wereld en de goede kanten van het leven en van de mensheid.

Op dat vlak kunnen mensen nog wel iets leren van honden. Honden kenden al de mindfulness ‘avant la lettre’. Honden leggen zich neer bij wat er op dat moment is, en ze zien wel wat erna komt.

En nog iets: honden vechten niet tegen hun emoties. Emoties zijn er om te beleven, maar je moet er niet in blijven hangen. Ik kon best wel eens verdrietig zijn, of een beetje boos, maar dat moest geen uren duren.

Mijn bazinneke die vecht soms tegen haar verdriet omdat ik er niet meer ben. En dan probeert ze zichzelf wijs te maken dat ik ‘maar een hond’ was, maar ze weet wel beter. Voor mij was zij ook niet ‘zomaar een mens’. En ze probeert dan te focussen op de voordelen van mijn afwezigheid: niet meer alle dagen stofzuigen, niet meer haasten om thuis te zijn omdat ze dacht dat ik honger had of moest plassen, of omdat ze me niet te lang alleen wilde laten zitten, en ze kan nu met baasje ook weer eens op vakantie. Maar ze mag gerust verdriet hebben. Ik heb dat ook wel. Maar langs de andere kant is het hier ook wel plezant en het hoort nu eenmaal bij het leven dat je moet sterven.

Ik heb hier ook kennis gemaakt met Toine en met Miek, dat waren vrienden van mijn bazinneke toen ze jong was. Ik heb hier nogal verhalen gehoord, zeg!  Maar je weet dat ik daarover niet mag vertellen.

In de plaats daarvan zal ik eens iets anders vertellen. Iets over interpretaties.

Ik mocht eens mee met mijn bazinneke en mijn baasje in de auto om naar de bakker te rijden. Jullie weten intussen dat ik het te gek vond om achteraan in de koffer van die auto te zitten. Dat was daar mijn plekske, en vandaar kon ik alles in het oog houden en ik kon ook iedereen vooraan zien zitten, maar ik kon er niet bij, want er was een net ertussen. Ik vond dat goed, want zo was het duidelijk dat ik een eigen stukje had.

En toen ze stopten bij de bakker en uitstapten, dan bleef ik in de auto zitten. En tot verbazing van mijn bazinneke deed baasje de auto niet op slot. Dus vroeg ze:

– ‘waarom maak je de auto niet vast?’

– ‘Komaan,’ zei baasje een beetje verbaasd, ‘als ze de hond zien zullen ze zich niet geroepen voelen om de auto te stelen’.

– ‘Maar dààr maak ik me geen zorgen over’, zei bazinneke, ‘ik ben alleen bang dat ze onze hond zouden stelen’.

Zo zie je maar dat interpretaties en normen anders liggen. Maar ’t is toch maar weer eens een bewijs dat wij twee dikke maten waren, mijn bazinneke en ik.

En ik heb nog een andere anekdote over interpretaties.

Kijk, ik kreeg elke dag zo’n been die de tanden reinigen, want na vele pogingen om een tandenborstel in mijn bakkes te krijgen waarbij ik mijn tanden opeen hield alsof ze op slot zaten, heeft mijn bazinneke het opgegeven. Je kan niet altijd winnen hé mensen.

En heel af en toe kreeg ik ook eens een echte kluif van bij de beenhouwer. Man, dan was het echt feest. En dan kwam toch echt de oerhond in mij naar boven hoor, want van mijn part mocht iedereen altijd mijn eten of gelijk wat van me afnemen, maar als ik zo’n echt been had gekregen, dan vond ik dat ze daar met hun fikken moesten afblijven en dat liet ik wel verstaan.

Maar dat mocht niet van mijn bazinneke. Ik mocht mijn lippen niet omhoog trekken zoals zij dat doen. Dan zei ze: ‘mag niet hé’ en dan wees ze met een vinger naar mij. En dan had ik alle moeite van de wereld om die lippen terug naar beneden te trekken, zelfs zo erg dat mijn kaakflappen er begonnen van de trillen omdat die niet meer wisten welke kant ze op moesten. Mijn verstand zij omlaag en mijn instinkt zei omhoog.

En soms dan vond ik dat ik dat been eventjes moest wegbergen. Dan ging ik ermee naar de tuin, op zoek naar een goed plekske om het te bewaren. Het was een heel samenspel van voorpoten en snoet om zo een groot been begraven te krijgen en ik was altijd content van mijn prestatie als ik het geklaard had.

En ik snapte er geen moer van hoe mijn bazinneke kon weten dat ik mijn been begraven had. En dan wilde ze meteen weten waar ik het had vertopt. Zucht….

Dus nam ik haar elke keer mee naar de tuin en bleef dan staan op de plek waar mijn been lag. Mijn bazinneke haalde het uit de grond, spoelde het af en gaf het terug. En een half uurke later deden we dat zelfde spelleke nog eens over. Soms drie of vier keer na mekaar. Ik zag er niet zo meteen de zin van in, maar mensen zijn soms niet te begrijpen.

 

(wordt vervolgd….)

 

MEMOIRES VAN EEN HOND – deel 6

Als er één heel groot verschil is tussen honden en mensen, dan is het zeker de consistentie en de consequentie. Of gewoonweg duidelijkheid.

Ik vertelde al over die lippentrekkerij van mensen om te tonen dat ze blij zijn, terwijl ze eigenlijk helemaal niet blij zijn. En zo heb ik nog vaststellingen gedaan.

Weet je, als ik iets niet wilde, dan was het duidelijk dat ik dat niet wilde. En als ik iets wel wilde, dan liet ik dat ook met veel omhaal merken. Het leven kan zo simpel zijn. Maar blijkbaar maken mensen het graag moeilijk, zowel voor zichzelf als voor anderen.

Toen mijn bazinneke op die studio zat, dan mocht ze mij eerst niet zien, en dan plots kreeg ze te horen dat ik meteen weg moest bij die tweede in rang. Ze mocht kiezen: me ophalen voor het einde van de week, ofwel vloog ik naar het asiel. Verstaat ge nu zoiets?

Allez, ik moet u niet vertellen dat mijn bazinneke daar geen seconde aan getwijfeld heeft, maar er was natuurlijk het probleem van de studio waar geen honden toegelaten waren. En groot was het daar ook al niet. Maar ik zei het al, mijn bazinneke is onder geen kieken gebroed, dus vond ze al snel een oplossing, want zij had ook hele lieve mensen om haar heen die ons wilden helpen.

En zo mocht ik tijdens de week naar mijn pleegroedel, en tijdens de weekends kon ik bij mijn bazinneke op de studio waar ik me gedeisd hield.

Het was heel leerrijk om eens in een andere roedel te zitten. Daar waren ook twee mensenkinderen die vaak met me speelden met de bal en grote wandelingen met me maakten. Die vonden de regen minder erg, blijkbaar. Degene die daar de eerste in rang was werkte als kinesist en kreeg dus veel mensen over de vloer. Niet dat ik daar contact mee had, maar ik zag ze aanbellen aan de voordeur. Daar zat een grote ruit in en ik kon iedereen zien passeren.

Voor de patiënten was er een andere bel dan voor de vrienden. Wanneer de eerste bel ging, dan liet ik me niet horen. Ik wist best wel dat het voor het werk was en dus voor mij niet interessant. Maar bij de tweede bel vond ik het wel nodig om aan te kondigen dat er goed volk kwam.

Maar ik had het eigenlijk over de consistentie en de duidelijkheid van mensen.

In die nieuwe roedel had ik ook zo’n voorval. Nu moet je weten dat ik altijd heb geweten dat je als hond niets van tafels pikt of dat je niets wegneemt dat je niet gegeven wordt. Ik heb altijd manieren gehad. Dat kan je niet zeggen van sommige mensen.

Maar op een avond zaten ze in mijn pleegroedel lekkere dingetjes te eten in de woonkamer. Ik volgde altijd hun voorpoten wanneer die naar iets grabbelden op de lage tafel om het vervolgens in hun muil te stoppen. Want soms gebeurde het dat hun voorpoten dan naar mij toe kwamen om het in mijn muil te steken. Ik moest dus wel alert blijven.

En dan gebeurde het. De eerste in rang was daar vanalles aan het vertellen en maakte daarbij gebaren, maar hij had iets van de tafel genomen en hij hield het in zijn voorpoten. En maar zwaaien. Het was zodanig verwarrend voor mij dat ik niet meer wist wat hij daar nu mee wilde. Was het voor zijn muil of was het voor de mijne? Ik heb dan maar gekozen voor het voordeligste en hapte het kleinood weg.

En toen bleek dat het niet zijn bedoeling was geweest om het mij te geven. Maar hij was niet kwaad. Ze trokken allemaal hun lippen omhoog en lieten hun tanden zien en ze maakten luide kwak-geluidjes om te tonen dat ze het grappig vonden. Maar ik heb het toch nooit meer gedaan. Ik vond het affrontelijk en schaamde me diep.

Een drietal maanden later was het groot feest, want dan verhuisde ik met mijn bazinneke naar een leuk huis met een tuin. De eerste investering die ze deed was een afsluiting laten zetten zodat ik in alle vrijheid kon ravotten. Niet dat ik het ooit in mijn ster zou gehaald hebben om van mijn erf te gaan. Het was meer voor haar eigen gemoedsrust, denk ik.

(wordt vervolgd….)

 

MEMOIRES VAN EEN HOND – deel 5

Er zijn zoveel opvattingen over honden als er mensen zijn. Maar er valt wel een lijn in te vinden, vind ik.

Je hebt de mensen die niet houden van honden. Daar is niks mis mee, want er zijn evenveel honden die niet houden van mensen. Daar zullen ze wel een goede reden voor hebben.

Er zijn mensen die bang zijn van honden. Daar is ook niks mis mee, want er zijn evenveel honden die bang zijn van mensen. En ook daar zullen ze hun redenen voor hebben.

Maar dan komen de nuances, en die zijn toch wel eens het bekijken waard.

Er zijn mensen die zeggen dat honden dikke opportunisten zijn, en dat mensen zichzelf gewoon wijs maken dat hun hond hen graag ziet.

Ah ja? Wie is er eigenlijk de opportunist: de hond of de mens? De hond kiest niet waar hij terecht komt, de hond kiest niet welk eten hij krijgt, de hond kiest niet wanneer hij zijn plas mag doen of mag gaan wandelen, of hij kiest zelfs niet wanneer hij geaaid wordt.

Is het dan niet normaal dat je je kleine wereldje een beetje naar je hand probeert te zetten? Hoe zou je zelf zijn?

Het zijn de mensen die een hond willen ‘hebben’ zoals je een nieuwe GSM wil hebben, of een nieuw kleedje; iets leuks om in huis te hebben. Maar dat kan voor zowel het baasje als de hond erg tegenvallen. De asielen zitten vol van die tegenvallers.

Ik zal u eens wat vertellen, lieve lezer, mijn bazinneke die zag mij echt graag, en ik zag haar even graag terug. En ik zal niet wegsteken dat ik haar nog liever zag wanneer ze mij een been gaf, of bij alle andere zaligheden die ze voor mij over had, maar ook in armoe en ontbering zou ik haar graag hebben blijven zien. Wij waren dik met mekaar, écht dik.

Ik ben zelfs een keer heel kwaad op haar geweest, en daar heb ik nu nog altijd een beetje spijt van. Maar ik wist bij God niet hoe de vork in de steel zat in die tijd. Vanaf mijn plekske hier aan de andere kant van de regenboog kan ik dat nu veel duidelijker zien.

Ik zal het u vertellen, maar zeg het niet voort, want ik weet dat mijn bazinneke het allemaal niet zo plezant vindt als ik daarover begin.

Ik was nog maar twee jaar oud toen mijn bazinneke besloot om de roedel anders in te delen. De tweede in rang was daar helemaal niet content mee en die deed bijzonder moeilijk. En toen kwam het zover dat mijn bazinneke op een studio moest gaan wonen en ze mocht mij niet meer zien.

Wist ik veel hoe dat verhaal in mekaar zat. Ik merkte alleen maar dat ze weg was en dat ze heel lang weg bleef. Ik had me dus maar weer eens geïnstalleerd in de gang, want dat deed ik wel meer wanneer ze weg was, maar deze keer waren het toch lange dagen.

En dan  plots mocht ze me wel eens komen halen en dan mocht ik weer in haar auto springen en meerijden.  En die lift om naar boven te gaan vond ik wel te gek. Maar toen we daar binnen kwamen, dan vond ik toch dat ik haar eens goed moest laten voelen hoe boos ik wel was. Ik ben toen in het midden van die studio gaan liggen en ik gunde haar geen blik. Ze mocht me aanhalen zoveel ze wilde, ik vertikte het om haar te horen.

Maar ja, je kan niet eeuwig blijven smoelen, dus heb ik diezelfde dag nog vrede gesloten, en, jong, dat voelde toch lekker om haar weer te knuffelen en haar te ruiken.

Neen, honden zijn geen opportunisten die alleen maar degene graag zien die hun eten geeft. Dat hebben de mensen goed mis. Misschien zijn het de mensen die zelf zo in mekaar zitten die zoiets over honden zeggen.

Want ik zie wel dat mensen kunnen genieten van een terraske, of ze genieten van een goede knuffel, of van een lekker maal. Is het daarom dat ze hun moeder graag zien, omdat die goed eten maakt? Komaan, zeg!

En ja, ik heb in mijn hondenleven ook genoten. Ik kan daar uren over vertellen.

Want er was niet alleen het eten en de tussendoortjes (iedereen zei altijd dat ik te dik was, maar daar was een goede reden voor), er was bijvoorbeeld ook de dagelijkse borstelbeurt.

Man, man, zo lekker als ze je vacht van voor naar achter en van onder naar boven onder handen nemen. Aaaah, ik kan er nog van nagenieten. Mensen kennen dat niet. Die hebben geen vacht; alleen maar een klein stukje boven op hun kop en nog veel minder op een paar andere plaatsen. Maar wat ben je daarmee? En meestal scheren ze dat nog weg ook.

Mensen moeten een vacht lenen om over hun vel te trekken, want anders hebben ze het koud. En ze zijn ook al zover dat ze nep-vachten maken. En als het erg koud is, dan moeten ze zelfs meerdere vachten over mekaar aantrekken. Wat een gedoe!

Maar voor mij was het wel gemakkelijk om te zien wanneer mijn bazinneke of mijn baasje een vacht aantrokken, want dat wist ik dat de kans er dik in zat dat ik mee naar buiten mocht.

(wordt vervolgd……)

MEMOIRES VAN EEN HOND – deel 4

Na mijn intrede in mijn nieuwe roedel begon ik me steeds beter in mijn vel te voelen. Het viel daar bijzonder mee. De drie mensenkinderen vonden het fijn om met mij te stoeien en me te aaien, en ik kon zomaar naar buiten in de tuin wanneer ik er zin in had. En ik kreeg een lekker zachte mand om in te slapen en een drinkbak met altijd vers water. Prima hotelletje ginder.

En toen vond mijn bazinnetje dat het tijd werd om naar school te gaan. Ze dacht waarschijnlijk dat mijn vijzen toch nog niet helemaal vast stonden, want ik kon bijvoorbeeld erg schrikken wanneer er tijdens de wandeling een blaadje van een boom opvloog met de wind. Ze vond dat niet normaal.

Wij dus naar die hondenschool. Jongens, dat was nog eens een belevenis. Ik heb in mijn leven nooit meer zoveel koekjes gekregen als daar. Want elke keer dat ik iets deed wat zij graag wilden, kreeg ik een koekje. Ik zou het zonder koekje ook wel gedaan hebben, maar waarom zou een hond die kans laten voorbij gaan?

Gelukkig moest ik alleen maar de basisschool doen. Mijn bazinnetje vond het allang goed als ik de regels van de beleefdheid kende. Ik hoefde van haar geen universitair diploma te halen in circus acts. Ik bleek bovendien zo gemakkelijk te leren dat ze me thuis nog wat les gaf. Ik leerde bijvoorbeeld in twee tellen om mijn rechter poot te geven. Ik heb nooit begrepen waarom mensen het zo leuk vinden om hun poten in elkaar te strengelen, maar het blijkt een betekenis te hebben voor hen. Het gelijkt ook een beetje op elkaar likken zonder te likken wanneer ze elkaar ontmoeten. Maar dat doen ze niet bij iedereen.

Die hondenschool, dat was toch een verzameling van een zootje ongeregeld! Er zaten van die kleine keffertjes met zwakke pootjes die altijd moesten gedragen worden, en er zaten ook grote kwade loebassen bij die lawaai maakten voor twintig. Ik had allang door dat die vooral veel lawaai maakten omdat ze zelf bang waren. Bij mensen is dat niet anders. Alweer een punt van gelijkenis.

Ik werd de eerste van de klas. Mijn bazinneke zo fier als een gieter. En dan kwam de opdoffer voor haar wanneer de meester zei: ‘jamaar madammeke, dat is niet zo’n verdienste hé, want het is wel een Golden Retriever.’

Allez zeg, is dat nu een manier van doen? Het is toch niet omdat je tot een bepaalde soort hoort dat je allemaal éénheidsworst bent? De mensensoorten zijn toch ook niet allemaal dezelfde? En al zeker niet allemaal even lief of slim. Ze zeggen toch ook niet ‘Ah ja, madam, het is normaal dat hij de eerste is, want het is een Chinees’.

Enfin soit. Ik heb daar geleerd dat ik bij tijd en wijle moet gaan zitten, of gaan liggen, of blijven zitten als mijn bazinnetje weg ging. Het enige wat ze mij niet gedaan kregen was over zo’n plank op een verhoog lopen. Komaan zeg, ik ben toch niet dom! Waarom zou ik nu over een plank lopen als ernaast lopen zoveel gemakkelijker is?

Maar wat ik wel heel goed onthouden heb is dat ik moest gaan liggen wanneer er een andere hond in de buurt kwam. Ik heb er nooit amok gemaakt met andere honden, hoe slecht die hun karakter soms ook was. Ik ging netjes liggen en wachten tot die weg ging.

Tot grote ergernis van mijn bazinneke ben ik dat heel mijn leven blijven doen. Wanneer ik op gelijk welke wandeling een hond tegenkwam, dan ging ik liggen. Het kon me niet schelen waar ik stond of welk weer het was, ik ging liggen. Dan stond mijn bazinneke daar onnozel te wachten en aan mijn leiband te trekken om mijn logge lijf omhoog te krijgen, maar ik zorgde er wel voor dat ze er geen beweging in kreeg tot die andere hond gepasseerd was.

Ja zeg, ze moeten weten wat ze willen, hé!

 

(wordt vervolgd….)

MEMOIRES VAN EEN HOND – deel 3

Ze zitten hier achter mij al te duwen. Casper wil dat ik met hem kom ravotten in de Champs Elysées. Casper is/was de hond van vrienden van mijn bazinnetje en mijn baasje. Ook een Golden Retriever. Een echte kapoen. Die durfde veel meer doen dan ik.

Maar ze moeten daar maar een beetje wachten want ik heb eerst nog een woordje te plasseren aan de mensheid.

 

In de roedel waar ik terecht kwam was het duidelijk dat mijn bazinnetje de hoogste plaats had. Vele mensen zagen dat niet, maar ik had het al direct in de mot dat je bij haar moest zijn om dingen geregeld te krijgen. Zij bestierde daar het hele zootje, maar ik weet dat ze niet graag heeft dat ik over haar te veel vertel, dus zal ik mijn mond maar houden.

Maar nu en dan moet ik daarover toch wel iets kwijt. Zij was bijvoorbeeld wat de mensen ‘de sociale’ noemen. En de tweede in rang waarmee ze toen getrouwd was, die had het niet zo begrepen op al dat bezoek. Dat vond ik pas een interessante vertoning.

Weet je, wanneer wij, honden, iemand niet erg mogen, dan laten we dat ook meteen zien. We grommen, of we zonderen ons ongeïnteresseerd af. Bij mensen zit dat heel anders in mekaar en dat heb ik altijd heel krom gevonden. Wat een energieverspilling!

Je had zo soorten van bezoek. Er waren de mensen die mij leuk vonden en dan genoot ik van de knuffels en de aandacht. Maar tegelijk hield ik alles heel goed in de gaten. Ik kon ruiken aan de tweede in rang dat hij niet opgezet was met het bezoek van sommige mensen, maar in plaats van te grommen deed die dan gewoon vriendelijk tegen dat bezoek. Daar heb ik nooit iets van begrepen.

En dan zag ik hem zijn lippen omhoog trekken en zijn tanden laten zien, maar bij mensen betekent dat helemaal niet dat ze kwaad zijn. Ze willen daarmee tonen dat ze iemand leuk vinden. Tja, als je geen staart hebt om mee te kwispelen, dan moet je een andere manier bedenken om je vriendelijkheid te laten zien, natuurlijk. Maar ik vond het wel verwarrend. Want ik rook dat hij die mensen niet fijn vond, en toch liet hij zijn tanden zien om hen te laten geloven dat hij hen leuk vond. Ik vraag me alleen af wat je daar eigenlijk mee opschiet? Je zit toch alleen maar opgescheept met mensen die je niet mag, en ze blijven bovendien komen omdat ze denken dat je dat leuk vindt. Dom, dom, dom…

Voor de rest geen kwaad woord over die kerel waar mijn bazinnetje toen mee getrouwd was. Hij was wel niet akkoord met mijn komst, maar ja, bazinnetjes kunnen soms halsstarrig hun goesting doorzetten. En uiteindelijk heeft hij mij snel aanvaard als lid van de roedel, en hij maakte er zelfs een erezaak van om met mij te gaan wandelen. Hij heeft zich dat soms wel eens beklaagd, want wanneer het regende dan bleef ik hem ook stalken om buiten te gaan tot hij toegaf. Mensen vinden regen niet zo tof. Ook dat heb ik nooit begrepen. Regen op je huid doet toch geen pijn? Waarom zijn mensen zo bang om nat te worden door de regen? Want om het nog ingewikkelder te maken: nat worden onder een waterstraal die ze zelf controleren, dat vinden ze wel fijn. Te gek toch.

En wanneer ze dan onder die waterstraal staan, dan smeren ze zich in met vreselijke luchtjes waardoor je niet meer goed kan ruiken of ze nu blij of triest zijn. Dat is hun soort van verstoppertje spelen, denk ik.

 

(wordt vervolgd….)

 

MEMOIRES VAN EEN HOND – deel 2

Mensen….ik kan er uren over vertellen.

Ze menen dat ze een veredeld ras zijn, en ze zijn ervan overtuigd dat ze heel anders zijn dan wij, honden. Hoe kan dat nu dat ze dat niet zien? Denken ze dat wij dom zijn omdat we niet praten zoals zij? Denken ze dat wij geen pijn kunnen hebben omdat we het hen niet vertellen?

Zal ik maar eens beginnen met de gelijkenissen op te sommen? Allereerst hebben wij allebei een mond – hoewel ze dat voor honden anders noemen – langs waar we ons moeten voeden, en we hebben allebei een kont langs waar het er weer uit moet. En als we te veel eten worden we dik. En als we geen eten krijgen, worden we lastig. En we kunnen ons beide eenzaam voelen, en we spelen graag, vooral als we jong zijn. We hebben ook allemaal iets van competitie in ons lijf; we willen graag uitblinken in dingen. En het is ook plezierig om anderen een plezier te doen. En je weet dat je moet luisteren, want anders zwaait er wat.

Weet je wat het grote verschil is tussen honden en mensen? Neen, niet het verstand. Mensen denken dat ze zich onderscheiden door hun verstand, maar dat hebben ze goed mis. Het enige dat in hun voordeel speelt zijn hun voorpoten.

Zij hebben van die grijpers en daarmee kunnen ze deuren en koelkasten open doen, en daarom zijn zij de baas. Mensen kunnen dingen meenemen met die voorpoten. Als hond kan ik wel mijn dorst lessen en veel water drinken, maar ik kan het niet meenemen voor later. Mensen kunnen het water in een emmer scheppen en meedragen zodat ze het op een later tijdstip kunnen drinken. Gelukzakken zijn het.

Die grijpers maken het grote verschil. Ze kunnen er wondjes mee verbinden, ze kunnen het vlees in kleinere brokken snijden. Al is dat voor hen natuurlijk wel noodzakelijk, want op dat vlak zijn wij honden toch wel beter af met een beter gebit. Wij hebben al die messen en vorken niet nodig. Alweer een handicap van het mensenras.

En om het nog maar eens te hebben over dat verstand van de mensen. Jaja, ze zullen wel meer hersens hebben dan honden, maar de vraag is of ze die wel gebruiken zoals het hoort.

Zo heb je die uitvinding van de poepzakjes. Hilarisch! Blijkbaar is de mensheid onderweg ergens vergeten dat stront gewoon vergaat in de natuur. Dat komt waarschijnlijk omdat zij voor hun behoefte zo een stoel met een gat nodig hebben, en daardoor hebben ze elke logica achter zich gelaten. Moesten ze die gatenstoelen niet uitgevonden hebben, dan zouden ze toch gewoon zoals de honden buiten gaan kakken. Ah ja, want in huis stinkt dat, dat weten mensen even goed als honden. Ook op dat vlak zijn we helemaal gelijk.

En het spreekt nogal voor zich dat je geen drol moet gaan leggen aan de voordeur van iemand, of ergens waar kinderen spelen of op een stoep waar je moet stappen. Zelf ben ik ook al eens in zo’n drol gestapt en het plakte tussen mijn voetkussens. En stinken, joh, dat hou je niet voor mogelijk. Gelukkig heeft mijn bazinnetje de boel weer schoon gekregen. Ze vond die stank ook niet te doen.

Maar de poepzakjes, dat is toch echt wel om je bloot gat te laten zien. Hoe dom kan je zijn! Want als je kak in een poepzakje stopt, dan krijg je natuurlijk rommel die helemaal niet zo snel vergaat als een drol die gewoon in de open natuur ligt. De mensen maken gewoon meer troep met hun pastic dan wij met onze kak.

En nu moet ik denken aan mijn jonge jaren. Ik kreeg toen van die afgedankte teddybeertjes en ik vond het fantastisch om die vulling eruit te trekken. En in mijn jonge zottigheid wist ik nog niet dat ik dat niet mocht inslikken. Later heb ik wel geleerd om dat niet meer te doen. Maar toen ik dus nog klein was wilde ik op een wandeling mijn behoefte doen, en toen bleek dat er zo’n lange draad mee uit mijn poep kwam, en die wilde maar niet loslaten. Wat was me dat voor een gedoe. En ik maar duwen om dat ding eruit te krijgen, maar er was geen beginnen aan. En mijn bazinnetje die wist ook al niet wat ze zag. Gelukkig gebruikte die haar verstand nu en dan wel eens, en dus zocht ze een stok en ze draaide daar die draad rond en toen gaf ze er een ruk aan. Man, dat was nog eens een raar gevoel als ze zo een draad uit je kont trekken. Maar ik voelde me wel opgelucht.

 

(wordt vervolgd….)

MEMOIRES VAN EEN HOND – deel 1

SAMSUNG

Ik ben vertrokken naar de andere kant van de regenboog. Maar vooraleer ik me daar installeer wil ik zo graag nog eens wat vertellen aan de wereld.

Want het is toch wel heel wonderbaarlijk dat ik mijn hondenleven nu op een hele andere manier kan bekijken en dat ik nu de dingen scherper zie. Al zijn er evenveel dingen waar ik nog altijd niet wijs uit geraak. Maar ook die dingen wil ik graag delen met al wie het wil horen.

Ik werd geboren op 13 april 2002 in een kennel waar men Golden Retrievers met een stamboom kweekt. Het schijnt dat die stamboom iets belangrijks is voor sommige mensen. Rare bedoening daar, al wist ik toen niet beter.

Ik vond het beangstigend dat mijn broertjes en zusjes en ikzelf maar korte tijd bij onze moeder mochten blijven. We werden samen in een hok gezet dat ver van het woonhuis van de kweker stond en dat vroeger een varkensstal moet geweest zijn. Er lag stro om op te slapen en het was er behoorlijk donker. Enkel helemaal bovenaan het plafond was er een dun streepje venster dat wat licht gaf. Maar het ergste was dat ik zag hoe mijn broertjes en zusjes een voor een werden weggehaald door mensen. Ik zag hen nooit meer terug. En toen bleef ik nog alleen achter. Elke dag kwam iemand eten brengen en water, maar daar bleef het bij. En ik werd altijd maar meer bang in dat hok zodat ik wegkroop wanneer de deur open werd gemaakt.

Op 27 juni 2002 – ik was toen al bijna geen puppy meer, want ik was al 2,5 maanden oud – kwam er verandering in mijn leven. Die dag kwam mijn bazinnetje mij halen. Blijkbaar had de kweker een kleine advertentie gezet, en toen mijn bazinnetje belde kreeg ze te horen dat ik als enige overbleef en dat ze een flinke korting kreeg om me te mogen meenemen. Het kwam er eigenlijk op neer dat de kweker best wel blij was dat hij nog wat geld voor me kreeg. Want intussen was ik een angstig beestje geworden.

Maar van mijn bazinnetje was ik vanaf de eerste minuut niet bang. Ik rook de geur van vriendschap en het zat meteen goed. En toen ze me mee namen naar de keuken van de kweker om daar belangrijke papieren in te vullen installeerde ik me onder de stoel van mijn bazinnetje. En de kinderen van de kweker mochten me zoveel aanhalen als ze wilden, ik bleef veilig zitten waar ik zat.

Die eerste autorit vond ik maar niks. Maar al snel leerde ik dat auto rijden iets bijzonder leuks was. Als mijn bazinnetje de koffer open deed, dan was ik er als de kippen bij om er in te springen en mee te rijden. Maar soms was dat een beetje een vergissing, vooral wanneer die koffer alleen maar open werd gedaan om er iets uit te halen.

Mijn nieuwe thuis was een groot huis met veel licht en dat deed best wel pijn aan mijn ogen. En er waren veel geluiden van deuren en kasten die open en dicht gingen, en voetstappen om me heen. Ik zocht een donker plekje achter de sofa. Dat voelde toch een klein beetje meer vertrouwd.

Maar na een tijdje leerde ik het daar allemaal beter kennen, en dat was best wel boeiend. Je hebt er geen idee van hoe raar mensen in mekaar zitten en wat ze allemaal uitvoeren. Ik heb vaak het gevoel gehad dat ze het allemaal niet goed begrepen, dus heb ik heel mijn leven hard mijn best gedaan om hen te begrijpen, want anders was het nog veel ingewikkelder voor me, en was er bovendien ook  helemaal geen contact mogelijk met die rare wezens.

Mensen zijn echt wel sukkels. Je mag al je soorten blaf bovenhalen, maar ze krijgen het maar niet geleerd wat wij honden daarmee willen zeggen. Mijn bazinnetje kon het gelukkig een klein beetje begrijpen. Zij wist toch tenminste al wanneer ik wilde zeggen dat er vreemden op ons terrein wilden komen, of wanneer ik te kennen gaf dat ik honger had, of wilde spelen, of wanneer ik aangaf dat het ergens pijn deed. Maar geef toe, het is toch triestig dat mensen nog altijd niet in staat zijn om onze taal te verstaan. Ze zijn te beklagen met die handicap.

Enfin, ik heb het snel begrepen dat het onbegonnen werk was om hen in mijn taal te onderrichten, dus ben ik maar beginnen luisteren en goed kijken en op die manier is het me toch gelukt om het belangrijkste van hun gekwetter te verstaan. Ik had bovendien niets anders te doen dan hen een ganse dag te observeren, want als het een beetje meezit als hond, dan moet je niet op zoek naar eten. Je krijgt het gewoon in je eigen schotel voor je neus gezet. Je moet dan wel tevreden zijn met wat je krijgt want veel inspraak is er niet bij. Ze snappen toch niet wat je bedoelt als je blaft.

Hoewel er ook wel manieren leken te bestaan om hen dingen aan het verstand te brengen. Zij bleken te begrijpen dat ik blij was wanneer ik met mijn staart kwispelde. Al waren er ook oenen bij die niet snapten dat kwispelen niet altijd hetzelfde betekent. Maar daar wilde ik het nu niet over hebben.

Ik leerde dat ze blij werden wanneer ze zagen dat ik blij was. Dus kwispelde ik wanneer ik lekkere dingen kreeg zoals de korstjes van de kaas. En ik kwispelde wanneer ze met mijn bal wilden spelen, dus kon ik ze op die manier een beetje conditioneren en naar mijn hand zetten.

(wordt vervolgd…..)

KLIKSPAAN OF KLOKKENLUIDER?

 

travellers-worldwide_(3)

Men heeft mij geleerd dat er een essentieel verschil is tussen een klikspaan en een klokkenluider.

Blijkbaar is klokken luiden positief. Je brengt iets aan het licht dat anderen proberen verborgen te houden omdat het niet zo koosjer is, maar je doet het wel in het belang van de tegenpartij of van de gemeenschap. En een klikspaan, dat moet ik eigenlijk niet uitleggen. Iedereen weet dat het een persoon is die een negatieve daad stelt door over te dragen wat iemand verkeerd heeft gedaan.

Als je het mij vraagt is de lijn erg dun…

En dan belanden we als snel bij waarden en normen.

Moet ik de winkelier verwittigen wanneer ik iemand iets zie wegnemen uit zijn winkel? En zo ja, moet ik hem er ook op wijzen dat de winkelier te veel wisselgeld aan een klant geeft, terwijl die doet alsof er niets aan de hand is?

Moet ik de baas alarmeren wanneer een collega zegt dat hij/zij een taak niet naar behoren zal uitvoeren wegens gelijk welke reden? Moet ik mijn kind naar de politie sleuren wanneer het een fiets heeft gestolen? Moet ik mijn buur aangeven wanneer ik verneem dat hij zonder rijbewijs rijdt?

Soms toch wel moeilijke dilemma’s, niet?

Bovendien zijn onze waarden en normen niet gelijk. De ene zal vinden dat je niet in bomen mag klimmen omdat je ze zou kunnen beschadigen, de ander zal zeggen dat hij het super vindt wanneer zijn/haar kinderen in de bomen klimmen en zich amuseren. Veel heeft te maken met onze opvoeding en met cultuurverschillen.

Moeten we onze eigen normen dan maar laten varen? Neen, dat zou ook geen goed idee zijn, en bovendien niet haalbaar. We hebben het als mens nodig om met bepaalde regels te leven. Het geeft ons een houvast en het maakt het leven in gemeenschap aangenamer.

Maar het is wel goed dat we ons meer bewust zijn van het feit dat anderen niet per se onze eigen normen delen. Iemand zal het helemaal geen grote zonde vinden om een beetje te laat te komen, terwijl de andere vindt dat zoiets echt niet kan en niet respectvol is. Als we weten dat elkeen verschillend is en dus meestal niet opzettelijk onze normen met de voeten treedt, is dat al heel wat ergernis gespaard.

Maar wat als het om dingen gaat waarvan we het gevoel hebben dat er echt over grenzen wordt gegaan? Is het dan toch aangewezen om te klikken of om klokken te luiden?

Probeer het eens op deze manier. Ga naar de persoon in kwestie en spreek hem of haar aan op het gedrag dat volgens jou niet kan. Spoor die persoon aan om zelf naar de benadeelde of de betrokkene te stappen en zijn of haar verhaal te doen. En desnoods kan je aangeven dat – indien hij of zij dit zelf niet doet – jij het zal doen.

De overtreder heeft dan tenminste de kans om zijn of haar fouten recht te zetten, en jij hoeft geen klikspaan te zijn.

Maar nog eens: overdrijf er niet in. Voel je niet geroepen om de hele mensheid op te voeden. Dat is onbegonnen werk. En er zijn nog zoveel andere belangrijke en leuke dingen in het leven!

WAT GAAN DE MENSEN DENKEN…

084

Ons moeder noemde het indertijd ‘menselijk opzicht’. Ik vond het een rare uitdrukking, maar ik merk nu dat ik niet direct een alternatief kan vinden.

‘Menselijk opzicht’ dus. Ik denk dat het zijn voordelen heeft. Het is een vorm van sociale controle die ervoor zorgt dat we ons een beetje gedragen, dat we een beetje zelfdiscipline leren krijgen en ons leren aanpassen.

Jammer genoeg heb ik in mijn praktijk veel mensen gezien die daarin een aantal bruggen te ver gaan. En ik pleit zelf ook niet altijd onschuldig. Er is voor velen onder ons nog werk aan de winkel.

Zo zijn er degenen onder ons die na een uitje met vrienden of na een familiefeestje de hele conversatie van de avond opnieuw in hun hoofd laten afspelen, op zoek naar wat ze zelf hebben gezegd, hoe mensen daarop gereageerd hebben, en of ze daar toch niet in de mist zijn gegaan. Wat zouden de anderen denken? Was ik wel OK?

Of je hebt degenen die hun gordijnen aan de voorkant dicht doen wanneer ze ziek thuis zijn, omdat de buren toch maar niet zouden zien dat ze in de zetel liggen te rusten. Zoiets doe je niet overdag.

Ga jij ook rekening houden met de smaak van je gezelschap wanneer je voor je kleerkast staat om iets uit te kiezen?

Hoeveel mensen met een burnout heb ik voortdurend moeten aansporen om naar buiten te komen, want ze vonden het toch niet kunnen dat ze een collega zouden ontmoeten terwijl ze in ziekteverlof waren.

Durf jij ook niet ‘neen’ te zeggen wanneer iemand jou wil voorbijsteken aan de kassa of een andere aanschuif-gelegenheid? Want misschien zouden de mensen je dan wel afkeurend aankijken en je een onmens vinden.

Of – zoals in een eerdere blog al aangehaald – ga jij bij alles wat je doet een uitleg geven zodat anderen je toch maar niet zouden veroordelen?

Laten we eens massaal afleren om ‘el sympatico’ te willen zijn. Je hoeft niet bevriend te zijn met de hele wereld, en het is ook niet mogelijk om door iedereen sympathiek gevonden te worden. Zolang we ons respectvol gedragen naar anderen is dat al heel mooi. Je hoeft je niet uit te sloven om de goedkeuring van jan en alleman te krijgen.

Jij bent de enige die jezelf echt goed kent. Waarom zou je dan anderen – die jou dus minder goed kennen – over jou laten oordelen?

Je kan anderen niet verbieden om een oordeel te vormen. Dat is hun recht. Maar het is jouw recht om je niet te storen aan dat oordeel. Leef je leven. Het is van jou.

WAAROM BOMMEN SOMS BARSTEN

vuurwerk

Is het jou ook al overkomen dat je plots je zelfbeheersing verliest, dat je ineens alle remmen losgooit, om er dan – uiteraard – nadien spijt van te hebben? Of leef je met iemand die ‘een kort lontje’ heeft?

Laten we eens de fabels uit deze wereld helpen: Er is geen fouter etiket dan “hij/zij heeft een kort lontje”.

Wat helemaal iets anders is dan ‘iemand met lange tenen’. Dat laatste gaat over mensen die snel gekwetst zijn, snel op hun paard zitten, de dingen gevoeliger laten aankomen dan ze verzonden werden.

Maar – zoals gezegd – het korte lontje bestaat niet.

Met een beetje logica is het al meteen uitgeklaard. Dingen gaan pas ontploffen onder zware druk. Een ballon moet je voldoende opblazen of met water vullen vooraleer je hem tot barsten krijgt. Dat geldt ook voor mensen.

Ben jij iemand die nu en dan wel eens ontploft? Ga dan eens na waardoor jij de druk laat opdrijven.

Zijn het de mensen in je omgeving die je voortdurend duwen waardoor het voelt alsof je een sleutel in je rug hebt die kan opgedraaid worden?

Of ga je discussies steeds maar uit de weg? Ben je de man of vrouw van de rust en vrede die altijd maar plooit om toch maar geen conflicten te krijgen?

Of ben je degene die niet voor zichzelf durft op te komen, die zich plat laat walsen door te voldoen aan de wensen van anderen?

Maar het kan ook zijn dat jij jezelf opdraait, dat je de teugels loslaat in je hoofd en dat je de realiteit niet meer ziet en je jezelf verliest in boosheid om spoken die er niet zijn.

Hoog tijd om er even bij stil te staan wat bij jou de oorzaak is, en er verandering in te brengen. Want elke keer laat jij de druk verhogen tot uiteindelijk de hele zaak tot ontploffing komt. En tot overmaat van ramp brengt dat geen verlichting, maar zorgt het opnieuw voor een slecht gevoel en voor nieuwe druk.

Want die ander pikt jouw gedrag niet zomaar. Er worden dingen gezegd die brokken maken. En daar bovenop bezorgt het jou een schuldgevoel. En zo kom je in een cirkel terecht die ervoor zorgt dat er voortdurend nieuwe druk in je hoofd ontstaat.

En laat je vooral niet wijsmaken dat je ‘een kort lontje’ hebt, want eigenlijk is het tegendeel waar: je laat de frustratie veel te lang aanslepen.

Maak een goede afspraak met jezelf: vanaf hier ga ik actie ondernemen van zodra er ook maar de kleinste aanleiding tot druk is. Als je daarin slaagt, dan kan de emmer nooit overlopen omdat je de druppels geen kans geeft om te stapelen.

Met een beetje oefening lukt het zeker!